ECLI:NL:PHR:2017:500 Parket bij de Hoge Raad , 09-05-2017 / 16/00543

Uitspraak

Nr. 16/00543

Zitting: 9 mei 2017

Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:


[verdachte]

  1. De verdachte is bij arrest van 23 juni 2015 door het gerechtshof Den Haag wegens “de eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen persoenen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een voorwaardelijk gedeelte van vier maanden en een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren (subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis). In het genoemde arrest heeft het hof daarnaast de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 22.777,21 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting aan de Staat opgelegd.

  2. Deze zaak hangt samen met de zaak van de medeverdachte [medeverdachte], die onder nr. 15/03195 bij de Hoge Raad aanhangig is. In deze samenhangende zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.

  3. Namens de verdachte heeft mr. M.A. Oosterveen twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.

  4. Het eerste middel komt op tegen de toewijzing door het hof van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer], voor zover deze betrekking heeft op de door [slachtoffer] gevorderde vergoeding van materiële schade bestaande uit de schade die is ontstaan door één jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014. In het middel wordt met name geklaagd over het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij wat betreft de genoemde schadeposten door de verdachte (volstrekt) onvoldoende is betwist.

4.1. Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van [slachtoffer] als benadeelde partij – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

“Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde.

Deze vordering bevat, blijkens het voegingsformulier en het daaraan gehechte schade-onderbouwingformulier, de volgende posten:

Eén jaar studievertraging volgens de Letselschade Richtlijn Studievertraging

€ 19.177,00

Collegegeld 2013/14

€ 1.770,96

_________+

€ 20.947,96

Eigen risico zorgverzekering

€ 350,00

Verlies horloge:

Horloge Tissot door het voorval verloren, kostprijs in 2010 € 340,00 minus afschrijving 7% per jaar over 3 jaar, 71,00

Schade

€ 270,00

Door bebloeding onbruikbare schoenen en kleding:

Polo

€ 59,95

Schoenen

€ 86,10

Fiets beschadigd:

Voorlamp fiets

€ 20,00

Reiskosten juridische zaken

3 maal € 4,40

€ 13,20

_________+

Totale materiële schade

€ 21.747,21

Immateriële schade

€ 1.300,00

_________+

Totale schade

€ 23.047,21

Voorts vordert de benadeelde partij dat dit bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 20,947,96, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte heeft zijn raadsman de vordering deels betwist. Hij heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de vordering voor zover betrekking hebbend op de posten studievertraging en collegegeld, schade aan kleding en schoenen en schade aan de fiets, omdat deze schade zijns inziens niet het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, althans niet kan worden vastgesteld welk deel van de schade het rechtstreeks gevolg is van welk van de bewezen verklaarde geweldshandelingen en door wie (van de mededaders) die handeling(en) zijn gepleegd.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman verzocht deze te matigen, nu niet kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij ten gevolge van het gepleegde geweld een hersenschudding heeft opgelopen.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat hij de door hem gestelde materiële schade, behoudens die met betrekking tot het horloge, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

Het hof overweegt daarbij als volgt.

Op basis van de hiervoor aangehaalde poliklinische brief van de neuroloog K.M.A. Verwer stelt het hof vast dat het bewezen verklaarde geweld bij de benadeelde een ‘postcontusioneel syndroom’ heeft veroorzaakt. Dientengevolge heeft hij, zo stelt het hof vast, een studievertraging opgelopen van één jaar, waarvan de financiële schade op basis van de Letselschade Richtlijn Studievertraging Collegegeld gesteld kan worden op € 20.947,96. De betwisting door en namens de verdachte van de aard en hoogte van deze schade is in het licht van de onderbouwing van de schade door de benadeelde partij volstrekt onvoldoende, zodat de gevorderde vergoeding ter zake van studievertraging en collegegeld, toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor de overige gestelde materiele schade, behoudens het verloren horloge.

Voorts overweegt het hof, ook mede ten aanzien van de overige betwiste materiële schade, dat niet gebleken is dat enig ander (gewelds)incident zou moeten worden aangemerkt als de oorzaak van de schade.

Ten slotte overweegt het hof dat, nu bewezen is verklaard dat de verdachte en de mededader bij de beide bewezenverklaarde feiten tezamen en in vereniging geweld hebben gepleegd jegens het slachtoffer, zij ieder - hoofdelijk - aansprakelijk zijn voor de gehele materiële schade.

