ECLI:NL:RBAMS:2017:4334 Rechtbank Amsterdam , 21-06-2017 / 13/845077-14

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845077-14 (Promis)

Datum uitspraak: 21 juni 2017

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen


[verdachte ]
,

geboren te [geboortegegevens] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Boerlage, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. den Haan, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2009 tot en met 20 december 2010 te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, althans in Nederland, een voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (van in totaal 49.254 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten genoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte (onder meer):

- een of meer geldbedragen van in totaal 49.254 euro, in elk geval enig geldbedrag, zijnde (onterecht) verstrekte uitkeringen Kinderopvangtoeslag ten name van [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] ontvangen op zijn, verdachtes, bankrekeningen

-een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer 49.254 euro, in elk geval enig geldbedrag, contant opgenomen van zijn, verdachtes, bankrekeningen en/of vervolgens afgegeven aan [medeverdachte 1] .

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Kinderopvangtoeslag

Om ouders in de gelegenheid te stellen om werk en zorg voor de kinderen te combineren is een inkomensafhankelijke regeling in het leven geroepen, te weten de Wet Kinderopvang (WKO). Deze wet voorziet in een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en beoogt de kwaliteit van kinderopvang te waarborgen. De WKO is op 1 januari 2005 van kracht geworden en is in 2006 opgenomen in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR). De WKO regelt onder andere de voorwaarden voor de opvang van kinderen in kinderdagverblijven en bij gastouders en het recht op kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

In het navolgende wordt uitgegaan van de WKO zoals deze luidde ten tijde van het ten laste gelegde.

Om in aanmerking te komen voor KOT moeten ouders aan onder meer de volgende voorwaarden voldoen:

- de KOT moet worden aangevraagd door (of namens) de ouder(s);

- het kind moet naar een geregistreerde kinderopvangorganisatie gaan;

- de ouders dienen te werken, of een traject naar werk te volgen;

- de hoogte van de toeslag is afhankelijk van het inkomen van de ouder(s);

- de hoogte van de toeslag is afhankelijk van het aantal opvanguren, het uurtarief en het soort opvang dat plaatsvindt.

De KOT werkt op basis van een maandelijks voorschot dat door de Belastingdienst wordt verstrekt. Het voorschot wordt berekend op basis van de inschatting van de kosten voor kinderopvang en het (gezamenlijke) inkomen van de ouder(s). De KOT kan ook met terugwerkende kracht worden aangevraagd. Nadat een aanvraag is ingediend, loopt deze het daarop volgende jaar automatisch door en hoeft er geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.

Bij de aanvrager ligt de verplichting om een wijziging van het inkomen of een wijziging in het aantal uren kinderopvang, door middel van een wijzigingsformulier aan de Belastingdienst door te geven. Tevens dient een aanvrager na afloop van een kalenderjaar gegevens door te geven aan de Belastingdienst waaruit onder meer blijkt hoeveel uren kinderopvang er dat kalenderjaar zijn genoten, waarna de KOT definitief wordt vastgesteld. Ter controle van deze definitieve vaststelling schrijft de Belastingdienst achteraf steekproefsgewijs aanvragers aan met het verzoek om de door hen daadwerkelijk gemaakte kinderopvangkosten te onderbouwen. Aanvragers moeten hiervoor een ingevuld antwoordformulier retourneren aan de Belastingdienst, met bijgevoegd een jaaropgave van de gemaakte kinderopvangkosten.

4.2

Start van het strafrechtelijke onderzoek

Tegelijkertijd met het strafrechtelijk onderzoek Triple X van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) Amsterdam werd door de FIOD Alkmaar een soortgelijk onderzoek gedraaid. Beide onderzoeken betroffen grootschalige fraude met onjuiste aanvragen en wijzigingen KOT. In het onderzoek van de FIOD Alkmaar is de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte 1] , ook wel bekend als [bijnaam] (fonetisch) (hierna: [medeverdachte 1] ), onderzocht en besloten deze over te dragen aan het onderzoek Triple X omdat meerdere aanvragen KOT voorkwamen in het onderzoek Triple X waarbij [medeverdachte 1] vermoedelijk was betrokken. Omdat het onderzoek Triple X moest worden beëindigd zodat die zaak destijds inhoudelijk kon worden behandeld en toen het onderzoek naar [medeverdachte 1] en de mogelijk door hem benaderde aanvragers nog niet was uitgevoerd, werd op 25 juni 2013 dit onderzoek, Triple Z, gestart.

