ECLI:NL:RBAMS:2013:4482 Rechtbank Amsterdam , 08-07-2013 / C/13/544195 / KG ZA 13-752 HJ/CGvB

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/544195 / KG ZA 13-752 HJ/CGvB

Vonnis in kort geding van 8 juli 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FFG PROPERTIES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding op verkorte termijn van 21 juni 2013,

advocaat mr. A.D. Flesseman te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

beiden zonder bekende woon- en/of verblijfplaats,

gedaagden,

advocaat mr. S. Verhagen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna FFG en [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter terechtzitting van 24 juni 2013 heeft FFG gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagden] heeft de voorzieningenrechter verzocht de zaak aan te houden, omdat zij mede vanwege de verkorte dagvaardingstermijn er nog niet in was geslaagd een advocaat te vinden. De voorzieningenrechter heeft na een afweging van de wederzijdse belangen besloten de zaak voort te zetten op 1 juli 2013.

1.2.

Ter terechtzitting van 1 juli 2013 heeft FFG gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en akte vermeerdering van eis die eveneens in fotokopie is aangehecht. [gedaagden] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. FFG heeft producties en een pleitnotitie in het geding gebracht. [gedaagden] heeft alleen een pleitnotitie overgelegd. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting van 1 juli 2013 waren, voor zover hier van belang, aanwezig:

aan de zijde van FFG: dhr.[bestuurder], bestuurder (hierna: [bestuurder]), met mr. M. Lagerweij;

aan de zijde van [gedaagden]: dhr. [gedaagde 1] en mw. [gedaagde 2] met mr. Verhagen. Op de zitting van 24 juni 2013 was mr. Verhagen niet aanwezig.

2 De feiten

2.1.

Op 18 oktober 1994 hebben (de rechtsvoorganger van) FFG en [gedaagden] een huurovereenkomst met elkaar gesloten, ingaande op 1 november 1994, ter zake een bedrijfspand met vier verdiepingen aan de [bedrijfspand] (hierna: het bedrijfspand). De maandelijks vooruit te betalen huurprijs bedraagt (thans) € 1.328,70. De tussen partijen gesloten huurovereenkomst bevat, voor zover in deze procedure van belang, verder de navolgende bepalingen:


Artikel 6

1. Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als kamerverhuurbedrijf en het zal huurder niet vrijstaan, zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de verhuurder een andere bestemming aan het gehuurde te geven.

2. Huurder zal moeten zorgen voor het verkrijgen van eventueel voor de bedrijfsvoering vereiste vergunningen en/of ontheffingen, terwijl de weigering of intrekking daarvan nimmer aanleiding zal kunnen geven tot ontbinding of nietigverklaring van de huurovereenkomst of tot enige andere actie tegen verhuurder.

(…)

4. Huurder is gehouden alle voorschriften en richtlijnen, welke door de bevoegde autoriteiten en/of brandassuradeuren, ten aanzien van het gehuurde met betrekking tot de brandveiligheid worden gegeven, stipt na te komen.

(…)

6. Indien aan of in het gehuurde in verband met de in alinea 1 omschreven bestemming verbouwingen en/of andere wijzigingen al dan niet op overheidsvoorschriften nodig zijn, dan is het bepaalde in artikel 10 van toepassing terwijl de kosten voor huurders rekening zijn.

(…)

Artikel 8

1. Huurder zal het gehuurde als een goed huisvader en overeenkomstig de in artikel 6 aangegeven bestemming gebruiken (…)

3. Huurder verplicht zich zijn bedrijf te voeren als een goed huurder betaamt.

Artikel 9

1. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van verhuurder mag huurder zijn bedrijf in het gehuurde noch geheel noch gedeeltelijk door derden laten gebruiken of aan derden in onderhuur afstaan.

(…)

Artikel 10

1. Huurder mag in, op, aan of rond het gehuurde niets aanbrengen, veranderen of wegbreken ook niet aan de daartoe behorende leidingen en lozingen, dan wel met uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder. Huurder is er voor aansprakelijk dat bij de uitvoering van de werkzaamheden voldaan wordt aan terzake door de overheid gestelde of te stellen eisen, alsmede dat eventueel benodigde vergunningen zullen worden verkregen.