De vordering van de benadeelde partij ter zake van geleden materiële schade zal derhalve tot het gevorderde bedrag van € 21.477,21 hoofdelijk worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot een bedrag van € 1.300,00. Het hof ziet geen reden om dit bedrag te matigen.

Slotsom is dat het hof de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk zal toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 22.777,21, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juli 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 22.777,21 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].”

4.2.

Voor de beoordeling van het middel is de volgende inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2015 en van de tijdens deze zitting overgelegde pleitnota van de raadsman van de verdachte van belang:

(uit het proces-verbaal van de zitting van 9 juni 2015)

“Desgevraagd door de voorzitter deelt [slachtoffer] mede dat hij de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep volledig handhaaft.

Voorts leest hij zijn aanvullende op schrift gestelde en aan dit proces-verbaal gehechte slachtofferverklaring voor.

In reactie op de voorgelezen verklaring verklaart de verdachte:

Ik vind het pijnlijk om te horen welke gevolgen het geweld voor hem heeft gehad. Ik ben zelf ook slachtoffer geweest van een geweldsincident. Ik weet hoe de angst voelt.

Op vragen van de voorzitter deelt de benadeelde partij mede:

U houdt mij voor dat mijn vordering onder meer inhoudt:

Eén jaar studievertraging volgens de Letselschade Richtlijn Studievertraging

€ 19.177,00

Collegegeld 2013/14

€ 1.770,96

_________+

€ 20.947,96

U vraagt mij de gevorderde vergoeding van één jaar studievertraging nader toe te lichten.

Ik heb door de onderhavige mishandeling daadwerkelijk één jaar studievertraging opgelopen. De mishandeling vond plaats op 27 juli 2013. Als ik niet mishandeld zou zijn, had ik de bachelor-fase van mijn studie in de zomer van 2013 kunnen afronden, maar dat is niet gelukt. Pas in augustus 2014 heb ik de bachelor-fase afgerond. In september 2014 ben ik begonnen aan mijn masteropleiding, maar ik kon en kan mij nog steeds niet voor 100% belasten. Het studeren kost mij nog steeds meer moeite dan voorheen, onder meer door concentratieproblemen. Ik kan door deze mishandeling pas een jaar later dan verwacht gaan werken, ik mis een jaar pensioenopbouw en ik ontvang een jaar minder loon dan wanneer ik niet zou zijn mishandeld, althans zo schat ik dat in.

Daarom handhaaf ik de gevorderde € 20.947,96. Dat bedrag vind ik reëel.

Alle stukken ter onderbouwing van mijn vordering waarover ik beschik, heb ik bij mijn schriftelijke vordering gevoegd. Meer of andere (aankoop)bonnen heb ik niet. Ik was destijds zevendejaars student. Ik had op de betreffende avond geen alcohol genuttigd.

De verdachte geeft op dat hij het niet eens is met de vordering.

Op vragen van de advocaat-generaal verklaart de verdachte:

Ik ben het niet eens met het gevorderde bedrag, omdat ik dat bedrag niet kan betalen. Ik vind het extreem hoog in relatie tot wat ik heb gedaan. Ik zeg niet dat het niet klopt wat de aangever over het ten laste gelegde heeft verklaard, maar ik vind het bedrag overdreven.

(…)

De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de vordering voor.

(…)

Voorts concludeert de advocaat-generaal tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 20,947,96, met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de post ‘studievertraging’ in de vordering van de benadeelde partij wijst de advocaat-generaal op de poliklinische brief van de neuroloog K.M.A. Verwer, op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het bewezen verklaarde geweld bij de benadeelde een ‘postcontusioneel-syndroom’ heeft veroorzaakt.

De advocaat-generaal legt zijn schriftelijke vordering aan het gerechtshof over.

De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnota.

De advocaat-generaal en de raadsman krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek. Zij persisteren bij de door hen ingenomen standpunten.

Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken. Hij deelt mede:

Ik wil spijt betuigen aan het slachtoffer en zijn familie. Ik weet niet hoe ik de vordering tot schadevergoeding zou moeten voldoen.”

(uit de overgelegde pleitnota van de raadsman)

“De belangrijkste reden voor [verdachte] om in beroep te gaan is gelegen in de toegewezen vordering van de benadeelde partij.

