ECLI:NL:RBAMS:2017:3760 Rechtbank Amsterdam , 01-06-2017 / C/13/613294 / HA RK 16-298

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/613294 / HA RK 16-298

Beschikking van 1 juni 2017

in de zaak van


[verzoeker]
,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. J.F. Overes te Amsterdam,

tegen

1 [verweerder] ,

wonende te [plaats] ,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

ALLIANZ BENELUX N.V.,

gevestigd te Brussel, België,

verweerders,

advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.

Verzoeker wordt hierna [verzoeker] genoemd. Verweerders worden hierna aangeduid met [verweerder] en Allianz en gezamenlijk met [verweerder sub 1 en 2 samen]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen ter griffie op 29 juli 2016;

-

de brief met bijlage van 19 augustus 2016 van mr. Overes;

-

de tussenbeschikking van 8 september 2016 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 april 2017, met de daarin vermelde processtukken waaronder het verweerschrift.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn op de hoogte gebracht van de gewijzigde beschikkingsdatum.

2 De feiten

2.1.

Op 28 augustus 2014, omstreeks 15:30 / 16:00 uur vond een verkeersongeval (hierna: het ongeval) plaats op de [straat 1] vlakbij [nummer] te [plaats] tussen [verzoeker] en [verweerder] . Daarbij waren [verzoeker] als bestuurder van een scooter en [verweerder] als bestuurder van een motorfiets betrokken.

2.2.

[verweerder] reed op het moment voorafgaand aan het ongeval over de [straat 1] vanuit de richting van de [straat 2] op weg naar de garage van zijn moeder aan de [straat 3] . [verweerder] reed vervolgens over de brug op de [straat 1] en stak, in zekere mate links uitwijkend vanwege een kromming in de weg aldaar, de kruising met de [straat 4] over. Daarop vond het ongeval plaats. [verzoeker] heeft [verweerder] links geraakt en is gevallen met zijn scooter.

2.3.

Na het ongeval zijn de politie en ambulance ter plaatse gekomen. [verzoeker] is gezien door het ambulancepersoneel en door de politie is een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het proces-verbaal). Dit proces-verbaal is niet ondertekend en luidt, voor zover relevant, als volgt.

“(…)

Toedracht

Rapps als 1101 geweest naar de lokatie [straat 1] met de brug [straat 4] alwaar een motorrijder welke midden op het rijbaan van de [straat 1] ree, kudrv de [straat 4] -verlengde [straat 1] , en gidrvd [straat 5] in botsing kwam met een scooter die hem aan de linkerzijde inhaalde met een minieme snelhied. De scooter kwam uit dezelfde rijrichting en is nadat hij met zijn rechterzijde tegen de linkerzijde van de motor terecht kwam op de weg gevallen.

Onderzoek door ggd ivm een herniaoperatie welke de scooterrijder recentelijk had ondergaan. Geen complicaties volgens ggd. Beide betrokkenen hebben een aanrijdingsstaat opgemaakt.

Een getuige heeft zich gemeld; de buurman van [verweerder] (rb: [verweerder]). (…)”

2.4.

[verweerder] is voor wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij KNMV verzekeringen, een onderdeel van AON en een volmacht van London Verzekeringen. London is een handelsnaam van Allianz (hierna gezamenlijk: Allianz).

2.5.

[verzoeker] en [verweerder] hebben na het ongeval een schadeformulier ingevuld. Blijkens de tekeningen reed [verzoeker] volgens [verzoeker] rechtdoor over de [straat 1] achter [verweerder] voorafgaand aan het ongeval. Volgens [verweerder] kwam [verzoeker] vanaf de Reguliergracht en sloeg hij linksaf de [straat 1] op voorafgaand aan het ongeval.

2.6.

In opdracht van de verzekeraar van [verzoeker] , Hema Verzekeringen (hierna: Hema), heeft Dekra Automotive B.V. (hierna: Dekra) op 17 september 2014 een expertiserapport opgesteld van schade aan de brommer en kleding van [verzoeker] .

2.7.

Bij brief van 30 december 2014 schrijft [verweerder] als volgt aan Allianz.

“(…)

Aangezien wij ons bevonden op een weg met maar 1 baan, namelijk de [straat 1] in [plaats] , was het voor mij niet mogelijk om van rijbaan te wisselen. Wel heeft de combinatie van zijn foute inschatting (dat hij voor mij langs kon), samen met mijn verplaatsing (naar het linker gedeelte) op deze weg, geresulteerd in de botsing (…)”

2.8.