(…)

Artikel 12 Het onderhoud en de reparatie

Huurder is verplicht al het inwendig onderhoud en reparaties, waaronder begrepen aanschrijvingen van overheidswege, met inbegrip van het daartoe behorende sanitair, hetwelk hij in goede staat heeft aanvaard, met leidingen en lozingen, bij voortduring in goede staat van onderhoud te houden, de schoorstenen voor zijn rekening te laten vegen.

(…)

Artikel 21 Verbouwing en Onderhoud.

Huurder verklaart bekend te zijn met de onderhoudsstaat van het gehuurde en zal voor eigen risico alle onderhoudswerkzaamheden voor zijn rekening nemen en (doen) verrichten hieronder tevens begrepen van overheidswege voorgeschreven voorzieningen ook indien deze ten name van de verhuurder zijn gesteld.

Huurder zal voor eigen rekening en risico een bedrag van ca. fl.100.000,-- (…) in het gehuurde investeren ten behoeve van de door hem geplande verbouwing c.q. veranderingen.

Voor deze geplande verbouwing c.q. veranderingen draagt huurder zorg dat aan de eisen van overheidswege is voldaan en alle daartoe benodigde vergunningen c.q. toestemmingen van overheidswege zijn verleend.”

2.2.

In 1995 heeft de gemeente Amsterdam naar aanleiding van een bouwaanvraag van [gedaagden] – in het kader van de geplande verbouwing c.q. verandering van het bedrijfspand door [gedaagden] – een bouwvergunning verleend.

2.3.

Op 19 september 2011 en 7 november 2011 hebben inspecteurs van de gemeente Amsterdam (dienst Wonen, Zorg en Samenleven) onderzoeken verricht in het bedrijfspand.

2.4.

Op 21 december 2011 heeft de gemeente Amsterdam aan (onder meer) [gedaagden] gemeld dat zij voornemens is een bestuurlijke boete van € 36.000,00 op te leggen, wegens het – in strijd met de huisvestingswet – in gebruik geven van zes woningen zonder de daarvoor vereiste huisvestingvergunningen. Op 24 januari 2012 hebben (onder meer) [gedaagden] hun zienswijze ingediend.

2.5.

Bij beschikkingsbesluiten van 7 februari 2012 heeft de gemeente Amsterdam aan (onder meer) [gedaagden] een bestuurlijke boete van (2x) € 36.000,00 opgelegd.

2.6.

Bij brief van 9 maart 2012 heeft de gemeente Amsterdam aan FFG bericht dat zij – vanwege de bestuursrechtelijke overtredingen – bevoegd is om hiertegen richting de eigenaar op te treden, door middel van het inzetten van dwangmiddelen en boetes. De gemeente Amsterdam heeft in dezelfde brief de hoop uitgesproken dat partijen erop een minnelijke wijze uitkomen, welke mogelijkheid afhankelijk is van de ontbinding van de met [gedaagden] gesloten huurovereenkomst.

2.7.

Bij aangetekende brief van 21 maart 2012 heeft FFG [gedaagden] gemeld dat zij – gelet op de bevinden van de gemeente Amsterdam – ernstig te kort schiet in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de op 18 oktober 1994 gesloten huurovereenkomst en haar gesommeerd om alle tekortkomingen in de nakoming van vorenbedoelde huurovereenkomst binnen drie weken ongedaan te maken. Een kopie van deze brief is naar de gemeente Amsterdam gestuurd.

2.8.

De door [gedaagden] – tegen het opleggen van bestuurlijke boetes door de gemeente Amsterdam (2.5) – ingediende bezwaren, zijn door de gemeente Amsterdam bij bestuursbesluiten op bezwaar van 5 november 2012 ongegrond verklaard.

2.9.