In eerste instantie heeft [verdachte] niet echt verweer gevoerd tegen deze vordering. Dat was echter ook met name omdat hij niet echt goed begreep wat deze vordering nu precies inhield en wat de mogelijke gevolgen er van zouden kunnen zijn.

Inmiddels heeft hij echter kennis genomen van het feit dat hij volgens de rechtbank een bedrag van € 11.793,15 aan het slachtoffer in deze zaak, [slachtoffer] zou moeten betalen (althans aan de staat). [verdachte] kan een dergelijk bedrag helemaal niet betalen (hij is afhankelijk van een Wajong uitkering).

Bovendien is hij het helemaal niet eens met de onderbouwing van deze vordering, meer specifiek het gedeelte betrekking hebbende op studievertraging, maar ook diverse andere onderdelen.

Met [verdachte] is de verdediging van mening dat de vordering van de benadeelde partij voor het overgrote deel te gecompliceerd is om deze in het kader van deze strafprocedure te behandelen. De benadeelde partij zou dan ook (grotendeels) niet ontvankelijk verklaard moeten worden in zijn vordering.

Vooropgesteld wordt dat de voeging van de benadeelde partij door de wetgever bedoeld is voor tamelijk eenvoudige vorderingen waarbij er een duidelijk verband is tussen het strafbare feit en de geclaimde schade. Bijvoorbeeld de diefstal van een nieuwe I-Phone. Waarvan het bonnetje van de aankoop nog voorhanden is bij het slachtoffer en de dader de telefoon al heeft verkocht. Dan is de schade eenvoudig bepaalbaar en is de behandeling van de vordering niet ingewikkeld.

In deze zaak van [verdachte] ligt dat echter volledig anders.

Ten eerste is er onduidelijkheid over het letsel van [slachtoffer].

Hij stelt in zijn vordering dat hij een hersenschudding had. Als echter gekeken wordt naar bijlage 3 bij de vordering, dan blijkt dat uit de Huisartsenbrief SEH, volgt dat er bij lichamelijk onderzoek sprake was van:

- Evidente ethanol intox, wel coherent

- Meerdere haematomen craniaal

- Enkele exfoliaties op de onderarm en knieën

- Snijverwondingen linker knie, 2 cm, wijkende wondranden

Verder wordt nog vermeld: Geen verwondingen van de nek, geen drukpijn cervicaal, geen verwondingen van de thorax, NV AG, abdomen soepel met normale peristaltiek zonder druk of loslaatpijn.

Bij nader onderzoek (CT van de hersenen) worden geen traumatische intercraniële afwijkingen gezien.

De diagnose hersenschudding, wordt dus niet gesteld. Meerdere haematomen craniaal zijn meerdere bloeduitstortingen op de schedel (builen).

De medische term voor een hersenschudding is commotio cerebri (zie bijlage). Die term is in het hele rapport niet te vinden. Van traumatische intercraniële afwijkingen is geen sprake.

Wat verder opvalt is dat er als eerste gewag wordt gemaakt van Evidente ethanol intoxicatie.

Als bijlage heb ik aan mijn pleitnota enige informatie met betrekking tot ethanol gevoegd. De symptomen van ethanolvergiftiging komen erg overeen met die van de symptomen van een hersenschudding. Maar hebben dus een volledig andere oorzaak.

(…)

In de poliklinische brief die de benadeelde partij als bijlage 3 over heeft gelegd, wordt wel gesteld dat betrokkene naar de SEH gekomen is en een hersenschudding werd vastgesteld, echter is niet duidelijk op welke bron de neuroloog zich baseert. Wellicht was dit [slachtoffer] die dit heeft verteld.

In deze poliklinische brief valt verder op dat [slachtoffer] halverwege augustus geen klachten meer had en eind augustus 2013 weer begonnen is met studeren. Ook staat (onderaan de derde alinea) dat hij het vak heeft gevolgd en met goed gevolg heeft afgesloten.

Onder het kopje sociaal lezen wij dat [slachtoffer] een 7e jaars student is! Elders lezen wij dat hij nog steeds met zijn bachelor bezig is althans aan het begin van zijn masteropleiding zit.

Mijns inziens zijn er dus vele vragen te stellen bij de vraag of er sprake was van een hersenschudding. Ook is de vraag of de problemen die [slachtoffer] ondervindt, het gevolg zijn van de mishandeling of dat daar andere oorzaken voor zijn.