Op 12 maart 2015 heeft LegalShared B.V. (hierna: LegalShared), als belangenbehartiger van [verzoeker] , Allianz aansprakelijk gesteld voor alle materiele en immateriële schade die als gevolg van het ongeval is ontstaan. Allianz heeft bij brief van 15 april 2015 aansprakelijkheid afgewezen.

2.9.

Op 11 juli 2015 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [verweerder] , NRS Rechtsbijstand (hierna: NRS), een schriftelijke getuigenverklaring van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) naar Allianz en LegalShared gestuurd. Deze verklaring luidt, voor zover thans relevant, als volgt:

“(…)

Ik zag de motorrijder rechtdoor op de [straat 1] rijden. Van links (voor hem) kwam een scooter over de [straat 1] brug (…) die afboog in dezelfde rijrichting als de motorrijder, waardoor een botsing ontstond. (…)”

2.10.

[verzoeker] heeft de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Op 6 april 2016 heeft het voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij [verzoeker] , [naam 1] en [verweerder] zijn gehoord.

2.11.

[naam 1] heeft hier onder meer het volgende verklaard:(…)


[verzoeker] heb ik nooit eerder ontmoet. Meneer [verweerder] woont verderop in de straat. Ik hou daar kantoor. Wij zijn niet bekend met elkaar. Ik heb hem wel eens gezien, ik ken zijn gezicht.

Ter voorbereiding op dit verhoor heb ik nog even nagekeken wat ik heb ingevuld op het vragenformulier dat mij door een verzekeraar, ik weet niet of dat de verzekeraar was van meneer [verweerder] of van [verzoeker] , is toegestuurd. Dit was een soort schadeformulier, waarop ik heb verklaard wat ik heb gezien en een situatieschets heb gemaakt. Ik hoor mr. Overes zeggen dat dit formulier niet bij de stukken zit. Ik heb dit formulier in mei 2015 teruggestuurd, dat was dus driekwart jaar na het ongeval.

Ik heb mijn werkplek op de [straat 1] , [nummer] . U geeft mij de foto die als productie 2 bij het verzoekschrift zit. Ik geef daarop met een rood kruis aan waar ik mij ten tijde van het ongeval bevond, namelijk op de bovenverdieping bij het raam dat is aangekruist. Ik teken dit ook nog aan op het Google Maps kaartje.

Vanuit waar ik zat heb ik zicht op het stuk van de gracht waar het ongeluk heeft plaatsgevonden. Ik zag een motorrijder, maar wist toen nog niet wie dat was, over de [straat 1] rijden vanuit de richting van de [straat 2] . Op de kruising [straat 1] - [straat 4] reed de motor rechtdoor. Ik teken dit op de foto en zet motor bij de pijl. De scooter kwam vanaf de [straat 4] de brug over en sloeg linksaf richting de [straat 1] en kwam in dezelfde rijrichting als de motor. Nu u mij dit terugleest wil ik graag verduidelijken dat de scooter de motor raakte terwijl de scooter nog bezig was zijn bocht naar links te voltooien. De motor reed gewoon rechtdoor en deed niks verkeerd. Ik zou zeggen dat de motor ongeveer in het midden van de weg reed. Beide partijen reden niet hard. Voor mijn gevoel zal het 20/30 km per uur zijn geweest. Maar ik vind het lastig om dit in te schatten. Ik teken met een rondje de plek waar de scooter en de motor elkaar raakten Dit was ter hoogte van het hoekhuis. Ik laat dit ook nog zien op het Google Maps kaartje.

De scooterrijder reed tegen de zijkant van de motorrijder aan. Beide voertuigen kwamen op de grond terecht, en de mannen volgens mij ook.

Nadat de politie ter plaatse was ben ik naar beneden gegaan en ik heb tegen de politie gezegd dat ik het heb gezien en wat ik heb gezien. Ik weet niet wat daarmee gebeurd is. In mijn herinnering heb ik geen proces-verbaal ondertekend. Terwijl ik met de politie sprak zag ik dat [verzoeker] en meneer [verweerder] met elkaar spraken. Ik heb niet gehoord waarover. [verzoeker] maakte op mij een emotionele indruk. Meneer [verweerder] kwam kalm over.

