ECLI:NL:RBAMS:2016:9782 Rechtbank Amsterdam , 26-01-2016 / 13/710021-11 (ontneming)

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/710021-11 (ontneming)

Datum uitspraak: 26 januari 2016

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/710021-11, tegen:


[naam veroordeelde]
, hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering ter terechtzitting van de officier van justitie mr. M.P. Kok en van wat de gemachtigd raadsman van veroordeelde mr. R.N. Refos naar voren heeft gebracht.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 3 juni 2014 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 43.908.994, -.

Bij conclusie van repliek van 27 november 2014 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het wederrechtelijk verkregen voordeel stelt op € 879.833, - en de betalingsverplichting stelt op € 584.366, -.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij stelt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente over de onder veroordeelde in beslag genomen contante gelden.

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3 Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014 ter zake van de volgende strafbare feiten veroordeeld.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Medeplegen van witwassen.

Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Het vonnis van 18 augustus 2014

In het vonnis van 18 augustus 2014 ten aanzien van veroordeelde, heeft de rechtbank onder meer de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van het witwassen vastgesteld:

In het vonnis van [medeverdachte 1] heeft de rechtbank vastgesteld dat [medeverdachte 1] de ABN AMRO-bank op 19 maart 2010 heeft opgelicht. Het geldbedrag dat hij daarmee verkreeg, ontving hij op de rekening van [slachtoffer 1] . Eveneens op 19 maart 2010 heeft [medeverdachte 1] dit bedrag verder doorgeboekt naar Hongarije (aangifte 1, zaak [slachtoffer 1] ). Het ging om in totaal € 5.279.000,00, bestaande uit een deel van € 2.849.000,00 overgemaakt aan [bedrijf 3] en een deel van € 2.430.000,00 aan [bedrijf 2] .

[medeverdachte 2] , de eigenaar van deze Hongaarse bedrijven en degene die toegang had tot de rekeningen, werd op 22 maart 2010 aangehouden en zat vanaf dat moment gedetineerd. De administratieve en (bank)gegevens van de rekeningen van die Hongaarse bedrijven lagen op het kantoor van [slachtoffer 2] te [woonplaats slachtoffer 2] .

Een groep personen, onder wie [naam veroordeelde] , [medeverdachte 3] en eenmaal [medeverdachte 4] , heeft in de daaropvolgende periode meermalen bezoeken gebracht aan [slachtoffer 2] . Het was deze groep te doen om geld, zo blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 3] , en om de genoemde gegevens, kennelijk om over de rekening van de bedrijven te kunnen beschikken. Deze gegevens hebben zij van [slachtoffer 2] ontvangen. Daarna is de groep nog meermalen bij [slachtoffer 2] langsgegaan om hem assistentie te vragen bij het digitaal overboeken van bedragen van de rekening.

De provider heeft de voor de overboekingen vereiste dubbele simkaart van de telefoon die bij [medeverdachte 2] in gebruik was, eerst op 3 april 2010 afgegeven. Na die datum zijn nog bezoeken aan [slachtoffer 2] gevolgd en hebben van 11 april 2010 tot en met 28 april 2010 daadwerkelijk overboekingen van de rekening van de bedrijven plaatsgevonden.”

Daarnaast heeft de rechtbank in haar vonnis van 18 augustus 2014 de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de deelname aan de criminele organisatie vastgesteld:

“ [medeverdachte 1] heeft gedurende een periode van ruim anderhalf jaar in georganiseerd verband vijfmaal banken voor grote bedragen opgelicht. Hij maakte bij de oplichting gebruik van rekeningen van katvangers en boekte de verkregen bedragen over naar weer andere katvangers en zelfs naar rekeningen van bedrijven en personen in het buitenland. Veel van deze overgeboekte bedragen werden vervolgens via verschillende overboekingen doorgesluisd naar andere rekeningen, van waar zij veelal contant werden opgenomen.

