ECLI:NL:RBAMS:2017:4659 Rechtbank Amsterdam , 05-07-2017 / C/13/627096 / FA RK 17-2332

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/607323/FA RK 16-2927 en C/13/627096 / FA RK 17-2332 (LH/SM)

Beschikking van 5 juli 2017 betreffende de echtscheiding en de verdeling van de gemeenschap van goederen

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [plaats] ,

verzoekende tevens verwerende partij,

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. T.P. Schut te Amsterdam,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [plaats] ,

verwerende tevens verzoekende partij,

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.R. Feddema te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Bij beschikking van deze rechtbank van 14 december 2016 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de behandeling met betrekking tot de nevenvoorzieningen aangehouden. De inhoud van deze beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de na de beschikking van 14 december 2016 ingekomen stukken, zijnde:

- het F9-formulier met bijlage van de zijde van de vrouw van 4 mei 2017.

- het F9-formulier met bijlagen van de zijde van de man van 4 juni 2017.

1.3.

De zaak met rekestnummer C/13/627096/ FA RK 17-2332 is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 6 juni 2017. Gehoord zijn: partijen en hun advocaten.

2 De verzoeken en verweren

2.1.

De man verzoekt de rechtbank – na wijziging van zijn aanvankelijke verzoek –de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen:

aan de vrouw wordt toebedeeld:

- 1000 zilveren munten;

- de auto;

- de motorscooter;

- de sieraden;

- het saldo op de spaarrekening;

- € 2.500,-- aan contant geld.

aan de man wordt toebedeeld:

- het restant van de opbrengst van de boot ad € 453,--;

- 200 zilveren munten.

Voorts verzoekt de man te bepalen dat de vrouw vanwege overbedeling een bedrag van

€ 22.023,50, minus de helft van de kosten die zij heeft voldaan, zijnde een bedrag van

€ 21.553,50, aan de hem dient te voldoen.

2.2.

De vrouw verzoekt de rechtbank om de verdeling van (een deel van) de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap als volgt vast te stellen:

aan de man worden toegescheiden:

- de boot c.q. de opbrengst van de boot;

- 2000 zilveren munten;

- de Rolex.

aan de vrouw worden toe gescheiden:

- het saldo op de spaarrekening;

- de auto.

Voorts verzoekt de vrouw te bepalen dat de man aan de vrouw wegens overbedeling en verrekening een bedrag van € 14.500,-- en € 470,-- voldoet.

3 De beoordeling

Peildatum omvang van de gemeenschap van goederen

3.1.1. De man heeft op 22 april 2016 bij de rechtbank een echtscheidingsverzoekschrift ingediend.

3.1.2. De peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap is dan ook 22 april 2016, het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift.

Peildatum van de waarde van de huwelijksgemeenschap

3.1.3. Bij het vaststellen van de peildatum voor de waarde van de tot de huwelijksgemeenschap behorende goederen geldt als hoofdregel de waarde ten tijde van de (feitelijke) verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden. Indien niet is gesteld of gebleken dat partijen een andere datum zijn overeengekomen, dan wel dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden, zal de rechtbank derhalve de waarde op het tijdstip van de (feitelijke) verdeling hanteren.

3.1.4. De peildatum voor de waardering van schulden en vorderingen (waaronder saldi op bankrekeningen) is echter de datum van ontbinding van de gemeenschap, zijnde 22 april 2016. Dit uitgangspunt betekent dat inkomsten, aflossingen en stortingen gedaan vóór deze datum worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Deze lossen dus op in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum. Ook betekent dit uitgangspunt dat inkomsten, aflossingen en betalingen gedaan ná 22 april 2016, voor zover deze geen verband houden met goederen welke na de peildatum nog altijd gezamenlijk eigendom zijn van partijen, buiten het bestek van deze procedure vallen.

De omvang van de gemeenschap

3.1.5. Partijen zijn het er over eens dat de volgende bestanddelen op de peildatum in de gemeenschap vielen:

- de echtelijke woning aan de [straat] te [plaats] ;

- de inboedel en zeefdrukken;

- de auto van het merk Dacia Duster met [kenteken] ;

- de boot;

- zilveren munten;

- saldo op de spaarrekening op de peildatum ad € 6.500,--.