Nadat de motorrijder zijn helm had afgezet herkende ik meneer [verweerder] als een man die verderop in de straat woont. Ik heb hem toen even aangesproken en gezegd dat ik het vervelend vond en dat ik het ongeval heb gezien. [verzoeker] heb ik niet gesproken.

Ik kan mij niet herinneren dat ik ter plaatse een ambulance heb gezien. (…)”

2.12.

[verzoeker] heeft hier onder meer het volgende verklaard:

“(…)

Ik reed al op de [straat 1] en stak de kruising met de [straat 4] rechtdoor over. U houdt mij voor dat de heer [naam 1] zojuist heeft verklaard dat hij gezien heeft dat ik vanuit de richting van de [straat 4] kwam en linksaf sloeg richting de [straat 1] . Die verklaring is niet juist. Midden op de kruising, dat is dus op het hoogste punt van de brug, zag ik een motorrijder op de [straat 1] rijden. Hij reed langzaam en een klein beetje links van het midden. Ik haalde de motor in en terwijl ik dat aan het doen was draaide de motor onverwachts naar links. Het leek erop op de motor daar wilde draaien of wilde gaan parkeren. Ik ben toen met de neus van mijn scooter aan de rechterzijde tegen de linkerzijde van de motor aangebotst. Ik teken de situatie, hoe wij reden en waar de botsing is gebeurd, op de foto en het kaartje van Google Maps.

Beide voertuigen reden niet hard. Ik reed denk ik 20 km per uur, mijn scooter kan ook maar maximaal 25 km per uur. [verweerder] reed langzamer waardoor ik hem kon inhalen.

Door de botsing ben ik op het asfalt gevallen en heb ik heftige pijn ervaren. De politie kwam ter plaatse en ook een ambulance. In de ambulance hebben ze mij onderzocht. Daarna heb ik kort met de politie gesproken. Ik heb hen verteld wat er was gebeurd. Inmiddels was [verweerder] alvast begonnen met het invullen van het schadeformulier. Dat is het formulier dat als productie 3 bij het verzoekschrift zit. [verweerder] had onder het kopje ‘toedracht’ vakje A16 en B9 aangekruist. Dat was niet juist. Ik heb daarom een groot kruis gezet door die onderdelen en zowel bij A als B een 0 ingevuld bij het kopje ‘vermeld het aantal aangekruiste vakjes’. De in het schadeformulier opgenomen situatieschets is als volgt tot stand gekomen. [verweerder] had de kromme doorlopende lijn getekend. Ik vond dat onduidelijk. Ik heb de schets verduidelijkt door daar verder alle andere elementen in te tekenen die u in de situatieschets ziet. Er is geen discussie geweest met [verweerder] over dit schadeformulier. [verweerder] heeft het formulier gewoon getekend. Nu u mij dit terugleest wil ik aangeven dat ik mij niet kan herinneren dat er een discussie over is geweest met [verweerder] .

Na het ongeluk kreeg ik van mijn verzekeraar te horen dat [verweerder] zijn schadeformulier niet aan zijn eigen verzekeraar had gestuurd. Ik wilde hem daartoe verzoeken en heb hem geprobeerd te bellen, maar dat is niet gelukt. Ik heb verder geen contact met [verweerder] gehad.

Ik kwam vanaf het centrum, de Rozengracht en ik was op weg naar mijn moeder die aan de overkant van de Amstel aan de [straat 3] woont. Ik reed dus rechtdoor over de [straat 1] richting de [brug] .

Toen ik de motor inhaalde week die plotseling en voor mij onverwacht naar links uit. Ik weet niet waarom hij dat deed. Wellicht wilde hij omkeren of zijn motor parkeren op de parkeerplaatsen aan de linkerzijde bij de gracht.

Toen ik de motor inhaalde reed de motor een klein beetje links van het midden. Er was voor mij voldoende ruimte om in te halen. Ik schat zo in dat die ruimte ongeveer 2 meter was. Op uw verzoek teken ik ook op het Google Maps kaartje waar de botsing heeft plaatsgevonden. (…)”

2.13.