Verdachte komt in twee van deze zaaksdossiers naar voren als betrokkene bij het witwasproces dat volgde op de oplichtingsfeiten.

Feit 3:

In de eerste plaats bij het voortdurende delict witwassen in maart en april 2010, het voorhanden hebben van een miljoenenbedrag op rekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] te Hongarije (het hiervoor besproken feit 3).

Ten aanzien van [slachtoffer 3]

Een deel van dat bedrag, te weten € 1,95 miljoen, werd op 19 april 2010 vanaf de rekening van [bedrijf 2] overgeboekt naar de rekening van [slachtoffer 3] , die woonachtig is in [woonplaats slachtoffer 3] in Duitsland. Verdachte onderhield met [slachtoffer 3] in de periode van 12 maart 2010 tot en met 19 mei 2010 telefonische contacten, bezocht [slachtoffer 3] samen met een ander meermalen, en haalde daarbij op 26 april 2010 en 29 april 2010 delen van dat bedrag in contanten bij [slachtoffer 3] op.

Ten aanzien van de rekening van [slachoffer 4]

Verdachte heeft samen met [medeverdachte 5] op 15 oktober 2010 bij de [ontmoetingsplaats] te Barneveld van [medeverdachte 6] het Hongaarse bankrekeningnummer van [slachoffer 4] ontvangen. Zij hadden, blijkens de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] , om een buitenlandse rekening gevraagd om daarop een groot geldbedrag te storten. Op 16 oktober 2010 heeft [medeverdachte 1] getracht een door middel van oplichting op de rekening van [slachtoffer 5] verkregen geldbedrag over te boeken op de genoemde rekening van [slachoffer 4] .

Ten aanzien van de rekeningen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6]

In diezelfde periode stelden [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hun bankrekening aan [medeverdachte 8] ter beschikking, op verzoek van [medeverdachte 8] . [medeverdachte 8] handelde daarbij weer op verzoek van een zekere ‘ [opdrachtgever] ’. Hij had met zijn opdrachtgever [opdrachtgever] een ontmoeting, naar uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, op 17 september 2010 te Nijmegen, en diezelfde middag nog een ontmoeting met [opdrachtgever] en [slachtoffer 5] bij een [eetgelegenheid] te Beuningen. Bij beide ontmoetingen was verdachte aanwezig.”

De rechtbank heeft naar aanleiding van deze vastgestelde feiten de volgende conclusies getrokken:

“De feitelijke vaststellingen van de rechtbank leiden tot de volgende conclusies. Verdachte was in maart en april 2010 op verschillende momenten en gedurende een periode van enkele weken betrokken bij het witwassen van een miljoenenbedrag dat [medeverdachte 1] uit misdrijf had verkregen. In oktober 2010 heeft verdachte twee Nederlandse rekeningnummers en een buitenlands rekeningnummer geregeld ten behoeve van [medeverdachte 1] , die later een deel van een volgend uit misdrijf verkregen miljoenenbedrag naar die rekening heeft trachten over te maken.

De verhullende constructie waarbij [medeverdachte 1] banken oplichtte en de daarmee verkregen gelden via verschillende vaak buitenlandse rekeningen werden weggesluisd, is kennelijk in het leven geroepen èn uitgevoerd om enerzijds door te kunnen gaan met het oplichten van banken en anderzijds de daarmee verkregen gelden daadwerkelijk in contanten in handen te kunnen krijgen en te kunnen besteden (witwassen), zonder dat de banken of justitie dit zouden opmerken. Dat doel vormt dan ook het criminele oogmerk van deze constructie. Om de constructie en in het bijzonder het internationale witwasproces mogelijk te maken en uit te voeren zijn een zorgvuldige voorbereiding, de medewerking van veel verschillende personen èn organisatie vereist, die gelet op de bewezenverklaarde feiten ook daadwerkelijk hebben bestaan.

