ECLI:NL:PHR:2017:595 Parket bij de Hoge Raad , 04-04-2017 / 16/01063

Uitspraak

Nr. 16/01063

Zitting: 4 april 2017

Mr. G. Knigge

Conclusie inzake:


[verdachte]

1

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij arrest van 12 februari 2016 de verdachte wegens de eendaadse samenloop van: 1 primair. “diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, 2 primair. “medeplegen van zware mishandeling” en 3 primair. “poging tot medeplegen van zware mishandeling”, en voorts wegens 4. “poging tot diefstal in vereniging”2, en ter zake van de strafzaak met parketnummer 08-770124-14 onder 1. “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” en 2. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.

3 Het eerste middel

3.1.

Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat de bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 in de strafzaak met parketnummer 08-770124-14 ontoereikend zijn gemotiveerd, aangezien het hof ten aanzien van deze feiten ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in art. 359 lid 3 Sv, nu de raadsman van de verdachte voor deze feiten vrijspraak heeft bepleit.

3.2.

Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-770124-14 onder 1 bewezenverklaard - kort gezegd - dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn vriendin en onder 2 dat hij een gasdruk balletjespistool voorhanden heeft gehad.

3.3.

Deze bewezenverklaringen steunen op bewijsmiddelen ten aanzien waarvan het hof heeft volstaan met een opgave als bedoeld in de tweede volzin van art. 359 lid 3 Sv. De opsomming van deze bewijsmiddelen is te vinden in de aanvulling op het verkorte arrest op pag. 49 (bewijsmiddelen 45 t/m 48).

3.4.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 15 januari 2016 blijkt dat de verdachte, voor zover hier van belang, onder meer het volgende heeft verklaard:

“Het is juist dat ik mij op 3 april 2014 in Wijhe schuldig heb gemaakt aan mishandeling van mijn partner, [betrokkene 1] . Voorts is het juist dat ik op 4 april 2014 in Wijhe in het bezit was van een gasdruk balletjespistool. (…)”

3.5.

Uit de aan datzelfde proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van de verdachte vrijspraak heeft bepleit ten aanzien van alle aan de verdachte tenlastegelegde feiten, dus ook voor de desbetreffende feiten 1 (mishandeling vriendin) en 2 (verboden vuurwapenbezit). Deze pleitnotities houden, voor zover van belang, het volgende in:

Rechtmatigheid bewijsgaring

[verdachte] meent dat er ten tijde van de vordering van de OvJ en de machtigingen van de RC tot toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden (observeren en tappen) geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dat [verdachte] betrokken is geweest bij de overval in Wijhe, in het kader van welk onderzoek de bevoegdheden zijn gebruikt (pag. 4).

(…)

Gevolgen vormverzuimen vooronderzoek

Vastgesteld moet worden dat het bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij alle aan hem tenlastegelegde feiten (overval Wijche 11/03/2014, poging overval Vaassen 02/04/2014, mishandeling van zijn partner en overtreding van de Wet w&m) een rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige inzet van dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden (pag. 6).

(…)

Gelet op het feit dat al het bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] bij de aan hem verweten feiten is verkregen als gevolg van de geconstateerde vormverzuimen dient vrijspraak voor alle aan hem tenlastegelegde feiten te volgen (pag 9).”

3.6.

Het hof heeft in zijn arrest op pag. 7-8 onder de kop ‘Rechtmatigheidsverweren’ het verweer van de raadsman verworpen en het hof heeft daartoe de uitvoerige overwegingen van de rechtbank dienaangaande overgenomen en geciteerd.

3.7.

Art. 359 lid 3 Sv, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, bepaalt dat de beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in de uitspraak opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan het hof met een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij de verdachte nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.

3.8.

Ingevolge het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv had het hof in casu niet mogen volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen voor de feiten 1 en 2, nu namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit.

3.9.

Tot cassatie hoeft dit verzuim echter niet te leiden. Zoals de Hoge Raad reeds in eerdere vergelijkbare gevallen heeft geoordeeld3, meen ik dat ook in de onderhavige zaak de verdachte onvoldoende belang heeft bij de klacht. Uit hetgeen hiervoor is weergegeven kan worden afgeleid dat de verdachte ter terechtzitting van het hof beide feiten ondubbelzinnig heeft bekend en dat het hof het door de raadsman tot vrijspraak van deze feiten strekkende verweer gemotiveerd heeft verworpen. Daarbij komt dat in de schriftuur geen nadere toelichting is gegeven met betrekking tot het belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak op dit punt en terugwijzing.4

3.10.

Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

4 Het tweede middel

4.1.

Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van - kort gezegd - de woningoverval in Wijhe op 11 maart 2014 (feiten 1, 2 en 3). In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat in feitelijke aanleg is gesteld dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van verdachtes DNA op een paar schoenen van het merk Fallen, waarop het bloed van beide slachtoffers is aangetroffen.

4.2.

De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte zich samen met een ander op 11 maart 2014 schuldig heeft gemaakt aan een brute overval op twee hoogbejaarde broers in hun woning te Wijhe. Het hof heeft in zijn arrest op pag. 10-15 aan de bewezenverklaringen van de feiten 1, 2 en 3 die zien op vorenbedoelde woningoverval, uitvoerige bewijsoverwegingen gewijd, die ik hier niet integraal zal weergeven.