Bij aangetekende brief van 30 november 2012 heeft FFG [gedaagden] opnieuw gesommeerd om alle tekortkomingen in de nakoming van de op 18 oktober 1994 tussen partijen gesloten huurovereenkomst binnen twee weken op te heffen, bij gebreke waarvan FFG tot het nemen van rechtsmaatregelen zal overgaan. Een kopie van deze brief is naar de gemeente Amsterdam gestuurd.

2.10.

[gedaagden] heeft tegen de onder 2.8 bedoelde bestuursbesluiten beroep ingesteld bij de bestuursrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 6 maart 2013 heeft deze rechtbank – kort samengevat – geoordeeld dat de door de gemeente Amsterdam opgelegde boetes terecht zijn opgelegd en hoogte daarvan gehandhaafd.

2.11.

Op 12 juni 2013 heeft de brandweer Amsterdam-Amstelland een bezoek gebracht aan het bedrijfspand.

2.12.

Bij e-mail van 21 juni 2013 (7:42 uur) heeft de heer[naam 1], werkzaam als Hoofd Procesunit directie Toezicht en Handhaving bij de gemeente Amsterdam, voor zover in deze procedure van belang, het navolgende aan de advocaat van FFG geschreven:

“U gaf donderdagmiddag aan dat uw cliënte, als eigenaar van het pand, vooruitlopend op een bodemprocedure gericht op ontbinding van de huurovereenkomst, een kort geding overweegt tegen de huurder, mevrouw [gedaagde 2], teneinde te voorkomen dat zij zich nog toegang verschaft tot het pand.

Graag verneem ik, gelet op de aanstaande ontruiming, de stand van zaken.

Mevrouw [gedaagde 2] heeft het stadsdeel gesommeerd om haar ook na de ontruiming toegang te verlenen tot het pand ten behoeve van het verwijderen van de boedel, het slopen van de keukens en het realiseren van drie woningen conform de laatst vergunde toestand. Graag verneem ik het standpunt van uw cliënte hierop.”

2.13.

Vanaf 21 juni 2013 te 12.00 uur past de gemeente Amsterdam (Directie toezicht en handhaving) op grond van een besluit van 20 juni 2013 ten aanzien van het bedrijfspand bestuursdwang toe, vanwege de omstandigheid dat “sprake is van een vlucht- brandonveilige situatie”. [gedaagden] en FFG dienen het gebruik van het pand per 21 juni 2013 te staken.

3 Het geschil

3.1.

FFG vordert – na wijziging van eis samengevat – :

1. dat de voorzieningenrechter [gedaagden] hoofdelijk verbiedt zich toegang tot het bedrijfspand te verschaffen, alsmede dat [gedaagden] wordt veroordeeld het bedrijfspand ter vrije beschikking van FFG beschikbaar te stellen, op straffe van een dwangsom;

2. dat de voorzieningenrechter – ingeval [gedaagden] zich reeds de toegang tot het bedrijfspand hebben verschaft – [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt het bedrijfspand binnen twee dagen na betekening van dit vonnis leeg en ontruimd aan FFG op te leveren, met machtiging van FFG om de nakoming met behulp van de sterke arm zelf te bewerkstelligen;

3. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de nog openstaande huurpenningen per 1 juli 2013 ad € 6.686,20, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagden] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

spoedeisend belang

4.1.

FFG heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij er een spoedeisend belang bij heeft dat de brandgevaarlijke en brandonveilige situatie zo snel als mogelijk wordt opgeheven en het bedrijfspand weer in gebruik kan worden genomen. De stelling van [gedaagden] dat er geen spoedeisend belang is – nu het bedrijfspand door de gemeente Amsterdam is afgesloten – wordt derhalve niet gevolgd.

huurachterstand

4.2.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding de vordering onder 3. als eerste te bespreken. FFG heeft gesteld dat de huurachterstand van [gedaagden] per 1 juli 2013 vier maanden beloopt en dat zulks – mede gelet op het betalingsgedrag van [gedaagden] in het verleden – thans alleen al de ontbinding van de onder 2.1. bedoelde huurovereenkomst kan rechtvaardigen.

4.3.