Uit het aandeel van verdachte bij de beide feiten kan worden afgeleid dat verdachte wist dat sprake was van het georganiseerde verband. Hij wist immers dat diverse personen ( [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , hijzelf en verschillende katvangers) erbij betrokken waren, dat de feiten gedurende een langere periode werden gepleegd en dat hij in dat geheel een specifieke rol vervulde; hij was immers intensief bij het witwassen van bedragen via de rekeningen van katvangers betrokken en haalde zelf contante geldbedragen bij hen op. De duurzaamheid en de structuur van het samenwerkingsverband waren hem dan ook duidelijk.

Op grond daarvan kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.”

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en bij schriftelijk requisitoir – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Aangifte 1, welke betrekking heeft op een fraudebedrag van € 5.279.000, - is gepleegd op 19 maart 2010, zodat dit binnen het bereik van de deelname aan een criminele organisatie, waarvoor verdachte is veroordeeld, valt. Dit bedrag dient dus als uitgangspunt te gelden bij de berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde maakte samen met vijf anderen deel uit van een criminele organisatie. Bij een pondspondsgewijze verdeling is het daarom passend om 1/6 deel van € 5.279.000, - als geschat wederrechtelijk verkregen voordeel toe te rekenen aan veroordeelde. Hij vervulde immers een prominente rol binnen de organisatie. Dit blijkt ook uit het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2014. Nu er geen aanknopingspunten zijn voor een andere verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet een pondspondsgewijze verdeling worden toegepast. Het is aan veroordeelde om concreet en gemotiveerd het tegendeel aan te tonen. Dit heeft hij niet gedaan.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet bij veroordeelde worden vastgesteld op € 879.833, -, vermeerderd met de wettelijke rente over € 9.296,80 (zijnde het totaal aan in beslag genomen contante gelden) vanaf 7 juni 2012 respectievelijk 6 april 2012 en 7 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, op 15 december 2015 berekend op € 929,83. Deze rente is immers vervolgprofijt.

De officier van justitie heeft – in haar conclusie van repliek en ter terechtzitting – daarnaast het volgende aangevoerd ten aanzien van de betalingsverplichting.

De kosten die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict komen volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor aftrek in aanmerking. Deze kosten ten aanzien van aangifte 1 bedragen € 869.938,43. Deze kosten moeten ook pondspondsgewijs aan veroordeelde worden toegerekend, zodat 1/6 deel, te weten € 144.989, -, in aftrek dient te worden genomen op de betalingsverplichting. Daarnaast is door tijdig en adequaat handelen van de bank een bedrag van € 902.873,83 - teruggehaald. Ook 1/6 deel van dit bedrag, te weten € 150.478, -, dient in aftrek te worden genomen op de betalingsverplichting van veroordeelde. Het bedrag van € 3.491.772, -, dat in het vonnis genoemd wordt als zijnde het totale bedrag dat nog niet teruggevonden zou zijn, is achterhaald door later onderzoek en niet correct. Van de € 5.279.000, - is feitelijk slechts € 902.873,83 retour ontvangen.

Er dient bij het bepalen van de betalingsverplichting geen rekening te worden gehouden met de gelden waarop via rechtshulpverzoeken beslag is gelegd. Deze gelden zijn immers nog niet in het vermogen van de bank teruggevloeid. Dit betreft een bedrag van € 954.000, -, dat op 12 april 2010 door de criminele organisatie is overgemaakt naar [bedrijf 1] . Deze rechtspersoon is failliet verklaard. Er zijn daarnaast nog andere beslagen gelegd in deze zaak, maar dat betreffen allemaal (de rechtbank begrijpt: conservatoire) beslagen onder de veroordeelden.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en bij schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Openbaar Ministerie heeft onvoldoende concreet onderbouwd aan de hand waarvan zij van oordeel is dat veroordeelde voordeel heeft genoten, nu niet blijkt dat hij op enig moment kon beschikken over niet te verklaren vermogen. Het Openbaar Ministerie dient het genoten voordeel van veroordeelde nader te concretiseren.

