ECLI:NL:OGEAA:2017:476 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 23-06-2017 / 317 van 2017

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.O.R.’G. Faarup.

De officier van justitie, mr. A. Erades, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair en feit 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd en bepleit om verdachte van de aan hem tenlastegelegde feiten vrij te spreken.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

Feit 1

hij, op of omstreeks 11 april 2016 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader/mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

met een vuurwapen op en/of in de richting van voornoemde personen heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:262/2:259 wetboek van strafrecht

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op of omstreeks 11 april 2016 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader/mededaders voorgenomen misdrijf om aan een of meer persoon/personen, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet,

met een vuurwapen op en/of in de richting van voornoemde personen heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 2:276/2:275 wetboek van strafrecht.

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht kunnen volgen

hij, op of omstreeks 11 april 2016 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld met gebruikmaking van een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening 1931,

immers heeft hij, verdachte of een van zijn mededaders, toen en aldaar voornoemde [slachtoffer 1] met gebruikmaking van een vuurwapen in diens schouder, althans lichaam, geschoten;

artikel 2:273 lid 2 wetboek van strafrecht.

Feit 2

hij, op of omstreeks 11 april 2016, te Aruba,

voorhanden heeft gehad een vuurwapen, in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening;

artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening.

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Vrijspraak

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Ter toelichting dient het volgende.

Met de officier van justitie is het gerecht van oordeel dat er ten aanzien van het tenlastegelegde, sprake is van bewijsmiddelen bestaande uit onder meer de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die beiden verklaren dat verdachte op hen heeft geschoten. Het dossier bevat voorts de verklaring van getuige [getuige 1], moeder van de aangever [slachtoffer 2]. Zij verklaart dat zij twee schoten had gehoord en dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment haar slaapkamer binnenkwam en op de grond viel, terwijl hij hevig bloedde uit zijn linkerschouder. Door zowel haar zoon als [slachtoffer 1] zou aan haar zijn verteld wie de schutter was. Verder blijkt uit de medische verklaring van 11 april 2016 dat [slachtoffer 1] met een schietwond in zijn linkerschouder naar het ziekenhuis is gebracht. Tot slot is er door het Bureau Forensisch Technische Onderzoeken, op 11 november 2016 onderzoek gedaan bij het perceel waar het schietincident zou hebben plaatsgevonden. Bij dat onderzoek is er een schot buiten ten oost/zuidelijk gevel van dat perceel aangetroffen.

Gelet op het voorgaande is het gerecht van oordeel dat in ieder geval vast staat dat er een schietpartij heeft plaatsgevonden.

De vraag waar het gerecht zich vervolgens voor gesteld ziet is of deze bewijsmiddelen van voldoende gewicht zijn dat ze, zowel ieder afzonderlijk als in onderling verband en samenhang bezien, tot een veroordeling van de verdachte kunnen leiden.

Het gerecht is van oordeel dat de hiervoor aangehaalde aangiftes met de nodige terughoudendheid dienen te worden beoordeeld. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben pas zeven maanden na het schietincident, aangifte gedaan. Dit naar aanleiding van de aanhouding van [slachtoffer 1] als verdachte van het schieten op “[bijnaam bestuurder]”. “[bijnaam bestuurder]” was volgens de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de bestuurder van de auto waarin de verdachte zich bevond op de dag van het schietincident. [slachtoffer 1] heeft tegenover de verbalisant verklaard dat hij bang was voor verdachte en daardoor destijds geen aangifte tegen verdachte had gedaan. Ook de moeder van [slachtoffer 2] heeft pas zeven maanden na het tenlastegelegde, een verklaring over het schietincident gegeven. Verder neemt het gerecht in zijn overweging mee dat [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij in de ochtend na het schietincident, negen hulzen die door verdachte zouden zijn geschoten, van de weg heeft opgeraapt en aan een vriend heeft gegeven om die te vernietigen of weg te gooien. Het voorgaande leidt ertoe dat er geen nader onderzoek aan de hulzen meer mogelijk was. Ter terechtzitting is de eigenaar van de auto waarin verdachte zich tijdens het schietincident bevond, als getuige gehoord. Het horen van de getuige [getuige 2], bijgenaamd “[bijnaam getuige 2]”, heeft echter niets opgeleverd, omdat [getuige 2] zich noch de dag, noch het schietincident kan herinneren.

Gelet op het vorenoverwogene is ook niet vast komen te staan dat verdachte op die dag een vuurwapen voorhanden heeft gehad, zoals onder 2 ten laste is gelegd. Dat er op diverse sociale media, foto’s staan waarop verdachte met een vuurwapen is te zien, maakt het voorgaande niet anders.

Alles afwegende komt het gerecht dan ook tot het oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden vastgesteld dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan en dat hij daarvan derhalve dient te worden vrijgesproken.

5 Beslissing

Het gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4 omschreven heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 23 juni 2017 en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. P.A.H. Lemaire en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 23 juni 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

…….