[verweerder] heeft hier onder meer het volgende verklaard:

“(…)

Ik reed over de [straat 1] vanuit de richting van de [straat 2] . Ik was op weg naar de garage van mijn moeder. Die ligt 100 meter verderop aan de overzijde van de [straat 1] . Mijn motor staat daar normaal geparkeerd en mijn scooter ook, ik was op weg om mijn motor weg te zetten en mijn scooter op te halen. Ik reed het kruispunt over van de [straat 4] met de [straat 1] . Ik reed langzaam omdat er in de weg over de brug heen een lichte bolling bestaat. Ik schat dat ik bij het oversteken zo’n 20 km per uur reed. Aan het einde van het kruispunt voelde ik een tik tegen mijn linker ellenboog. Ik remde onmiddellijk en zette mijn voeten op de grond. Naast mij, aan mijn linkerzijde, zag ik een scooter en een man vallen. Dit was het eerste moment dat ik die scooter zag. Daarvoor heb ik hem niet waargenomen, ook niet in mijn spiegels. Vanwege de helling in de weg reed ik de [straat 1] op. Ongeveer in het midden van de weg. Misschien was het iets meer naar links dan het midden maar veel zal dat niet geweest zijn. Ik schat in dat de ruimte tussen mij en de linkerstoep ongeveer anderhalve meter was.

Ik kon mijn motor in balans houden en ben dus niet gevallen. Ik heb mijn motor op de standaard gezet. [verzoeker] zat op de stoep, voorover gebogen, ik hoorde hem iets zeggen in de trant van dat hij wel wist hoe hij een bocht moest nemen omdat hij rijles gaf of iets in die zin. [verzoeker] reageerde verhit op de situatie en wilde graag dat de politie erbij kwam. Dat is dus ook gebeurd. Ik heb aan de politie verteld dat ik [verzoeker] niet had gezien.

U vraagt mij waaruit ik afleid dat [verzoeker] vanaf de [straat 4] kwam en linksaf de [straat 1] op draaide als ik hem tot aan de botsing niet heb waargenomen. Ik leid dat af uit het feit dat [naam 1] naar buiten kwam en zei dat hij [verzoeker] vanuit de richting van het [plein] had zien aankomen. Daarbij komt dat ik hem niet in mijn spiegels heb gezien waarin ik zoals je dat leert heb gekeken na het oversteken van het kruispunt. Tot aan de botsing heb ik zelf niet bewust waargenomen dat [verzoeker] zich links van mij bevond.

Ten aanzien van het schadeformulier dat als productie 3 bij het verzoekschrift zit geldt dat de doorlopende kromme lijn in de situatieschets van mijn hand afkomstig was. Die lijn stond echter wat teveel naar rechtsonder waardoor het lastig werd om de feitelijke situatie goed te duiden. [verzoeker] zei toen ‘wacht maar ik doe het wel’, en [verzoeker] heeft de rest van die situatieschets gemaakt met uitzondering van de afgeronde hoek bij het linker deel van de kruising, die heb ik erin gezet.

U vraagt mij wat de gestippelde motor bij voertuig A betekent. Ik zeg u dat [verzoeker] tegen mij zei dat ik wel een rare beweging had gemaakt. Dat heb ik ontkend. De situatieschets geeft geen goede weergave van wat er is gebeurd. Ik heb desalniettemin het schadeformulier getekend omdat ik uitging van het goede in de mens en daarmee bedoel ik te zeggen dat ik het niet had verwacht dat er zoveel gedoe van zou komen.

Ten aanzien van het kopje ‘toedracht’ heb ik het vakje A16 ingevuld. Het was zo dat [naam 1] tegen mij had gezegd dat hij [verzoeker] vanuit de kant van de [straat 4] had zien komen, dus was het zo dat ik van rechts kwam. [verzoeker] zei toen, nee ik reed in dezelfde richting, en hij vulde vakje 9B in. Er ontstond onenigheid en vervolgens hebben wij allebei elkaars ingevulde vakje doorgekruist. Nu u dit dicteert wil ik toevoegen dat [verzoeker] met zijn hand gewezen heeft naar de richting waar hij zei dat hij vandaan kwam. Dat zou volgens hem de [straat 1] zijn geweest en hij wees in die richting. Ik kan mij niet herinneren of ik een 0 (het cijfer) heb ingevuld bij het kopje ‘vermeld het aantal aangekruiste vakjes’.