Bovendien is het zo dat de mishandeling in twee gedeelten heeft plaatsgevonden. Bij het eerste gedeelte (van de fiets af trekken en slaan) was [verdachte] niet betrokken. Daarna wel. Niet vast te stellen is welk letsel wanneer is ontstaan en wat daar de gevolgen van zijn geweest voor [slachtoffer].

Dit leidt mij tot de conclusie dat de benadeelde partij voor wat betreft de post studievertraging en collegegeld in de vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden.”

4.3.

In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat de verdediging de vordering van [slachtoffer] wat betreft de schadeposten van één jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014 volstrekt onvoldoende heeft betwist, zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Daarbij betoogt de steller van het middel dat door de verdediging in hoger beroep onder meer is aangevoerd

(i) dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de betreffende schadeposten te gecompliceerd is om in het kader van de strafprocedure te worden behandeld;

(ii) dat in dit verband van belang is dat de precieze aard van het door het slachtoffer opgelopen letsel niet goed uit de in het dossier aanwezige stukken kan worden opgemaakt; en

(iii) dat op grond van de zich in het dossier bevindende informatie evenmin goed kan worden vastgesteld of en in hoeverre de door het slachtoffer gestelde studievertraging daadwerkelijk het gevolg is geweest van de geweldshandelingen van de verdachte en zijn medeverdachte.

Door de steller van het middel wordt voorts opgemerkt dat het in casu door het slachtoffer naar voren gebrachte ‘bewijsmateriaal’ niet voldoet aan het bewijsminimum dat in een civiele procedure over de schadevergoedingsvordering van het slachtoffer van toepassing zou zijn. Tot slot wordt in de toelichting op het middel nog gesteld dat het hof bij zijn beoordeling van de vordering van [slachtoffer] niet of nauwelijks op de stellingen van de verdediging is ingegaan.

4.4.

Uit de inhoud van de ter terechtzitting in hoger beroep van 9 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer], de bij het op 29 oktober 2013 ingekomen “Voegingsformulier benadeelde partij” gevoegde bijlagen (waaronder een poliklinische brief van neuroloog K.M.A. Verwer van 14 oktober 2013 en een medische verklaring met betrekking tot de studiebelastbaarheid van [slachtoffer] tussen 27 juli 2013 en 30 augustus 2013) en de overwegingen van het hof in het bestreden arrest maakt ik op, dat de toekenning van de schadepost die gebaseerd is op één jaar studievertraging door het hof voor een deel is gestoeld op het feit dat [slachtoffer] in de zomer van 2013 kort na de tenlastegelegde feiten niet in staat is geweest om de bachelorfase van zijn studie af te ronden. Voor een ander deel is de toewijzing van de vordering van [slachtoffer] door het hof kennelijk gegrond op het feit dat de gevolgen van het in oktober 2013 bij [slachtoffer] vastgestelde postcontusioneel syndroom volgens de eigen verklaring van [slachtoffer] hebben meegebracht dat hij pas na de zomer van 2014 met de masterfase van zijn studie kon beginnen en dat dit syndroom zelfs ten tijde van de behandeling van de zaak in hoger beroep nog concentratieproblemen gaf. Voor de beoordeling van de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat het slachtoffer als gevolg van de tenlastegelegde feiten daadwerkelijk één jaar studievertraging heeft opgelopen vind ik het van belang om de beide aspecten waarop dit oordeel rust kort nader te bezien.

4.5.

Voor zover het hof in het bestreden arrest heeft vastgesteld dat [slachtoffer] als gevolg van de tenlastegelegde feiten in de zomer van 2013 niet in staat is geweest om de bachelorfase van zijn studie af te ronden, zijn de overwegingen van het hof goed te volgen. De betreffende stukken houden immers onder meer in dat [slachtoffer] bij de tenlastegelegde feiten verschillende kneuzingen en verwondingen heeft opgelopen (zie bijlage 3, blad 1-2, bij het Voegingsformulier), dat bij [slachtoffer] tweeënhalve maand na de tenlastegelegde feiten een postcontusioneel syndroom is geconstateerd (zie bijlage 3, blad 3, bij het Voegingsformulier) en dat [slachtoffer] in ieder geval in de periode van 27 juli 2013 tot 30 augustus 2013 niet in staat is geweest om te studeren (zie bijlage 4, blad 1, bij het Voegingsformulier).

4.6.

