ECLI:NL:RBAMS:2017:2556 Rechtbank Amsterdam , 20-04-2017 / AWB - 16 _ 3550

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2017 in de zaak tussen


[de vrouw] , te Uithoorn, eiseres,

(gemachtigde: mr. M.J. Aanen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.F. Sitvast).

Procesverloop

In het besluit van 22 januari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) met ingang van 1 januari 2018 van 75% naar 70% verlaagd.

In het besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft op 4 november 2016 het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld schriftelijk nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft met de brief van 29 november 2016 de gevraagde informatie verstrekt. Eiseres heeft op 16 december 2016 op deze informatie gereageerd. Verweerder heeft op 12 januari 2017 een reactie gegeven op de brief van eiseres.

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op 9 maart 2017 gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiseres ontvangt sinds 13 maart 2010 een Wajong-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. Deze arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op basis van de beperkingen van eiseres doordat zij lijdt aan het syndroom van Asperger en aan angst- en depressieve klachten. Naar aanleiding van de wijziging van de Wajong per 1 januari 2015 heeft verweerder in het kader van de herindeling bij eiseres beoordeeld of zij volledig en duurzaam geen arbeidsvermogen heeft.

2. In het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij arbeidsvermogen heeft. Eiseres behoudt haar Wajong-uitkering, maar de uitkering wordt met ingang van 1 januari 2018 van 75% naar 70% verlaagd. Het primaire besluit is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts van 10 december 2015 en 29 februari 2016 en een rapport van de arbeidsdeskundige van 21 januari 2016.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 maart 2016 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 12 april 2016 ten grondslag.

Juridisch kader

4. Op 1 januari 2015 is artikel III van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270 en 271) in werking getreden. Per 1 januari 2015 is ook het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) aangepast.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wajong bedraagt de arbeidsongeschiktheidsuitkering per dag, de zaterdagen en zondagen niet meegerekend, bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag.

Ingevolge artikel 3:8a, eerste lid, van de Wajong bedraagt de arbeidsongeschiktheids-uitkering per dag bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, 75% van de grondslag, indien de jonggehandicapte duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder duurzaam de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Ingevolge artikel III onder N van de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 270) wordt in artikel 3:8, eerste lid, 75% vervangen door 70%. Ingevolge het zesde lid van het enige artikel van het Besluit van 4 juli 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet maatregelen Wet werk en bijstand en enkele andere wetten, de Wet hervorming kindregelingen en de Invoeringswet Participatiewet (Staatsblad 2014, 271) treedt artikel III, onderdelen J, K, L en N, van de Invoeringswet Participatiewet in werking met ingang van 1 januari 2018.

5. Uit artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong volgt dat jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen de ingezetene is die:

a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;

b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.

6. Uit artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit volgt dat betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Beoordeling rechtbank

7. In geschil is de vraag of eiseres arbeidsvermogen heeft.

8. Eiseres voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte arbeidsvermogen heeft aangenomen. In 2010 is namelijk aan haar een Wajong-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%, omdat zij niet belastbaar werd geacht. Haar situatie is na 2010 alleen maar verslechterd.