[gedaagden] heeft aangevoerd dat zij vanaf 1994 veelal contante betalingen heeft verricht en ergens in 2012 naar het doen van bankbetalingen is overgeschakeld. In het verleden hebben partijen vaker discussies gehad of er een huurachterstand bestond. Gelet op de geringe voorbereidingstijd voor dit kort geding was [gedaagden] niet in staat om te controleren of er thans een huurachterstand van vier maanden bestaat. Daarbij speelt een rol dat [gedaagden] op dit moment geen onbeperkte toegang tot haar administratie heeft, aldus [gedaagden]

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld dient te worden dat een huurachterstand van vier maanden in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. FFG heeft evenwel eerst bij wijziging van eis – na de zitting van 24 juni 2013 – betaling van achterstallige huur gevorderd. Verder is in dit kort geding niet gebleken dat FFG in de daaraan voorafgaande periode [gedaagden] op enigerlei wijze heeft gemeld dat er een dergelijke forse huurachterstand was ontstaan dan wel [gedaagden] op deze huurachterstand heeft aangesproken. Tegen de achtergrond van het vooroverwogene kan de voorzieningenrechter voorshands niet uitsluiten dat de bodemrechter [gedaagden] een laatste kans zou geven om de openstaande huurtermijnen alsnog te voldoen. Derhalve ziet de voorzieningenrechter aanleiding te beslissen dat aan [gedaagden] de gelegenheid wordt geboden om binnen één week na betekening van dit vonnis de ontstane huurachterstand te voldoen. Met betrekking tot de hoogte van de huurachterstand zal vooralsnog worden uitgegaan van het door FFG genoemde bedrag van € 6.686,20, nu ter zitting niet is gebleken dat er na 1 september 2012 contante betalingen door [gedaagden] zijn verricht. Indien [gedaagden] beschikt over bewijsstukken met betrekking tot contante betalingen na 1 september 2012, kunnen deze op genoemd bedrag in mindering komen. Indien betaling (deels) uitblijft, is FFG gerechtigd tot ontruiming van het bedrijfspand over te gaan.

tekortkomingen

4.5.

FFG heeft in aanvulling op het vorenstaande aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagden] ook op andere onderdelen in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst te kort is geschoten. FFG heeft daarbij gewezen op de omstandigheden dat [gedaagden] het bedrijfspand – zonder toestemming van FFG – heeft gesplitst en tot 9 zelfstandige woonruimtes heeft verbouwd, [gedaagden] heeft nagelaten voor deze verbouwing een vergunningen aan te vragen bij de gemeente Amsterdam hetgeen met zich brengt dat het bedrijfspand thans niet meer voldoet aan van overheidswege gestelde regelgeving, alsmede dat [gedaagden] het bedrijfspand in strijd met de huurovereenkomst niet als kamerverhuurbedrijf exploiteert, maar de zelfstandige woonruimtes onderverhuurt. FFG is begin 2012 door de gemeente Amsterdam gewezen op (bestuursrechtelijke) tekortkomingen van [gedaagden] FFG heeft naar aanleiding daarvan twee sommatiebrieven naar [gedaagden] gestuurd, waarbij [gedaagden] in de gelegenheid is gesteld om deze tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst op te heffen. [gedaagden] heeft daar evenwel geen gehoor aan gegeven. In juni 2013 is FFG gebleken dat situatie nog veel ernstiger was dan zij al vermoedde, nu de gemeente Amsterdam het bedrijfspand vanwege een “brand- en vluchtgevaarlijke situatie” heeft gesloten. FFG heeft een groot belang bij een beëindiging van het onjuiste en onrechtmatige gebruik van het bedrijfspand door [gedaagden] Dit geldt te meer, nu niet alleen sprake is van ernstige tekortkomingen, maar FFG inmiddels ook door de gemeente Amsterdam hierop wordt aangesproken. FFG wil dan ook niet dat [gedaagden] het bedrijfspand nog langer kan betreden, aldus nog steeds FFG.

4.6.