Gelet op hetgeen de neuroloog K.M.A. Verwer in zijn rapport van 14 oktober 2013 meldt, heeft deze situatie in ieder geval tot 26 september 2013 voortgeduurd en waarschijnlijk nog een periode daarna. Verwer schrijft hierover :

“Bovengenoemde patiënt zagen wij op 26-09-2013 op de polikliniek neurologie van de Reinier de Graaf Groep.

Anamnese:

Op 27-07-2013 is patiënt naar huis gefietst van een feestje waarbij hij van zijn fiets af getrokken is door een groep jongens en tegen het hoofd aan is geschopt. Hij had hierbij geen bewustzijnsverlies, maar kan zich er momenteel weinig van herinneringen. Hij is die dag naar de SEH gekomen waar een wond in zijn knie gehecht is en een hersenschudding werd vastgesteld. Op een CT scan van de hersenen werden geen afwijkingen gezien.

Een paar dagen later kreeg hij klachten van misselijkheid. Hij heeft een maand rustig aan gedaan. Hij had die periode vakantie. Halverwege augustus bemerkte hij geen klachten meer. Eind augustus 2013 is patiënt weer begonnen met studeren. Hierna begonnen de klachten van met name misselijkheid maar ook hoofdpijn en duizeligheid weer. De misselijkheid komt met vlagen, een aantal keer per dag. Dit komt met name op bij mentale inspanning zoals lezen, studeren, tv kijken, gesprekken voeren. Als hij deze klachten krijgt en ze hevig zijn voelt hij ook hoofdpijn en duizeligheid opkomen. Hierbij hoeft patiënt niet over te geven. De eetlust is wel wat verminderd door deze klachten. De duizeligheid is meer een gevoel van licht in het hoofd. Dit komt samen met de misselijkheid. De hoofdpijn zit bovenin het hoofd en is vooral stekend. Dit heeft hij niet elke dag.

Hij heeft erg veel moeite met aandacht vasthouden en concentreren. Gesprekken één op één gaan goed, maar in drukkere ruimtes heeft hij moeite de aandacht te houden en krijgt hij ook de misselijkheidsklachten. Ook heeft hij moeite met lezen en bv tv kijken. Het lukt hierdoor nu niet zijn studie te continueren, deze heeft hij op dit moment onderbroken. Slapen gaat slecht. Met name inslapen is moeilijker. Het duurt langere tijd voor hij in slaap valt, tot 3 uur. Hij slaapt wel goed door. Om wel zijn rust te pakken slaapt hij nu uit. Hij gaat rond 23-24u naar bed, staat rond 11 uur op. Overdag doet hij geen dutjes, hij rust wel in periodes uit op bed. Patiënt heeft verder geen uitval, geen verandering in spraak, geen veranderd gevoel, geen tintelingen bemerkt. Hij heeft eind augustus 2013 nog wel een vak gevolgd op de universiteit en dit ook met goed resultaat afgesloten.”

4.7.

Uit het rapport van Verwer kan worden opgemaakt dat [slachtoffer] op 26 september 2013, toen hij Verwer bezocht, zijn studie had gestaakt vanwege de klachten die verband hielden met zijn mishandeling. Hoe lang deze periode in het studiejaar 2013-2014 heeft geduurd blijkt uit de bijlagen bij het voegingsformulier niet.

4.8.

Verder is van belang dat [slachtoffer] zijn Voegingsformulier onder andere vergezeld heeft laten gaan van een brief van de Technische Universiteit Delft van 4 september 2013, waaruit kan worden opgemaakt dat aan [slachtoffer] voor het academisch jaar 2013-2014 uitstel is verleend van de verplichting om bij het volgen van de masterfase van zijn studie de bachelorfase van diezelfde studie volledig te hebben afgerond (zie bijlage 4, blad 2, bij het Voegingsformulier). Letterlijk staat in deze brief dat “uitstel harde knip is verleend voor het academisch jaar 2013-2014”, hetgeen betekent dat het niet kunnen behalen van de bachelor voor [slachtoffer] in ieder geval geen formele belemmering opleverde die tot gevolg had dat hij pas een jaar later met zijn masterstudie kon beginnen.

4.9.