Er kan niet worden gesteld dat de veroordeelden ooit beschikkingsmacht hebben gehad over het in Luxemburg in beslag genomen geldbedrag van € 954.000, -. Er moet worden uitgegaan van het geldbedrag dat nog verdwenen is. Uit [dossier] volgt dat in de zaak [strafzaak] nog € 3.491.772, - van het gefraudeerde geld is verdwenen. Daarmee is nog niet gegeven dat dit volledige bedrag toe valt te schrijven aan aangifte 1. Ook bij aangiftes 3 en 6 zijn immers nog restantbedragen in verband met niet teruggehaalde gelden. Als niet duidelijk wordt waarop het bedrag van € 3.491.772, - is gebaseerd, dan dient een evenredige verdeling te worden gemaakt van dit bedrag en moet 93,9% van het nog verdwenen geld, te weten € 3.277.664,20, aan aangifte 1 toegerekend worden. Hiervoor moeten de kosten, te weten € 869.938,43, afgetrokken worden. Bij een evenredige verdeling komt 1/6 deel, te weten € 401.287,63, dan toe aan veroordeelde

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Wederrechtelijk verkregen voordeel uit het feit

De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van de berekening van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uit het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde is veroordeeld voor het medeplegen van witwassen van het bedrag van € 5.279.000, - dat uit aangifte 1 was verkregen. Daarnaast heeft de rechtbank bewezen dat veroordeelde samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van oplichting en gewoontewitwassen.

Veroordeelde maakte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] deel uit van de harde kern van de criminele organisatie. Daarbinnen zorgde hij samen met [medeverdachte 5] voor katvangers en het contant opnemen van gelden.1 [medeverdachte 4] is waarschijnlijk de schakel geweest tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en veroordeelde en de groep van [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .2

Op grond van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 kan worden geconcludeerd dat de criminele organisatie, waarvan veroordeelde deel uitmaakte, op 19 maart 2010 (aangifte 1) de beschikking heeft gekregen over € 5.279.000, -.3

Van het bedrag van € 5.279.000, - is, door tijdig ingrijpen van de bank, € 902.873,83 retour ontvangen.4 Hoewel de criminele organisatie korte tijd over dit geld heeft kunnen beschikken, is de rechtbank van oordeel dat – nu dit geld inmiddels terug is bij de bank – niet gesteld kan worden dat de criminele organisatie dit geld daadwerkelijk als wederechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Het bedrag van € 902.873,83 zal daarom in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank passeert het verweer van de verdediging dat van de totale fraude slechts een bedrag van € 3.491.772, - nog niet is geretourneerd aan de bank. Hoewel de rechtbank bij de strafmotivering van het vonnis van 18 augustus 2014 heeft verwezen naar document [dossier] waar dit uit zou blijken, blijkt dit niet uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de bedragen die in dit rapport worden genoemd, temeer daar niet duidelijk is waarop het in [dossier] genoemde bedrag is gebaseerd.

Van de € 5.279.000, - is, na meerdere overboekingen, uiteindelijk een bedrag van € 954.000, - terecht gekomen op een Luxemburgse bankrekening van [bedrijf 1] .5 Op dit geld is beslag gelegd.6 De rechtbank heeft van de officier van justitie begrepen dat [bedrijf 1] failliet is verklaard en dat dit bedrag nog steeds onder beslag ligt. Hoewel de criminele organisatie op enig moment de beschikkingsmacht heeft gehad over dit bedrag – immers is het door personen binnen de organisatie of in opdracht van de organisatie overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 1] , kan naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld worden dat personen uit de organisatie daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel hebben genoten uit dit geld. Immers kan geen van de leden van de organisatie door het faillissement nog beschikken over dit geld en moet verwacht worden dat dit geld – voor zover [bedrijf 1] geen andere schuldeisers heeft – zal worden geretourneerd aan de bank. De rechtbank zal daarom ook het geldbedrag van € 954.000, - in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Ten slotte komen volgens vaste jurisprudentie, bij de bepaling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kosten die in directe relatie staan tot het delict voor aftrek in aanmerking.7 Deze kosten bedragen ten aanzien van aangifte 1 € 869.938,43.8 De rechtbank zal ook deze kosten in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op grond van het voorgaande, concludeert de rechtbank dat de criminele organisatie door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op € 2.552.187,74.