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de beoordeling voor een Wajong-uitkering in 2010 op arbeidskundige gronden arbeidsongeschikt is verklaard. Er was sprake van verminderde mogelijkheden en er is een Functionele Mogelijkheden Lijst opgesteld. Doordat geen functies konden worden geduid was de theoretische verdiencapaciteit niet vast te stellen. Dit betekent dus niet dat eiseres toen geen benutbare mogelijkheden had, maar dat er op dat moment met de vastgestelde beperkingen geen geschikte functies voor haar waren. Met ingang van 1 januari 2015 zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering gewijzigd. Om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering moet bij de jonggehandicapte sprake zijn van duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. Dit volgt uit artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong. Volgens de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Schattingsbesluit in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Nota van Toelichting, Staatsblad 2014, nummer 359) staat de term mogelijkheden tot arbeidsparticipatie gelijk aan het begrip arbeidsvermogen. Jonggehandicapten die voor 2010 een aanvraag voor een Wajong-uitkering hebben ingediend zijn niet eerder beoordeeld op het nieuwe criterium arbeidsvermogen. Deze jonggehandicapten worden tussen 2015 en 2018 ‘heringedeeld’. Voor deze herindeling is bij eiseres beoordeeld of zij volledig en duurzaam geen arbeidsvermogen heeft. De beoordeling van verdienvermogen aan de hand van een maatmaninkomen en resterende verdiencapaciteit is daarmee losgelaten. De conclusie van de huidige beoordeling is dat eiseres arbeidsvermogen heeft. De omstandigheid dat eiseres in 2010 volledig arbeidsongeschikt is geacht betekent dus niet dat zij nu geen arbeidsvermogen zou kunnen hebben. Dit zijn immers twee verschillende criteria. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.

10. Eiseres voert verder aan dat zij geen arbeidsvermogen heeft. Zij lijdt aan het syndroom van Asperger en sinds enkele jaren aan de ziekte van Lyme. Zij heeft door deze ziekten last van zodanige vermoeidheid en spier- en gewrichtspijn dat ze niet in staat is om één uur per dag aangesloten en ook niet om vier uur op een dag te werken. Eiseres verwijst hierbij naar haar dagverhaal. Eiseres stelt verder dat de geselecteerde taak en haar dagelijks leven niet op elkaar aansluiten.

11. De verzekeringsarts heeft volgens de rapporten van 10 december 2015 en 29 februari 2016 dossierstudie verricht, eiseres psychisch en lichamelijk onderzocht op het spreekuur van 2 november 2015 en heeft de brief van de huisarts van 20 november 2015 bestudeerd en telefonisch contact gehad met de huisarts op 26 november 2015. De verzekeringsarts stelt als diagnose klachten na erythema migrans: de ziekte van Lyme en syndroom van Asperger. De verzekeringsarts overweegt dat de klachten van eiseres in grote lijnen gelijk zijn gebleven als bij de eerdere beoordeling in 2009. De nieuwe klachten zijn dat eiseres snel vermoeid is na inspanning, claimt recuperatietijd nodig te hebben en zij heeft klachten aan haar gewrichten. Eiseres voldoet niet aan de geen benutbare mogelijkheden criteria maar er moet wel rekening worden gehouden met haar energetische klachten en haar ontwikkelingsstoornis. Eiseres heeft recuperatietijd nodig vanwege het syndroom van Asperger en de door haar ervaren klachten. De beperkingen zijn echter licht van aard waardoor zij ten minste vier uur op een dag belastbaar is. Er is geen sprake van preventieve redenen om de duurbelastbaarheid te beperken. Eiseres kan tenminste één uur achtereen werken.

12. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens het rapport van 15 maart 2016 dossierstudie verricht, eiseres tijdens de hoorzitting van 10 maart 2016 gezien en heeft overleg gehad met de primaire verzekeringsarts. De verzekeringsarts ziet geen aanleiding om af te wijken van het primaire medische oordeel maar ziet wel reden om aanvullende beperkingen vast te stellen in het kader van persoonlijk en sociaal functioneren in verband met de autistische stoornis van eiseres. Naar aanleiding van de in beroep overgelegde informatie van de huisarts van 19 juli 2016 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een nader rapport opgesteld. De conclusie van dit rapport is dat de ingebrachte informatie geen nieuwe inzichten biedt voor de beoordeling.

13. De rechtbank is van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn gemotiveerd. Ook het oordeel van de huisarts is bij deze beoordeling betrokken. Eiseres heeft geen medische stukken overgelegd die aanleiding geven om aan dit medische oordeel te twijfelen. De stelling van eiseres dat zij niet één uur aangesloten per dag kan werken en niet vier uren per dag slaagt dan ook niet.