Ik weet dat [naam 1] een aantal panden verderop woont. Ik heb hem dus wel eens gezien. Na het ongeluk heeft hij mij een whatsapp gestuurd dat hij ook was opgeroepen. Hij vroeg mij daarin contact op te nemen. Daarop heb ik niet gereageerd. Vervolgens in [naam 1] ook nog bij mij aan de deur geweest. Hij zei dat hij ook was opgeroepen voor het verhoor. We hebben kort met elkaar gesproken. Hij zei dat hij kon bevestigen dat ik uit de kant van de [straat 1] kwam en [verzoeker] kwam aanrijden vanaf de [straat 4] en dat hij het ongeluk had zien gebeuren.

Ik hou u voor een verklaring van uzelf aan Lonnen verzekering waarin staat ‘wel heeft de combinatie van zijn foute inschatting (dat hij voor mij langs kon), samen met mijn verplaatsing (naar het linker gedeelte) op deze weg, geresulteerd in de botsing.’ En ik vraag u hoe dat zich verhoudt dat u nu zegt dat nu niet naar links bent uitgeweken. Ik antwoord u dat ik mijn weg op de rijbaan in een vloeiende beweging wat naar links ben opgeschoven op de [straat 1] nadat ik van de kruising afkwam. Dit is logisch gelet op het feit dat de weg over de kruising een lichte kromming naar links heeft.

Toen ik op de kruising reed heb ik naar links en recht gekeken en heb ik [verzoeker] daarbij niet gezien.

Ik weet niet hoe [naam 1] aan mijn telefoonnummer is gekomen. Het zou kunnen dat dat via buurtgenoten is gebeurd. Ik kan me niet herinneren dat ik hem mijn nummer heb gegeven. U vraagt mij de whatsapp conversatie te laten zien tussen mij en [naam 1] . Ik zoek die conversatie op in mijn telefoon en toon u de volgende berichten:

Whatsapp bericht:

15 maart:

Hoi [verweerder] , hier je buurman. Ben je ook opgeroepen als getuigeverklaringen verschijnen 6 april aanstaande? Zullen we nog overleggen tegen die tijd? Gr [naam 1]

4 april:

Hi [verweerder] bel je mij nog even ivm het getuigenverhoor van aanstaande woensdag? Gr [naam 1]

Ik hoor mr. Overes zeggen dat terwijl hij zojuist achter mij stond terwijl ik de whatsapp conversatie opzocht dat hij daarbij heeft gezien dat ik een deel van de uitgewisselde berichten heb gewist. Dat is niet waar. Ik zou niet weten hoe ik een heel gesprek zou moeten wissen. Nu u mij dit terugleest vind ik een ‘gedeelte van het gesprek’ een betere aanduiding.

Op vragen van mr. Lauxtermann antwoord ik als volgt.

Toen [verzoeker] aanwees in welke richting hij zou zijn komen aanrijden heb ik daar niet echt op gereageerd. Ik dacht wel dit is een aparte zaak. Ik had hem niet in mijn spiegels gezien en ook niet op de brug achter mij. Toen [naam 1] mij vertelde dat hij [verzoeker] uit de richting van de [straat 4] had zien komen toen viel het voor mij op zijn plaats. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:I. te verklaren voor recht dat [verweerder sub 1 en 2 samen] aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het ongeval en dat zij (hoofdelijk) gehouden zijn de door [verzoeker] geleden schade en/of nog te lijden (im)materiele schade te vergoeden;II. onder vaststelling dat de kosten van deze procedure voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van artikel 1019aa Rv, begroot op € 3.801,63 inclusief btw en te bepalen dat [verweerder sub 1 en 2 samen] (hoofdelijk) dat bedrag aan [verzoeker] dienen te betalen; III. [verweerder sub 1 en 2 samen] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

[verzoeker] legt aan dit verzoek het volgende ten grondslag. [verzoeker] houdt [verweerder sub 1 en 2 samen] volledig aansprakelijk voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval. [verweerder] heeft immers een (verkeers)fout gemaakt door op de [straat 1] plotseling naar links uit te wijken terwijl [verzoeker] met zijn scooter achter hem reed. Hierdoor kwam [verzoeker] met [verweerder] in botsing. Dit gedrag van [verweerder] is onrechtmatig jegens [verzoeker] nu hij in strijd handelde met artikel 18 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV), althans in strijd met de zorgvuldigheid die [verweerder] in het maatschappelijk verkeer in acht hoort te nemen jegens [verzoeker] . Deze fout dient [verweerder] te worden toegerekend. Door het ongeval heeft [verzoeker] schade geleden in de vorm van lichamelijk letsel en schade aan zijn scooter. Sinds het ongeluk heeft [verzoeker] veel klachten aan zijn rug en nek. Ook heeft hij constant pijn aan zijn rechterbeen en kan hij niet meer optreden als danser. [verweerder sub 1 en 2 samen] zijn voor de door [verzoeker] geleden en nog te lijden schade aansprakelijk. De beslissing over de aansprakelijkheid zal de weg vrijmaken voor het schaderegelingstraject, het geschil leent zich aldus voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), aldus steeds [verzoeker] .

