ECLI:NL:RBAMS:2015:3600 Rechtbank Amsterdam , 27-05-2015 / AWB - 15 _ 207

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 15/207

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2015 in de zaak tussen


[de man] , te Amsterdam, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

( [gemachtigde] ).

Procesverloop

Op 5 november 2014 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 december 2014 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 31 oktober 2014 zijn auto met kenteken [nummer] op of omstreeks 20:27 uur geparkeerd aan [het adres] ter hoogte van [nummer] te Amsterdam. Deze locatie is aangewezen als plaats waar men tegen betaling van parkeerbelasting kan parkeren.

Bij controle heeft de parkeercontroleur geen betaling van parkeerrechten voor de auto geconstateerd. Als gevolg daarvan is aan eiser de betwiste naheffingsaanslag opgelegd, bestaande uit € 2,40 aan parkeerbelasting en € 55,50 aan kosten van de naheffing.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de dagtekening van de naheffingsaanslag niet correct was, deze is immers gedagtekend op 5 november 2014, terwijl eiser de naheffingsaanslag voor deze datum heeft ontvangen. Een onjuiste dagtekening is een vormfout. Dagtekening van een brief is de daadwerkelijke dag waarop deze wordt ondertekend. Als er met opzet een andere datum wordt geplaatst is het geen dagtekening en wordt er gefraudeerd, aldus eiser.

3. Verweerder heeft toegelicht dat het juist is dat de naheffingsaanslag wordt gedateerd op een datum die is gelegen (enkele dagen) na de dag van verzending. Daardoor kan het voorkomen dat, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, de beslissing wordt ontvangen op een datum die is gelegen voor de datum van de datering van de brief. Dit is een vaste praktijk van verweerder, opdat eventuele vertraging in de postbezorging niet afdoet aan de gehele bezwaartermijn van 6 weken (ingaande na de datering van de beschikking).

4. De rechtbank stelt vast dat in de naheffingsaanslag de juiste datum van parkeren is vermeld, te weten 31 oktober 2014. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser door de door verweerder gehanteerde werkwijze in zijn belangen is geschaad. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de werkwijze van postdateren juist bedoeld is ten voordele van eiser.

5. Volgens vaste jurisprudentie mag van een weggebruiker worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren. Op de parkeerder rust dan ook een onderzoeksplicht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 8 september 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:3962.

6. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat hij ten tijde van het parkeren niet bekend was met het feit dat de parkeertijden in [het adres] waren aangepast en dat nu ook na 19:00 uur parkeerbelasting verschuldigd was. Eiser heeft niet betwist dat hij een onderzoeksplicht had en dat hij hier niet aan heeft voldaan. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de Verordening Parkeerbelasting laatstelijk op 1 juli 2014 is aangepast, zodat laatstelijk op die datum de nieuwe parkeertijden zijn ingevoerd. Dat eiser er vanuit is gegaan dat hij na 19:00 uur geen parkeerbelasting verschuldigd was, omdat dit voorheen ook zo was, komt voor eisers risico, hetgeen eiser ook heeft erkend ter zitting.

7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiser tegen de bestreden uitspraak ongegrond verklaren. Voor een vergoeding van proceskosten of het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.