Tijdens het onderzoek Triple Z kwam vervolgens naar voren dat bij de politie Amsterdam Zuidoost een onderzoek liep dat raakvlakken had met Triple Z. Er is toen besloten het dossier van de politie integraal over te nemen in het onderzoek Triple Z.

In het onderzoek Triple X zijn de onjuiste aanvragen KOT verzameld waar [medeverdachte 1] bij betrokken is. Dit is nader uitgewerkt in het onderzoek Triple Z. Van deze aanvragen is door de FIOD nagegaan of er daadwerkelijk sprake was van kinderopvang. In de meeste gevallen werd vastgesteld dat sprake was van ten onrechte aangevraagde KOT omdat er geen kinderopvang was genoten.

In het onderzoek Triple X zijn verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) in beeld gekomen aangezien hun bankrekeningnummers in aanvragen KOT stonden vermeld en op welke bankrekeningnummers de KOT vervolgens werd gestort. In het onderzoek Triple Z kwam naar voren dat er een relatie was tussen enerzijds [medeverdachte 1] en anderzijds [medeverdachte 2] en verdachte.

4.3

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Op grond van de inhoud van het dossier kan het tenlastegelegde feit worden bewezen. Verdachte kreeg grote geldbedragen afkomstig van de Belastingdienst op zijn rekening gestort die blijkens de omschrijvingen van die stortingen bedoeld waren voor aanvragers [naam 3] , [naam 2] en [naam 1] en KOT betroffen. Verdachte heeft deze geldbedragen vervolgens op verzoek van [medeverdachte 1] contant opgenomen en aan hem gegeven, en dus niet aan degene voor wie het geld was bedoeld. Verdachte heeft hiermee de aanmerkelijke kans aanvaard dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren. Ook is niet gebleken dat [medeverdachte 1] een plausibel verhaal aan verdachte heeft verteld waaruit verdachte kon afleiden dat het allemaal wel in orde was. Te meer nu het geld gedurende meerdere maanden zo snel mogelijk contant moest worden gemaakt. Dit alles had ertoe moeten leiden dat alle alarmbellen bij verdachte afgingen.

4.4

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij pleidooi, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Weliswaar heeft verdachte de feitelijke handelingen die zijn tenlastegelegd uitgevoerd, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat verdachte wist of moest vermoeden dat de geldbedragen, door de Belastingdienst op zijn rekening gestort, afkomstig waren uit een misdrijf. Dat deze geldbedragen vervolgens contant werden opgenomen en afgegeven aan [medeverdachte 1] maakt dit niet anders. Juist het feit dat de Belastingdienst de geldbedragen gedurende een langere periode op zijn rekening stortte maakt dat hij ervan uit kon gaan dat de geldbedragen uit legale bron kwamen. Dat verdachte de geldbedragen moest afstaan aan [medeverdachte 1] had wellicht vragen moeten oproepen, maar dat levert hoogstens verduistering op en geen witwassen. Verdachte heeft enkel een vriendendienst geleverd waarmee hij uit zichzelf is gestopt nadat hij uit de media had vernomen dat er fraude werd gepleegd met KOT.

4.5

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de daarin vermelde redengevende feiten en omstandigheden.1

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat onterecht aangevraagde KOT is uitgekeerd en gestort op de bankrekening van verdachte ten behoeve van de aanvragers [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] :

Op naam van [naam 1] is op 5 september 2010 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat haar kinderen, [kind 1] en [kind 2] , vanaf 1 januari 2010 opvang hebben genoten bij [opvang] .
2
Deze aanvraag heeft geresulteerd in een uitbetaling KOT van € 27.830,- op de rekening van verdachte op 20 oktober 2010.
3
Na navraag bleek dat de kinderen van [naam 1] geen opvang hadden genoten.
4
[naam 1] heeft verklaard dat zij geen aanvraag KOT heeft gedaan, haar kinderen geen opvang in 2010 hebben genoten, het rekeningnummer waar het geld op is gestort voor haar onbekend is en dat zij nooit KOT heeft ontvangen op haar bankrekening.
5
Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem had benaderd en hem heeft gevraagd of zijn bankrekening in de aanvraag KOT van [naam 1] mocht staan. Volgens [medeverdachte 1] kon de KOT niet op de rekening van [naam 1] worden gestort want zij kreeg een uitkering en wilde niet dat die zou worden gestopt. Verdachte sprak met [medeverdachte 1] af dat hij het geld contant zou opnemen en aan hem zou geven. Dit heeft hij ook gedaan. Hier heeft verdachte € 100,- voor gekregen.
6