3.3.

[verweerder sub 1 en 2 samen] hebben verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover nodig – nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Leent het verzoek zich voor behandeling in een deelgeschilprocedure?

4.1.

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen kunnen in een deelgeschilprocedure de rechter vragen om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019w Rv).

4.2.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of [verweerder sub 1 en 2 samen] aansprakelijk zijn voor de gestelde door [verzoeker] geleden schade ten gevolge van het ongeval. De rechtbank is van oordeel dat de aard van dit geschil zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure en dat de beslechting van dit deelgeschil de weg vrij zal kunnen maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en aldus zal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. De rechtbank acht in dat kader van belang dat [verweerder sub 1 en 2 samen] de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval betwisten, maar dat [verzoeker] (onweersproken) heeft gesteld dat hij, naast de reeds bij het verzoekschrift in het geding gebrachte stukken, waaronder de processen-verbaal van het voorlopig getuigenverhoor, geen andere bewijsmiddelen meer kan aanwenden. Vast staat dus dat alle feiten bekend zijn en dat nader onderzoek naar de toedracht van het ongeval niet aangewezen is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure en zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Aansprakelijkheid

4.3.

De rechtbank overweegt dat de stelplicht en de bewijslast terzake de toedracht van het ongeval ingevolge artikel 150 Rv op [verzoeker] rusten.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door [verweerder] niet vast komen te staan. Met [verzoeker] is de rechtbank van oordeel dat het een ernstig feit is dat [verweerder] tijdens het getuigenverhoor een onjuist beeld heeft geschetst over het eerste contact met [naam 1] . Dit betekent echter niet dat de verklaring van [verweerder] in geheel als ongeloofwaardig dient te worden beschouwd. De verklaring van [verweerder] tijdens het getuigenverhoor strookt met de schriftelijke verklaring zoals hij deze eerder aan zijn verzekeraar heeft toegestuurd: “Aangezien wij ons bevonden op een weg met maar 1 baan, namelijk de [straat 1] in [plaats] , was het voor mij niet mogelijk om van rijbaan te wisselen. Wel heeft de combinatie van zijn foute inschatting (dat hij voor mij langs kon), samen met mijn verplaatsing (naar het linker gedeelte) op deze weg, geresulteerd in de botsing”. Deze lezing van de toedracht van het ongeval komt ook overeen met de verklaring van [naam 1] . Volgens zowel [verweerder] als [naam 1] was er sprake van een natuurlijke bocht naar links waardoor [verweerder] zich enigszins naar links verplaatste ten tijde van het ongeluk. [verzoeker] betwist deze gang van zaken maar de door hem gestelde toedracht van het ongeval, namelijk dat [verweerder] plotseling naar links uitweek waardoor [verzoeker] ten val kwam, wordt niet onderschreven door de overige getuigenverklaringen of bewijsmiddelenverklaringen. De rechtbank kent geen doorslaggevende betekenis toe aan de verklaring van [verzoeker] . Daarvoor is redengevend dat [verzoeker] partijgetuige is. Dit brengt met zich dat zijn verklaring alleen bewijs in zijn voordeel oplevert als sprake is van aanvulling van onvolledig bewijs. Uit de rechtspraak volgt dat het er daarbij op aankomt of er aanvullend bewijs voorhanden is, dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat het de verklaring van [verzoeker] als partijgetuige voldoende geloofwaardig maakt (HR 31 maart 1995, NJ 1997/592). Dat aanvullende bewijs is niet geleverd. De stelling van [verzoeker] dat zijn verklaring wordt ondersteund door het proces-verbaal van de politie als ook het feit dat [verweerder] het aanrijdingsformulier heeft ondertekend dat geheel in overeenstemming is met de door de politie omschreven toedracht volgt de rechtbank niet. Uit het aanrijdingsformulier volgt immers dat [verweerder] en [verzoeker] een andere zienswijze hebben over de toedracht van het ongeval. Tevens is het proces-verbaal niet ondertekend. De rechtbank volgt met het bovenstaande hetgeen ten verwere is aangevoerd door [verweerder] .

