ECLI:NL:OGHACMB:2017:52 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 23-05-2017 / AR 1400/14 - ghis 75953 - H 329/15

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2017 Vonnis no.:

Registratienummer: AR 1400/14 - ghis 75953 - H 329/15

Uitspraak: 23 mei 2017

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigde: mr. M.E.D. Brown,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

verschenen in persoon.

De partijen worden hierna Island Finance en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

Bij vonnis van 30 augustus 2016 heeft het Hof een dictum over betekening uitgesproken en de zaak naar de rol verwezen.

Bij exploten van 12 september 2016 en 15 september 2016 heeft de deurwaarder het vonnis van 30 augustus 2016, de akte van appel en de memorie van grieven betekend aan [geïntimeerde], en ook aanzeggingen aan hem gedaan. Op 20 september 2016 is [geïntimeerde] ter rolzitting van het Hof verschenen. Hem is tweemaal de gelegenheid geboden op een volgende rolzitting een pleitnota in te dienen. Van die beide gelegenheden heeft hij geen gebruik gemaakt. Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

Anders dan uit een vermelding op het kaft van het Hofdossier zou kunnen worden afgeleid, kan niet worden aangenomen dat thans uitsluitend een beslissing over de proceskosten gevraagd wordt. Uit niets blijkt dat

Island Finance haar grief tegen het bestreden vonnis heeft ingetrokken.

2.2

Bij akte van 19 april 2016 heeft Island Finance medegedeeld dat [geïntimeerde] in eerste aanleg geen (schriftelijke) conclusie van antwoord heeft ingediend, maar bij de gelegenheid van de conclusie van antwoord wel producties in het geding heeft gebracht. Bestudering van het dossier bevestigt de aannemelijkheid hiervan: op een van die producties heeft iemand met potlood aangetekend: "c v antwoord" en op het kaft van het GEA-dossier staat: "29 okt 2014 Antwoord (P1); genomen", met in potlood de toevoeging: "(geen inl. brief, louter producties)".

2.3

Uit productie I bij inleidend verzoekschrift valt af te leiden dat [geïntimeerde] op 17 juli 2012 Afl. 12.287,26 heeft geleend van Island Finance. Island Finance heeft in het inleidend verzoekschrift als hoofdsom genoemd: Afl. 12.298,34. [geïntimeerde] heeft laatstgenoemd bedrag niet bestreden. Het GEA heeft [geïntimeerde] veroordeeld om dat bedrag aan Island Finance te betalen.

2.4

Island Finance heeft gesteld dat de voorwaarden waaronder de lening is aangegaan, aldus moeten worden begrepen dat de overeengekomen rente 1,4% per maand bedraagt vanaf 31 december 2013 tot een maximum van

Afl. 10.445,54 en dat Island Finance daarna aanspraak kan maken op de wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft dat niet betwist. Het GEA heeft [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de aldus berekende rente.

2.5

Island Finance heeft voorts betaling van Afl. 1.844,75 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Het GEA heeft deze vordering afgewezen op grond van zijn oordeel dat Island Finance haar stelling dat zij hierop aanspraak kan maken, "onvoldoende verificatoir heeft onderbouwd".

Hiertegen is de grief van Island Finance gericht.

2.6

Island Finance heeft in elk geval in hoger beroep voldoende gesteld en met producties aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht ter incasso van haar vordering. [geïntimeerde] heeft dat ook niet betwist. De grief slaagt. Het afgewezen bedrag dient alsnog te worden toegewezen.

2.7

Ter vergemakkelijking van de uitvoerbaarheid zal het Hof het bestreden vonnis vernietigen en hetgeen was toegewezen, opnieuw toewijzen, en daarnaast thans de vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen.

2.8 [

geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Aan verschotten is dat: Afl. 1.500,00 aan griffierecht, Afl. 234,20 aan kosten van betekening op 25 juni 2015,

Afl. 193,10 aan kosten van betekening op 12 september 2016, Afl. 198,30 aan kosten van betekening op 15 september 2016 en Afl. 187,95 aan kosten van een tweede betekening (aan een andere persoon) op 15 september 2016, dus in totaal: Afl. 2.313,55. De deurwaarder heeft ook kosten van twee aanzeggingen op 15 september 2016 apart vermeld, maar het Hof ziet niet in waarom daarvoor aparte bedragen in rekening zouden kunnen worden gebracht. Het salaris voor de gemachtigde wordt berekend op: driemaal Afl. 250,00, dit is Afl. 750,00.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen kwijting aan Island Finance te betalen

a. Afl. 12.298,34,

b. te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 1,4% maandelijks gerekend vanaf 31 december 2013 tot een maximum van Afl. 10.445,54 en vanaf de dag van het bereiken van dat maximum te vermeerderen met de wettelijke rente over Afl. 12.298,34;

c. buitengerechtelijke incassokosten ad Afl. 1.844,75;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Island Finance gevallen en begroot op Afl. 1.751,00 aan verschotten en Afl. 2.250,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Island Finance gevallen en tot op heden begroot op Afl. 2.313,55 aan verschotten en Afl. 750,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao,

Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 23 mei 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.