Op naam van [naam 2] is op 6 mei 2010 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat haar kind vanaf 1 januari 2010 opvang heeft genoten bij [opvang] .
7
Deze aanvraag heeft geresulteerd in een uitbetaling KOT van in totaal € 2.472,- op de rekening van verdachte, welk bedrag in drie maandelijkse termijnen van

€ 824,- is gestort in de maanden juni, juli en augustus 2010.
8
Na navraag bleek dat het kind van [naam 2] daar geen opvang heeft genoten.
9
[naam 2] heeft verklaard dat haar kind geen opvang heeft genoten in 2010, zij verdachte niet kent en niet wist dat er KOT was aangevraagd op haar naam.
10
Verdachte is verhoord en heeft verklaard dat hij de KOT voor [naam 2] op zijn rekening heeft ontvangen, daarna contant heeft opgenomen en het aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Hier heeft verdachte wederom € 100,- voor gekregen.
11

Op naam van [naam 3] is op 7 oktober 2009 bij de Belastingdienst een aanvraag KOT binnengekomen inhoudende dat haar kind, [kind 3] , per 1 januari 2009 opvang heeft genoten bij de [opvang] .
12
Deze aanvraag heeft geresulteerd in een uitbetaling KOT van in totaal € 18.952,- op de rekening van verdachte, welk bedrag vanaf 20 oktober 2009 tot en met 20 oktober 2010 in één bedrag van € 9.064,- en in 12 maandelijkse termijnen van € 824,- is gestort.
13
Na navraag bleek dat het voornoemde kind geen opvang had genoten.
14
[naam 3] heeft verklaard dat zij in september 2009 is benaderd door een vrouw die haar in contact heeft gebracht met een man, genaamd [bijnaam] . Tevens heeft zij verklaard dat haar kind nooit naar de kinderopvang is geweest, dat zij het bankrekeningnummer op de aanvraag niet kent en dat zij van [bijnaam] geen contact op mocht nemen met de Belastingdienst. Van de ontvangen KOT heeft zij zelf € 1.250,- gekregen.
15
Verdachte is verhoord en heeft verklaard dat hij de KOT voor [naam 2] op zijn rekening heeft ontvangen, daarna contant heeft opgenomen en het aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Hier heeft verdachte eveneens € 100,- voor gekregen.
16
Deze gang van zaken is door [medeverdachte 1] ten aanzien van de KOT voor [naam 3] onderschreven.
17

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Verdachte heeft immers maanden lang zijn bankrekening ter beschikking gesteld voor het ontvangen van KOT op naam van personen die verdachte zelf niet kende.18 Uit de omschrijvingen van de Belastingdienst bij de stortingen op de rekening van verdachte is duidelijk gebleken dat de geldbedragen waren bedoeld voor anderen dan [medeverdachte 1] en dat het uitkeringen KOT betroffen.19 Vervolgens heeft verdachte deze geldbedragen vrijwel direct na storting contant opgenomen waardoor het geld aan het zicht van de overheid werd onttrokken, waarna verdachte de geldbedragen aan [medeverdachte 1] heeft gegeven, terwijl hij wist dat [medeverdachte 1] niet degene was voor wie de KOT was bedoeld. Voor deze handelingen heeft verdachte € 100,- per aanvrager gekregen.20 De wetenschap van verdachte is uit deze handelingen – gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien – af te leiden. Verdachte verklaarde dat hij zijn rekening ter beschikking heeft gesteld nu tegen hem was gezegd dat de aanvragers de KOT niet op hun eigen rekening konden ontvangen vanwege de invloed daarvan op bijvoorbeeld een uitkering. Hieruit volgt des te meer dat verdachte de aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard dat er iets mis was met de geldbedragen die op zijn rekening werden gestort.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van de door hem ontvangen geldbedragen gedurende een lange periode.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 20 oktober 2009 tot en met 20 oktober 2010 te Amsterdam, voorwerpen, te weten geldbedragen van 49.254 euro heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte onder meer:

- geldbedragen van 49.254 euro, zijnde onterecht verstrekte uitkeringen Kinderopvangtoeslag ten name van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] ontvangen op zijn, verdachtes, bankrekeningen;

- geldbedragen van 49.254 euro, contant opgenomen van zijn, verdachtes, bankrekeningen en vervolgens afgegeven aan Imro [medeverdachte 1] .