[gedaagden] heeft aangevoerd dat zij met de besloten vennootschap van wijlen de heer [naam 2], [rechtsvoorganger van FFG] (de rechtsvoorganger van FFG; hierna: [rechtsvoorganger van FFG]) een huurovereenkomst heeft gesloten. Onderdeel van de afspraken in 1994 was dat [gedaagden] het bedrijfspand zou verbouwen voor een bedrag van minimaal ƒ 100.000,00 (€ 45.378,02). [rechtsvoorganger van FFG] heeft [gedaagden] daarbij verzocht gebruik te maken van een architect van zijn voorkeur. De verbouwplannen zijn vervolgens in overleg met de architect en [naam 2] bij de gemeente Amsterdam ingediend en in 1995 ook vergund. De gemeente Amsterdam heeft het bedrijfspand – na de verbouwing – als drie zelfstandige woonruimtes aangemerkt. Dit heeft tot een conflictsituatie tussen [rechtsvoorganger van FFG] (en later FFG) en [gedaagden] geleid, omdat de verhuurder vast wilde houden aan de bestemming van kamerverhuurbedrijf teneinde de verschuldigdheid van aanvullende gemeentelijke belastingen te voorkomen. In de loop der tijd heeft [gedaagden] in het bedrijfspand extra voorzieningen aangebracht, waaronder kleine keukenblokken en extra toilet en badruimten. FFG is hiermee bekend geweest. Zij heeft daartoe de waterrekening voor 10% aan de winkelruimte op de begane grond toegerekend en voor 90% aan de daarboven gelegen 9 wooneenheden. Toen de gemeente Amsterdam handhavend ging optreden, is FFG [gedaagden] eveneens gaan sommeren om het pand terug te brengen in de staat waarin het in 1994 was verhuurd. [gedaagden] heeft FFG gemeld dat zij bereid was het bedrijfspand (terug) te verbouwen in overeenstemming met de in 1995 verkregen bouwvergunning. FFG heeft dit evenwel niet meer willen accepteren.

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. [bestuurder] heeft ter zitting gemeld dat hij eerst in 2005 bij het bedrijfspand betrokken is geraakt. Voordien viel het beheer van het bedrijfspand onder de vennootschap van zijn schoonvader [rechtsvoorganger van FFG] [bestuurder] is er sinds kort van op de hoogte dat [gedaagden] het bedrijfspand in 1995 op basis van een door de gemeente Amsterdam verleende vergunning heeft verbouwd. Gelet op voornoemde omstandigheid kan de voorzieningenrechter niet uitsluiten dat de rechtsvoorganger van FFG – zoals [gedaagden] stelt – van alle verbouwingen aan het bedrijfspand op de hoogte is geweest en zich kennelijk in het verleden een van de huurovereenkomst afwijkende praktijk heeft voorgedaan ter zake het verkrijgen van toestemming voor het doen van verbouwingen aan het bedrijfspand. Uit het verweer van [gedaagden] valt immers – bij gebreke van een betwisting – af te leiden dat [rechtsvoorganger van FFG] uitdrukkelijk bij verbouwingen in 1995 betrokken is geweest door middel van het voorschrijven van een architect. Dat [gedaagden] in dit kort geding niet heeft kunnen aantonen dat zij ook over schriftelijke toestemming van de (toenmalige) verhuurder voor het doen van de in 1995 uitgevoerde verbouwingen tot drie zelfstandige woonruimten beschikte, kan om voornoemde redenen niet in dit kort geding als een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst worden aangemerkt die de ontruiming – vooruitlopen op de eventueel nog bij de bodemrechter te voeren ontbindingsprocedure – rechtvaardigt. Of de later gemaakte aanpassingen in de gegeven omstandigheden wel een ernstige tekortkoming opleveren, kan zonder een nader onderzoek naar de feiten, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet worden vastgesteld. In dat verband is van belang dat FFG in dit kort geding onvoldoende heeft bestreden dat haar rechtsvoorganger [rechtsvoorganger van FFG] van de later door [gedaagden] gemaakte aanpassingen evenmin op de hoogte was. Niet kan derhalve worden uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat de eventuele kennis waarover [rechtsvoorganger van FFG] ter zake de door [gedaagden] gemaakte aanpassingen beschikte eveneens aan FFG – als rechtsopvolger – zal worden toegerekend.

