ECLI:NL:RBAMS:2017:3673 Rechtbank Amsterdam , 18-01-2017 / AMS 16/5548

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5548

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 januari 2017 in de zaak tussen


[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. G.M. Haring),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. B.A. Veenendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiser heeft op 12 april 2016 een bijstandsuitkering aangevraagd. Bij zijn aanvraag heeft hij onder meer het formulier ‘inlichtingen en opgave verblijfslocatie(s) dak- en thuisloze’ van 12 april 2016 (formulier) overgelegd.

1.3.

Op genoemd formulier heeft eiser verklaard tussen 22.00 uur en 08.00 uur te verblijven op een tweetal locaties in Amsterdam, te weten [de straat] (vier nachten) en [straat 1] (drie nachten). Uit het verslag van het intakegesprek blijkt dat eiser in zijn auto slaapt, een [merk] met kenteken [nummer] en dat het gaat om de [straat 1] achter [bedrijf 1] en om de [de straat] ter hoogte van de [bedrijf 2] . Verder heeft eiser bij het intakegesprek aangegeven dat hij één keer per week op het adres [adres 2] verblijft en dat hij daar kan douchen en eten.

1.4.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door eiser aan verweerder verstrekte gegevens. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen met als afsluitdatum 6 mei 2016. Hieruit blijkt dat twee handhavingsspecialisten van verweerder op 26 april 2016, 3 mei 2016 en 4 mei 2016 beide opgegeven locaties in het opgegeven gebied hebben gezocht en dat eiser en zijn auto niet zijn aangetroffen. De handhavingsspecialisten hebben alle keren ook gezocht in de omgeving van het door eiser opgegeven adres [adres 2] , maar ook daar eiser en zijn auto niet aangetroffen. Bij het vierde locatiebezoek op 6 mei 2016 is de auto van eiser wel in de buurt van de [bedrijf 2] aangetroffen, maar eiser zelf niet.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de afwijzing uit het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt. Eiser is immers niet aangetroffen op de opgegeven locaties. Daarom is het recht op bijstand niet vast te stellen, aldus verweerder.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft gehandeld volgens de geldende beleidsregels. Hierin geeft verweerder aan maatwerk te leveren. In de beleidsregels biedt verweerder een oplossing voor ad hoc wijzigingen van een situatie. Deze mogelijkheden dienen met een duidelijke uitleg aan een dakloze te worden gegeven. Dat is bij eiser niet gebeurd. Verder heeft eiser gesteld dat hij daadwerkelijk op de bezochte locaties heeft verbleven, maar dat hij het niet heeft gered tot 8.00 uur, vanwege kou, toiletbezoek, honger. Ten slotte heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat sprake is van schending van mensenrechten.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand de periode bestrijkt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de periode van 12 april 2016 tot en met 11 mei 2016 dient te worden beoordeeld.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) moet een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn, kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan verweerder om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15.

4.3

Eiser is als dakloze aangemerkt. Voor daklozen geldt een speciaal beleid, waarbij maatwerk voorop staat. In de Beleidsregels 2016 van verweerder staat dat voor klanten die onder bijzondere doelgroepen vallen (waaronder daklozen) altijd maatwerk moet worden geleverd. De vraag die daarom beantwoord moet worden is of verweerder maatwerk heeft geleverd.

4.4

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering en hij heeft een formulier ingevuld en ondertekend waarop hij twee verblijflocaties heeft ingevuld. Met de ondertekening van dit formulier heeft eiser verklaard te verblijven op de opgegeven locaties en op de hoogte te zijn van de inlichtingenplicht in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) en dat iedere wijziging moet worden doorgegeven aan de afdeling Budget en inkomensbeheer bijzondere doelgroepen of de afdeling Inkomensvoorziening van de gemeente Amsterdam. Verweerder geeft aan dat ook een folder is uitgereikt, waarin de bereikbaarheid is opgenomen. Op zich zou eiser dus op de hoogte moeten zijn van zijn verplichtingen en mogelijkheden op dit punt. De rechtbank is echter van oordeel dat het strikt houden van eiser aan een verplichting die uit een formulier en een folder blijkt, geen blijk van maatwerk geeft. Die situatie onderscheidt zich immers niet van aanvragers in een reguliere situatie. Dat maatwerk is geleverd kan niet enkel worden afgeleid uit het feit dat de opgegeven locaties door handhavingsspecialisten zijn bezocht. De handhavingsspecialisten van verweerder hebben de opgegeven locaties drie keer bezocht tussen 07.00 en 08.00 uur en eiser en zijn auto niet aangetroffen. Bij het vierde locatiebezoek is de auto van eiser met een slaapzak op de achterbank wel aangetroffen, maar eiser zelf niet. Dat eiser niet tien uur lang in zijn auto is gebleven, omdat hij dat nou eenmaal op het formulier had ingevuld, is niet ondenkbaar. Door steeds in het laatste (tiende) uur van eisers opgave te controleren, is het niet ondenkbaar dat eiser niet is aangetroffen. Uiteraard zou eiser in zijn auto behoren te zijn, maar door geen nader onderzoek te doen of contact met hem te zoeken, kan van maatwerk niet worden gesproken.

5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onzorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven en de rechtbank zal het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Voor de besluitvorming is een nadere beoordeling en motivering door verweerder vereist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken nadat deze uitspraak kracht van gewijsde

heeft gekregen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,-- (zegge: zesenveertig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,--

(zegge: negenhonderd tweeënnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bode, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Verder lezen