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen. Bij het formuleren van deze eis is geen rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. De officier van justitie refereert zich voor wat betreft een eventuele strafkorting in dat kader aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht, bij een eventuele strafoplegging, met de volgende persoonlijke omstandigheden van verdachte rekening te houden. Verdachte heeft een ondergeschikte rol gehad bij het plegen van de fraude. Ook is de redelijke termijn met een jaar overschreden. Daarnaast heeft verdachte een blanco strafblad. Op grond van voornoemde punten is een voorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde. Mocht een straf worden opgelegd dan wordt verzocht een (deels voorwaardelijke) taakstraf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft een bedrag van

€ 49.254,- witgewassen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en kan een ontwrichtende werking hebben op de samenleving. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij geld van de overheid, bestemd voor de opvang van kinderen, hiervoor heeft gebruikt. Bovendien heeft hij door zo te handelen er aan meegewerkt dat diverse aanvragers in de financiële problemen gebracht, nu de ten onrechte uitgekeerde KOT bij deze aanvragers wordt teruggevorderd en niet bij verdachte.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat en de duur daarvan rekening gehouden met de ondergeschikte rol die verdachte hierbij heeft gehad en de hoogte van het benadelingsbedrag van iets minder dan € 50.000,-. De rechtbank heeft als uitgangspunt bij het bepalen van de straf ook acht geslagen op de oriëntatiepunten die zijn vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte voor het eerst als verdachte is verhoord als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 26 mei 2014. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 21 juni 2017 – ligt een periode die de redelijke termijn met één jaar overschrijdt. Deze overschrijding is niet te wijten aan enig handelen van de verdediging. Hierdoor zal de rechtbank de straf overeenkomstig vaste jurisprudentie matigen.

De rechtbank zal verder rekening houden met het strafblad van 6 april 2017 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een straf zoals hierna te noemen, passend en geboden is.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte ], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. A. Eichperger en M.M. Helmers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.S. Janse van Mantgem en R.J.E. Berfelo, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juni 2017.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1
De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina’s in de dossiers.
2
Aanvraag [naam 1] , ZD [verdachte ] , A-143-D-01 (pag. 62).
3
Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2014, ZD [verdachte ] , A-226-AH-2b (pag. 331).
4
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] van 22 februari 2011, ZD [verdachte ] , G-21 (pag. 384) & ZD [verdachte ] , D-033a (pag. 391).
5
Proces-verbaal verhoor [naam 1] , ZD [verdachte ] , A-143-V01 (pag. 55 en 59).
6
Proces-verbaal verhoor [verdachte ] , ZD [verdachte ] , A-226A-V-01 (pag. 131-133).
7
Aanvraag [naam 2] , ZD [verdachte ] , A-164-D-01 (pag. 85).
8
Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2014, ZD [verdachte ] , A-226-AH-2b (pag. 336).
9
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] van 22 februari 2011, ZD [verdachte ] , G-21 (pag. 384) & ZD [verdachte ] , D-033a (pag. 391).
10
Proces verbaal verhoor [naam 2] , ZD [verdachte ] , A-164-V-01 (pag 79-82).
11
Proces-verbaal verhoor [verdachte ] , ZD [verdachte ] , A-226A-V-01 (pag 135-136).
12
Aanvraag [naam 3] , ZD [verdachte ] , A-223-D-10 (pag 152).
13
Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2014, ZD [verdachte ] , A-226-AH-2b (pag 334-337).
14
Proces-verbaal van ambtshandeling van 13 februari 2012, ZD [medeverdachte 2] , ordner 2: AH-042B (pag 468).
15
Proces-verbaal verhoor [naam 3] , ZD [verdachte ] , A-223-V-02 (pag 116-117).
16
Proces-verbaal verhoor [verdachte ] , ZD [verdachte ] , A-226A-V-01 (pag 134).
17
Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris, d.d. 19 april 2016 en proces-verbaal van getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 29 april 2016.
18
Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte ] .
19
Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2014, ZD [verdachte ] , A-226-AH-2b, (pag) 331 en 334-337).
20
Proces-verbaal ter terechtzitting van 7 juni 2017, inhoudende de verklaring van verdachte [verdachte ] .