14. De arbeidsdeskundige heeft volgens het rapport van 21 januari 2016 geconcludeerd dat eiseres arbeidsvermogen heeft. Eiseres kan een taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie. Zo kan eiseres bijvoorbeeld de taak scannen uitvoeren, omdat het een relatief eenvoudige taak betreft die onder leiding van een leidinggevende wordt verricht. De leidinggevende is op de werkvloer aanwezig en geeft mondelinge instructies. Er is sprake van een eigen deeltaak, uit de taakbeschrijving blijkt dat samenwerken en communicatie niet tot de taakeisen behoren. Verder beschikt eiseres over basale werknemersvaardigheden. Ze wordt met de juiste begeleiding in staat geacht instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Eiseres is in staat te functioneren in een arbeidsorganisatie als voor de fysieke en sociale werkomgeving is voldaan aan bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden zijn een rustige werkomgeving en op een vaste werkplek in een relatief klein team zonder al te veel wisselende samenstellingen van directe collega’s. Verder is persoonlijke begeleiding noodzakelijk voor het omgaan met anderen. Eiseres is tenminste vier uur belastbaar. Hiervoor verwijst de arbeidsdeskundige naar het rapport van de verzekeringsarts van

10 december 2015. Dit geldt ook voor het punt dat eiseres tenminste één uur aangesloten kan werken zonder een wezenlijke onderbreking van het productieproces. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de conclusies van de arbeidsdeskundige in het rapport van 12 april 2016 geheel gevolgd.

15. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van verweerder of eiseres arbeidsvermogen heeft onvoldoende is gemotiveerd. Uit de eerdergenoemde Nota van Toelichting bij de wijziging van het Schattingsbesluit volgt dat uitgangspunt bij het selecteren van een taak is dat deze taak zoveel mogelijk aansluit bij de taken die iemand in het dagelijks leven uitvoert. De beoordeling begint bij een inventarisatie van de activiteiten die iemand in het dagelijks leven uitvoert. Daarbij worden de verschillende taken die iemand in het dagelijks leven uitvoert in kaart gebracht.1 Verweerder heeft ook in zijn beleid hierover opgenomen dat hij bij het selecteren van een taak zoveel mogelijk moet aansluiten bij de taken die een klant in het dagelijks leven uitvoert.2 Uit de beoordeling door de arbeidsdeskundigen blijkt echter niet dat dit uitgangspunt in dit geval ook is gevolgd. In deze rapportages is geen relatie gelegd tussen de geselecteerde taak en de activiteiten die eiseres in het dagelijks leven uitvoert.

16. Verder overweegt de rechtbank dat uit het beleid van verweerder volgt dat de vier criteria als bedoeld in artikel 1a, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit en de gekozen taak ook in samenhang moeten worden beoordeeld. Het team van verzekeringsarts en arbeidsdeskundige moeten zich altijd afvragen of er aanleiding is om eraan te twijfelen dat betrokkene de gekozen taak ook daadwerkelijk 4 uren per dag en tenminste één uur achtereen kan uitvoeren.3 De rechtbank stelt vast dat in het geval van eiseres wel afzonderlijk is beoordeeld en gemotiveerd dat eiseres in staat is om één uur aaneengesloten te werken en vier uur per belastbaar is, maar in de rapportages is niet terug te vinden dat deze criteria ook in samenhang met de geselecteerde taak zijn beoordeeld. De rechtbank bedoelt daarmee specifiek of beoordeeld is of eiseres de taak ‘scannen’ vier uren per dag kan uitvoeren en of zij in staat is deze specifieke taak ten minste één uur aangesloten zelfstandig uit te voeren.

17. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit op de hiervoor genoemde punten ondeugdelijk is gemotiveerd en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank beoordeelt hierna of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, gelet op de aanvullende motivering van het bestreden besluit.