4.8.

Dat [gedaagden] aan de sommatiebrieven zijdens FFG van 21 maart 2012 en 30 november 2012 tot op heden nog geen gehoor heeft gegeven, leidt in de gegeven omstandigheden evenmin tot het oordeel dat van een ernstige tekortkoming zijdens [gedaagden] sprake is. Redengevend daarvoor is dat FFG [gedaagden] in vorenbedoelde brieven in de gelegenheid stelt om alle tekortkomingen in de nakoming van de onder 2.1 genoemde huurovereenkomst op te heffen, zonder dat zij daarbij meldt op welke wijze rekening moet worden gehouden met de in 1995 – op basis van een door de gemeente Amsterdam verleende bouwvergunning – uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden. Dat [gedaagden] mede gelet op de onder 4.6 opgeworpen discussie ter zake de verschuldigdheid van gemeentelijke belastingen en bij het uitblijven van duidelijkheid op dat punt niet direct tot actie is overgegaan, is in dat licht bezien niet onbegrijpelijk. Eerst ter zitting is dit punt namelijk opgehelderd, in die zin dat FFG zich op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijfspand terugverbouwd dient te worden overeenkomstig de laatst verkregen bouwvergunning (het procesdossier van FFG bevat als productie 2 nog een bouwtekening van 1977). Nu [gedaagden] ter zitting heeft herhaald dat zij – conform eerdere voorstellen – bereid is om het bedrijfspand terug te verbouwen overeenkomstig de bouwtekeningen behorende bij de in 1995 verleende bouwvergunning, dient FFG haar daartoe de gelegenheid te bieden. FFG zal [gedaagden] – bij deze stand van zaken – de mogelijkheid moeten geven om het bedrijfspand, in het kader van de hiervoor bedoelde (terug)verbouwing, te betreden.

slotsom

4.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering onder 1. – met inachtneming van het vorenstaande – op na te melden wijze zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen onder 4.2. tot en met 4.4. is overwogen ook aanleiding de vordering van FFG onder 2. (voorwaardelijk) en de vordering onder 3. op na te melden wijze toe te wijzen.

dwangsom

4.10.

Aan de vordering onder 1. zal geen dwangsom worden verbonden, teneinde executiegeschillen te voorkomen. Ook de gevorderde hoofdelijkheid zal worden afgewezen, nu geen sprake is van een betalingsverplichting.

proceskosten

4.11.

Gelet op de uitkomst van deze procedure, waarbij elk van partijen op een belangrijk punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagden] om, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, zich op enigerlei wijze de toegang tot het bedrijfspand aan de [bedrijfspand] te verschaffen of te (doen) verschaffen, tenzij zulks gebeurt in het kader van de hiervoor onder 4.8 bedoelde (terug)verbouwing,

5.2.

verbiedt [gedaagden] om, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, het bedrijfspand aan de [bedrijfspand] op enigerlei wijze in gebruik te (doen) nemen of te (doen) houden, totdat dit pand volledig in overeenstemming is gebracht met de onder 2.2 bedoelde bouwvergunning,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen één week na betekening van dit vonnis een bedrag van € 6.686,20 ter zake huurachterstand (per 1 juli 2013) aan [gedaagden] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de respectievelijke vervaldata van de verschuldigde huurtermijnen en bepaalt dat eventuele contante betalingen van [gedaagden] aan FFG na 1 september 2012, voor zover blijkt uit door FFG verstrekte kwitanties, op genoemd bedrag in mindering zullen komen,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] – indien zij het onder 5.3. bedoelde bedrag niet of niet tijdig heeft betaald – om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het bedrijfspand aan de [bedrijfspand] te ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van FFG te stellen, met machtiging van FFG, voor zover vereist, zo [gedaagden] mocht nalaten aan deze veroordeling te voldoen, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.G. van Blaaderen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2013.