Op grond van de wetsgeschiedenis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Daarbij is onder ogen gezien dat de rechter, in het geval er verscheidene daders zijn, niet altijd de omvang van het voordeel van elk van die daders aanstonds zal kunnen vaststellen. In dat verband is door de Hoge Raad overwogen dat de rechter op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij één of meer van hen, zal moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijze wordt toegerekend.9

Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het vonnis van de rechtbank van 18 augustus 2014 blijkt dat veroordeelde samen met vijf anderen onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie, die het voornoemde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Uit het rapport, en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, blijkt echter niet hoe het wederrechtelijk verkregen voordeel concreet is verdeeld. Hieruit blijkt wel dat veroordeelde, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] de harde kern van de criminele organisatie vormden en dat [medeverdachte 4] een belangrijke schakel was tussen deze harde kern en de overige leden van de criminele organisatie. Nu het dossier verder geen aanknopingspunten bevat om tussen deze personen te differentiëren, zal de rechtbank een gelijk deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan deze vier personen toerekenen.

Wel ziet de rechtbank aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een andere rol binnen de criminele organisatie hebben gehad dan de andere veroordeelden. Immers is het gehele bedrag van € 5.279.000, - overgemaakt naar bankrekeningen van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] , welke rekeningen aan [medeverdachte 2] gekoppeld konden worden.10 De rechtbank heeft [medeverdachte 2] in haar vonnis van 18 augustus 2014 om deze reden ook aangemerkt als katvanger. De ervaring leert dat personen van wie bankrekeningen worden gebruikt in de witwasconstructie doorgaans lager in de hiërarchie van een criminele organisatie staan, dan de personen die niet op een dermate gemakkelijke manier in verband kunnen worden gebracht met de strafbare feiten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een kleiner deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [medeverdachte 2] toe te rekenen, dan aan veroordeelde, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , en [medeverdachte 4] .

Ook een bankrekening die aan [medeverdachte 3] gekoppeld kon worden, is gebruikt om geld naar over te maken.11 Uit het dossier blijkt weliswaar dat [medeverdachte 3] een veel actievere rol heeft gespeeld in het witwasproces dan [medeverdachte 2] , maar het gebruik van zijn bankrekening suggereert wel dat hij een ondergeschikte rol had in de criminele organisatie. Gelet op hetgeen ten aanzien van [medeverdachte 2] is overwogen, zal daarom ook aan [medeverdachte 3] een kleiner deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden toegerekend dan aan veroordeelde, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] .

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] 10% en aan veroordeelde, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] 20% van het wederrechtelijk verkregen voordeel toerekenen.

4.4.2.

Vervolgprofijt

De officier van justitie heeft gevorderd het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat te vermeerderen met de wettelijke rente over het conservatoir in beslag genomen geldbedrag.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de betalingsverplichting zich mede uitstrekt tot wederrechtelijk verkregen voordeel in de vorm van rente en koersstijgingen, welke worden ontvangen op in beslag genomen gelden.