18. Naar aanleiding van de heropening van het onderzoek door de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 29 november 2016 een nader rapport opgesteld. In dit rapport licht de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toe in hoeverre de gekozen taak ‘scannen’ aansluit bij de taken die eiseres in haar dagelijks leven uitvoert. Tijdens de hoorzitting van 10 maart 2016 is gebleken dat eiseres online onderzoek heeft gedaan naar hulp voor haar medische problemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overweegt dat ‘scannen’ opgevat kan worden als een taak die onderdeel uitmaakt van internetgebruik in het bijzonder en computergebruik in het algemeen. ‘Scannen’ is een taak die is gerelateerd aan computergebruik. Omdat eiseres vaak gebruik maakt van de computer kan ‘scannen’ worden gezien als een taak die aansluit bij de taken die eiseres in het dagelijks leven verricht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is verder ingegaan op de vier taakelementen van de taakbeschrijving. De elementen zijn de arbeidsverrichtingen, karakteristiek werksituatie, de taakeisen en de fysieke en sociale werkomgeving. Aan de hand van deze vier elementen van de taakbeschrijving concludeert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat de taak ‘scannen’ geschikt is voor eiseres.

19. De rechtbank is van oordeel dat met de nadere motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk is dat de taak ‘scannen’ zoveel mogelijk aansluit bij de mogelijkheden die eiseres heeft. De rechtbank acht de taak ‘scannen’ dan ook geschikt voor eiseres. De beroepsgrond van eiseres dat de taak scannen niet aansluit bij haar dagelijkse activiteiten slaagt dus niet.

20. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in het rapport van 29 november 2016 ook ingegaan op de vraag of eiseres in staat is de gekozen taak ‘scannen’ ten minste één uur aaneengesloten uit te voeren in relatie tot de taak uitvoeren in een arbeidsorganisatie en of eiseres de gekozen taak ook daadwerkelijk vier uren per dag kan uitvoeren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geeft aan dat hij overleg heeft gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft aan dat eiseres ten minste één uur aaneengesloten kan werken. Ook ontbreken volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep objectieve medische aanwijzingen dat eiseres niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Zij is in staat de taak in een arbeidsorganisatie uit te voeren zolang voldaan wordt aan voorwaarden wat betreft de fysieke en sociale werkomgeving. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verwijst hiervoor naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 21 januari 2016. Zoals aangegeven in het rapport van 12 april 2016 ziet de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.

21. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met deze aanvullende rapportage voldoende heeft gemotiveerd dat in dit geval ook de samenhang tussen de criteria en de gekozen taak is beoordeeld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een link gelegd tussen de gekozen taak en het aantal belastbare uren per dag. Ook is gekeken of eiseres in staat is de gekozen taak in een arbeidsorganisatie te verrichten. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanuit de medische kant gekeken naar de belastbaarheid in uren en heeft hierover met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg gehad.

Conclusie

22. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit en daarmee de conclusie dat eiseres arbeidsvermogen heeft met de aanvullende rapportage na de zitting alsnog voldoende inzichtelijk is gemotiveerd, waardoor sprake is van een zorgvuldig onderzoek. Verweerder heeft dan ook terecht de Wajong-uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 2018 van 75% naar 70% verlaagd. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de Wajong-uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 2018 van 75% naar 70% wordt verlaagd.

23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een nadere reactie na een heropening met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.237,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. Fleuren, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter ook vragen een voorlopige maatregel te nemen.

Voetnoten

1
Nota van Toelichting bij de wijziging van het Schattingsbesluit in verband met de Invoeringswet Participatiewet, Staatsblad 2014, nummer 359, p. 6 en 7
2
Compendium Participatiewet versie 1.0 UWV 2015, paragraaf 1.2, pagina 31
3
Compendium Participatiewet versie 1.0 UWV 2015, paragraaf 7, pagina 25
Verder lezen