ECLI:NL:OGHACMB:2015:92 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 05-06-2015 / AR 14/2013 - ghis 72290 - H 73/2015

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2015 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 14/2013 - ghis 72290 - H 73/2015

Uitspraak: 5 juni 2015

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de rechtspersoon naar vreemd recht

[APPELLANTE],

gevestigd op Anguilla,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellante,

gemachtigde: mr. B. Brooks,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. J. Veen en A.J. Engelsma.

De partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 8 april 2014 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 25 februari 2014 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: GEA).

1.2

Bij op 20 mei 2014 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellante] zes (niet correct doorgenummerde) grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1

In dit geding heeft [geïntimeerde], verkort weergegeven, een bevel gevorderd tot medewerking van [appellante] aan de overdracht van een perceel aan [geïntimeerde], met de bepaling dat het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van [appellante], en betaling van US$ 150.000,00 aan [geïntimeerde] ingevolge een boetebeding, met de bepaling dat [geïntimeerde] dit bedrag in mindering mag brengen op de onder de notaris te storten koopsom. Het GEA heeft de vorderingen toegewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.

2.2

Bij deze vorderingen bestaat een direct geldelijk belang dat kan worden gewaardeerd op minimaal US$ 150.000,00. Bij een wisselkoers van 1,78 komt dit bedrag overeen met NAf 267.000,00.

Ingevolge art. 20 lid 2 sub f jo. art. 20 leden 3, 6 en 7 van het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken moet daarom in hoger beroep een griffierecht geheven worden dat als volgt wordt berekend:

het tweevoud van 1% van NAf 267.000,00 = NAf 5.340,00.

Er is in hoger beroep reeds NAf 900,00 aan griffierecht geheven. Het verschil ad NAf 4.440,00 wordt nageheven.

[appellante] zal voor betaling hiervan een termijn worden gegund van zes weken na heden, dus tot 17 juli 2015. Indien het nageheven bedrag niet tijdig wordt betaald, leidt dat in beginsel tot vervallenverklaring van het hoger beroep.

De zaak zal naar de rol worden verwezen om [appellante] in de gelegenheid te stellen bij akte een kwitantie over te leggen waaruit blijkt dat zij tijdig het nageheven bedrag aan griffierecht heeft betaald. Nu de hoogte van het griffierecht [geïntimeerde] niet aangaat, zal geen gelegenheid worden geboden voor een antwoordakte.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 28 augustus 2015 in Sint Maarten (met ambtshalve toevoeging van rolaanduiding P3) voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellante];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, S. Verheijen en F.J. Lourens, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 5 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verder lezen