Dan resteert de vraag of de overwegingen van het hof ten aanzien van de schadevergoedingsvordering van [slachtoffer] voldoende begrijpelijk zijn, voor zover het hof heeft vastgesteld dat bij [slachtoffer] tweeënhalve maand na de tenlastegelegde feiten een postcontusioneel syndroom is geconstateerd en dat de studievertraging die daarvan het gevolg is geweest alles bij elkaar genomen één jaar bedraagt. Het gaat hier uiteraard om een vaststelling van feitelijke aard, die in cassatie met de nodige terughoudendheid moet worden beoordeeld. Dat neemt niet weg, dat deze beoordeling de begrijpelijkheidstoets moeten kunnen doorstaan. Wat betreft het oordeel van het hof dat [slachtoffer] als gevolg van de tenlastegelegde feiten een heel jaar studievertraging heeft opgelopen moet worden vastgesteld dat alle in dit verband relevante informatie in het dossier – met uitzondering van de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [slachtoffer] zelf – betrekking heeft op de gezondheidstoestand van [slachtoffer] tot ongeveer tweeënhalve maand na de tenlastegelegde feiten. Hoewel de kennelijke inschatting van het hof dat de symptomen van het postcontusioneel syndroom van [slachtoffer] mede in het licht van de aard van de tenlastegelegde geweldshandelingen nog een tijd zullen hebben aangehouden op zichzelf genomen niet onbegrijpelijk is, vind ik dat het hof bij de concrete toewijzing van de gevorderde schadepost die gebaseerd is op één jaar studievertraging en het volledige collegegeld voor het jaar 2013-2014 te kort door de bocht is gegaan.

4.10.

In het op 19 november 2013 gewezen vonnis in eerste aanleg in de onderhavige zaak kwam de rechtbank Den Haag met betrekking tot de gestelde schadepost van een jaar studievertraging tot het oordeel dat op dat moment reeds voldoende aannemelijk was dat [slachtoffer] als gevolg van de tenlastegelegde feiten een half jaar studievertraging zou oplopen – en in verband daarmee een bedrag van € 10.000,- aan schade zou lijden –, maar dat de vordering van [slachtoffer] wat betreft de genoemde schadepost voor het overige niet-ontvankelijk was. Blijkens de hierboven onder 4.2 aangehaalde passage van de pleitnota van de raadsman van de verdachte, heeft de verdediging bij de behandeling van de zaak in hoger beroep in de kern aangevoerd dat de vordering van [slachtoffer] van de schadeposten van één jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014 te gecompliceerd is om in het kader van de strafprocedure te worden behandeld en dat daarbij van belang is dat uit de relevante informatie in het dossier niet goed kan worden opgemaakt wat de precieze aard en ernst van het door [slachtoffer] opgelopen letsel is. Nu de inhoud van de bij het Voegingsformulier gevoegde bijlagen wat betreft de gevolgen van het letsel van [slachtoffer] voor de langere termijn geen eenduidige informatie bevat en uit de overwegingen van het hof in zijn arrest in het geheel niet blijkt of c.q. in hoeverre het hof rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat [slachtoffer] in de loop van de periode na de tenlastegelegde feiten in ieder geval weer beperkt studiebelastbaar is geworden, is de vaststelling door het hof van de studievertraging van [slachtoffer] mijns inziens – zonder nadere motivering – niet zonder meer begrijpelijk. Evenmin vind ik het zonder meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdediging de vordering van de schadeposten van een jaar studievertraging en het collegegeld voor het jaar 2013-2014 in het licht van de onderbouwing daarvan “volstrekt onvoldoende heeft betwist”. Aangezien het hof wat betreft de gevolgen van het letsel van [slachtoffer] voor de langere termijn eigenlijk geheel is afgegaan op de stellingen van [slachtoffer] zelf is ook niet goed duidelijk hoe de verdediging zich tegen deze stellingen anders had kunnen verweren dan dat zij heeft gedaan.

4.11.

Het eerste middel treft doel.

5. Het tweede middel bevat een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase.

5.1.

Namens de verdachte is op 3 juli 2015 cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn op 28 januari 2016 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Van een overschrijding van de toepasselijke inzendtermijn in cassatie is derhalve geen sprake, aangezien de stukken (ruim) binnen acht maanden na het instellen van het cassatieberoep door de Hoge Raad zijn ontvangen. Dat zich hier een geval voordoet waarin in plaats van de standaardtermijn voor het inzenden van de stukken van acht maanden een aangepaste termijn van zes maanden moet worden gehanteerd, blijkt niet uit de stukken in het dossier en wordt door de steller van het middel overigens ook niet gesteld.

5.2.

Het tweede middel faalt.

6. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt en kan met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Verder lezen