De Hoge Raad heeft bepaald dat voor vergoeding van rente die tijdens het beslag is gekweekt op een inbeslaggenomen geldbedrag slechts plaats is bij teruggave van dat geldbedrag.12 De rechtbank begrijpt deze beslissing aldus dat de eventuele opgebouwde rente niet wordt vergoed voor zover die rente is opgebouwd over (delen van) die inbeslaggenomen gelden die gelet op de opgelegde betalingsverplichting niet worden teruggegeven. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank, gelet op het voorgaande, niet de wettelijke rente toekennen, maar de daadwerkelijk opgebouwde rente over de inbeslaggenomen gelden. In de wettelijke rente is immers een boete-element verdisconteerd, zodat bij toewijzing daarvan veroordeelde verplicht wordt een extra bedrag te betalen waarvoor de wettelijke grondslag ontbreekt. Het bedrag, dat de veroordeelde ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verplicht aan de Staat te betalen, zal derhalve worden vermeerderd met de inmiddels (voor zover die bedragen of delen daarvan in beslag zijn genomen) daarover daadwerkelijk opgebouwde rente, te rekenen vanaf de datum van inbeslagneming.

4.4.3.

Conclusie

Al het voorgaande betekent dat de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald schat op € 510.437,54, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 9.296,80 vanaf 7 juni 2012 respectievelijk 6 april 2012 en 7 november 2013 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.

5 De verplichting tot betaling

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de betalingsverplichting (daarnaast) aangevoerd dat de verweren van de verdediging met betrekking tot de draagkracht van veroordeelde gepasseerd moeten worden omdat de draagkracht van veroordeelde pas in de executiefase relevant is.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – in haar conclusie van antwoord, conclusie van dupliek en bij schriftelijke pleitaantekeningen – zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd ten aanzien van de berekening van de betalingsverplichting.

Veroordeelde heeft geen opleiding genoten en een criminele achtergrond die hem moeilijk plaatsbaar maakt op de arbeidsmarkt. Hij zit momenteel vast in een andere zaak. Zij toekomstige verdienpotentieel is daarnaast minimaal gelet op zijn arbeidsongeschiktheid. Gelet hierop is nu al duidelijk dat de huidige en redelijkerwijs in de toekomst te verwachten draagkracht niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen. Daarmee moet, op grond van artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, rekening worden gehouden.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld in het ontnemingsgeding indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.13 Nu vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, zal de rechtbank het verweer van de verdediging verwerpen.

Bij het bepalen van de betalingsverplichting moet echter wel rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn is overschreden. Deze is aangevangen op 23 mei 2011, zijnde de datum waarop conservatoir beslag onder verdachte is gelegd, zodat niet binnen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn over de ontnemingsvordering is beslist.

Blijkens standaardjurisprudentie van de Hoge Raad dient bij een overschrijding van de redelijke termijn in een ontnemingszaak met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden een percentage van 10%, met een maximum van € 5.000, -, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering te worden gebracht. In gevallen waar de redelijke termijn met meer dan één jaar is overschreden, moet naar bevind van zaken worden gehandeld. Nu de redelijke termijn met twee jaren en acht maanden is overschreden, is de rechtbank van oordeel dat een percentage van 10%, zonder maximum, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering moet worden gebracht.

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 459.393.79, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 9.296,80 vanaf 7 juni 2012 respectievelijk 6 april 2012 en 7 november 2013 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 510.437,54, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 9.296,80 vanaf 7 juni 2012 respectievelijk 6 april 2012 en 7 november 2013 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.

Legt op aan [naam veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 459.393.79 (vierhonderdnegenenvijftigduizenddriehonderddrieënnegentig euro en negenenzeventig cent) aan de Staat, vermeerderd met de daadwerkelijk opgebouwde rente over het in totaal in beslag genomen bedrag van € 9.296,80 vanaf 7 juni 2012 respectievelijk 6 april 2012 en 7 november 2013 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontneming.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. R.H.C. Jongeneel en B. Vogel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 januari 2016.

Voetnoten

1
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 5).
2
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 6).
3
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 23).
4
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 33).
5
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 25).
6
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 28).
7
HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841.
8
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 28).
9
HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:884.
10
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 11).
11
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 22april 2013, opgemaakt door rapporteur [naam] (p. 12).
12
HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1454.
13
HR 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7747.