4.3.

Het hof heeft in zijn bewijsoverwegingen onder meer vastgesteld dat er in de woning van de slachtoffers schoensporen zijn aangetroffen die zeer vermoedelijk afkomstig zijn van schoenen van de merken Fallen en Prada. Deze schoensporen zijn door het NFI vergeleken met de schoenen van Prada en Fallen, die zijn gevonden in een aan de verdachte toebehorende tas in de woning van [betrokkene 2] . Door het ontbreken van karakteristieke overeenkomsten kon niet worden vastgesteld dat de sporen daadwerkelijk afkomstig zijn van deze in de tas aangetroffen Fallenschoenen. Onderzoek door het NFI heeft voorts uitgewezen dat er bloed van beide slachtoffers op de Fallenschoenen zat en dat in de ‘bemonstering uiteindes veter en lip linkerschoen Fallen’ een DNA mengprofiel is gevonden van minimaal vier personen waarvan het celmateriaal afkomstig kan zijn van de verdachte en minimaal drie onbekende personen (pag. 12 arrest en bewijsmiddel 22). Het hof gaat er blijkens zijn overwegingen vanuit dat de bloedsporen van de slachtoffers tijdens de overval op de Fallenschoenen zijn terechtgekomen en tevens dat die Fallenschoenen bij de overval door de verdachte zijn gedragen.

4.4.

Het middel komt naar ik begrijp in de kern er op neer dat het hof het DNA op de linker Fallen schoen niet had mogen toerekenen aan de verdachte, nu op basis van het door de NFI verrichte onderzoek die vaststelling niet mogelijk was. Erkend kan worden dat het enkele feit dat het DNA-spoor op de linker Fallenschoen van de verdachte afkomstig “kan” zijn, onvoldoende is om te concluderen dat de Fallenschoenen door de verdachte bij de overval zijn gedragen. Het middel ziet er evenwel aan voorbij dat het hof ook andere feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen om tot een bewezenverklaring van de feiten te komen. Zo heeft het hof onder meer in zijn oordeel betrokken:

 dat de Fallenschoenen in een tas zaten die op verzoek van de verdachte op de avond dat hij door de politie was aangehouden door diens vriendin naar de woning van [betrokkene 2] is gebracht en dat de verdachte tegen [betrokkene 2] heeft gezegd dat deze schoenen eerder zijn gebruikt;

 dat in de tas waarin de Fallenschoenen zaten, zich ook een bloedsuikermeter bevond die toebehoorde aan de slachtoffers van de overval;

 de aangetroffen schoensporen in de woning van de slachtoffers, die zeer vermoedelijk zijn veroorzaakt door schoenen van het merk Prada en het merk Fallen, terwijl in de naar [betrokkene 2] gebrachte tas zowel een paar schoenen van het merk Prada als van het merk Fallen zaten;

 de uitkomst van het aangetroffen DNA materiaal op de Pradaschoenen die in de tas zaten, waarbij de hypothese dat de bemonsteringen celmateriaal van de verdachte en van zijn medeverdachte bevatten extreem veel waarschijnlijker is dan dat de bemonstering afkomstig is van drie onbekende personen;

 het NFI onderzoek aan de in de buddyseat van verdachtes scooter gevonden handschoenen; aan de buitenkant van de linkerhandschoen is bloed van één van de slachtoffers gevonden en aan de binnenzijde van die handschoen is DNA van de verdachte gevonden;

 dat een zwarte (imitatie)pistool in een zwarte bivakmuts en een schoenendoos van het merk Prada bij een doorzoeking in de woning van [betrokkene 1] , de vriendin van de verdachte, inbeslaggenomen zijn; dit terwijl een van de overvallers een zwarte bivakmuts op had en een zwart pistool in de hand had;

 de zendmastgegevens, waaruit blijkt dat de verdachte op de avond van de overval in Wijhe was, in de buurt van de woning van de slachtoffers;

 de verklaringen van de verdachte die bevestigt dat hij die avond van de overval in Wijhe was;

 het vertrek van de verdachte en zijn medeverdachte kort na de overval per trein uit Wijhe en het volgens een taxichauffeur en een medewerker van een benzinepomp in bezit hebben van een opvallende hoeveelheid geld.

Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen in samenhang bezien met de overwegingen omtrent het bewijs heeft het hof de bewezenverklaringen van de feiten 1, 2 en 3 toereikend gemotiveerd.

4.5.

Het middel kan klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.

5 Het derde middel

5.1.

Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.

5.2.

Nu de voorgaande middelen evident falen en mijns inziens geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, heeft de verdachte bij dit middel, dat klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, onvoldoende rechtens te respecteren belang.

6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1
In de samenhangende zaak met griffienummer 16/01152 ( [medeverdachte] ), concludeer ik vandaag eveneens.
2
In het verkorte arrest is per abuis de kwalificatie van het onder 4 bewezenverklaarde feit niet opgenomen. Bij herstelarrest van 22 februari 2016 is dit verzuim door het hof hersteld. In de schriftuur wordt daarover niet geklaagd.
3
Vgl. HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2244 (HR: art. 80a RO) en HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3434 (HR: art. 80a RO)
4
Vgl. HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3434 (HR: art. 80a RO) en HR 1 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2460 (HR: art. 81.1 RO).