4.5.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval niet kan staven. De door [verzoeker] gestelde toedracht is dus niet komen vast te staan. Derhalve kunnen [verweerder sub 1 en 2 samen] niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade die [verzoeker] ten gevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden. Het verzoek van [verzoeker] zal dus worden afgewezen.

De kosten

4.6.

[verzoeker] heeft de rechtbank op grond van artikel 1019aa Rv verzocht om de kosten van dit deelgeschil te begroten conform zijn opgave en [verweerder sub 1 en 2 samen] in deze kosten te veroordelen. [verzoeker] begroot zijn totale kosten op € 3.801,63 en stelt dat zijn advocaat tot op heden en voor de toekomstige werkzaamheden 15,2 uren aan de onderhavige zaak zal besteden (inclusief het opstellen van het verzoekschrift in de deelgeschilprocedure) tegen het uurtarieven van € 195,-, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag van € 3.801,63 inclusief 6% kantoorkosten en inclusief de verschuldigde btw.

4.7.

[verweerder sub 1 en 2 samen] betwisten dat de door [verzoeker] gemaakte kosten voor begroting in aanmerking komen nu de advocaat van [verzoeker] had kunnen inschatten dat het door hem verzochte niet zou worden toegewezen in een deelgeschilprocedure. Voor zover de rechtbank overgaat tot begroting van de kosten verzetten [verweerder sub 1 en 2 samen] zich tegen de hoogte van het gevorderde bedrag. Hiertoe voeren [verweerder sub 1 en 2 samen] aan dat de kosten die [verzoeker] vordert niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, althans dat niet beoordeeld kan worden of ze voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets, omdat [verzoeker] geen declaraties in het geding heeft gebracht maar volstaat met een opsomming van de werkzaamheden van zijn advocaat. Als gevolg hiervan kan aldus [verweerder sub 1 en 2 samen] niet worden beoordeeld of de kosten redelijk zijn. Verder voeren [verweerder sub 1 en 2 samen] aan dat het om een vrij eenvoudige zaak gaat en dat de door [verzoeker] opgenomen begroting veel te ruim is. [verweerder sub 1 en 2 samen] voeren aan dat een bedrag van € 2.000,- inclusief BTW meer dan redelijk is.

4.8.

De rechtbank overweegt dat, ondanks de afwijzing van het verzoek, op de voet van artikel 1019aa Rv in beginsel begroting dient plaats te vinden van de kosten die [verzoeker] heeft gemaakt in het kader van de deelgeschilprocedure. Daarbij dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. De stelling van [verweerder sub 1 en 2 samen] dat de advocaat van [verzoeker] zich bij voorbaat had dienen te realiseren dat het door hem verzochte niet zou worden toegewezen, volgt de rechtbank niet. De rechtbank zal derhalve overgaan tot begroting van de kosten van de behandeling van het verzoek op de voet van artikel 1019aa Rv.

4.9.

Ten aanzien van de gestelde kosten van de advocaat van [verzoeker] overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] heeft geen specificatie van deze kosten in het geding gebracht. [verweerder sub 1 en 2 samen] hebben de redelijkheid van deze kosten in zijn algemeenheid betwist, maar hebben geen concrete bezwaren gemaakt tegen het door [verzoeker] gestelde aantal bestede uren en het gehanteerde uurtarief, met dien verstande dat [verweerder sub 1 en 2 samen] aanvoeren dat de verzoekschriften voor het onderhavige deelgeschil en het voorlopig getuigenverhoor inhoudelijk nauwelijks van elkaar verschillen. Gelet op het voorgaande en de omvang van het dossier acht de rechtbank het aantal in rekening gebrachte uren redelijk. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding het gehanteerde uurtarief te matigen. Aldus zal de rechtbank het bedrag dat in redelijkheid ten laste van [verweerder sub 1 en 2 samen] dient te komen begroten op € 3.801,63 inclusief btw en kantoorkosten.

4.10.

Gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van [verweerder sub 1 en 2 samen] in deze zaak niet is vastgesteld, zal het verzoek van [verzoeker] om [verweerder sub 1 en 2 samen] te veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil samenhangende kosten worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 3.801,63 inclusief btw.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. van Eekeren, rechter, bijgestaan door mr. S. Lanting, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.