3.1.6. Partijen zijn het er niet over eens de navolgende goederen deel uitmaken van de tussen hen bestaande gemeenschap van goederen.

- de zeefdrukken;

- de Rolex;

- de gouden sieraden;

- € 2.500,-- aan contact geld;

- scooter.

De rechtbank zal hier dan ook in het hierna volgende een beslissing over nemen.

Echtelijke woning

3.1.7. De echtelijke woning is inmiddels verkocht aan een derde. Gelet op het feit dat de echtelijke woning van partijen reeds is verkocht en geleverd, behoefte de rechtbank geen beslissing meer te nemen ten aanzien van verkoop van de echtelijke woning. De rechtbank gaat er vanuit dat partijen de eventuele overwaarde, na aftrek van de hypotheek en de kosten van de verkoop gelijkelijk zullen verdelen.

3.1.8. De man stelt over de periode maart 2016 tot 13 september 2016 de hypotheeklast van de echtelijke woning alleen te hebben gedragen en verzoekt de rechtbank te bepalen dat deze kosten zijnde een bedrag van € 3.046,15 tussen partijen worden gedeeld.

3.1.9. Ten aanzien van de kosten die de man voldaan heeft vóór de peildatum, merkt de rechtbank op dat deze – voor zover gedaan vóór de peildatum – worden geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap. Deze lossen dus op in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum.

3.1.10. Ten aanzien van de kosten die de man na de peildatum heeft voldaan, overweegt de rechtbank als volgt. Nu de door de man gevorderde kosten over de periode vanaf 22 april 2016 tot 13 september 2016 verband houden met de aan partijen in gemeenschappelijk eigendom toebehorende woning, is de rechtbank van oordeel dat voornoemde vordering van de man aan de orde kan komen in het kader van de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen. De kosten verbonden aan een dergelijk gemeenschappelijk eigendom dienen, ook na de peildatum, in beginsel door partijen naar evenredigheid te worden gedragen en het ligt dan ook voor de hand bij de vaststelling van de (wijze van) verdeling rekening te houden met dergelijke, tussen deelgenoten te verrekenen vordering. Nu de vrouw niet heeft betwist dat de man de hypotheek van de echtelijke woning in de periode vanaf 22 april 2016 tot 13 september 2016 alleen heeft gedragen, heeft de man uit dien hoofde in beginsel een aanspraak op de vrouw als mededeelgenoot ter hoogte van de helft van de door hem betaalde (netto) hypotheekrente vanaf 22 april 2016. De rechtbank zal het verzoek van de man ten aanzien van de door hem betaalde hypotheekrente over de periode van 22 april 2016 tot 13 september 2016 dan ook toewijzen.

Inboedel en zeefdrukken

3.1.11. Partijen zijn het er over eens dat zij de inboedel van de echtelijke woning in onderling overleg hebben verdeeld. De rechtbank behoeft op dit punt dan ook geen beslissing meer te nemen.

3.1.12. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen de zeefdrukken eerder reeds in onderling overleg hadden verdeeld. De vrouw stelt echter dat de man een tweetal zeefdrukken heeft achtergehouden in verband met verrekening van door hem gemaakte kosten. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven inderdaad twee zeefdrukken te hebben achtergehouden en hij heeft opgemerkt dat hij deze twee zeefdrukken heeft verkocht. Later stelt hij één zeefdruk weer te hebben teruggekocht. De man stelt de opbrengst van de zeefdrukken te hebben gebruikt om de schade aan en deur van de echtelijke woning te kunnen betalen. De vrouw heeft niet weersproken dat de man de twee achtergehouden zeefdrukken heeft verkocht. De vrouw verzoekt de twee door de man achtergehouden zeefdrukken aan haar toe te bedelen.

3.1.13. Nu partijen hebben nagelaten aan te tonen wanneer de man de zeefdrukken heeft verkocht en wanneer hij de schade aan de deur van de echtelijke woning heeft laten herstellen, gaat de rechtbank er vanuit dat dit alles reeds vóór de peildatum is gebeurd. Het één en ander wordt dan ook geacht te zijn ontvangen ten bate van de gemeenschap of te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap en te zijn opgelost in de tussen partijen te verdelen gemeenschap van goederen. De rechtbank zal op dit punt dan ook geen beslissing nemen.

De auto van het merk Dacia Duster met [kenteken]

3.1.14. Partijen zijn het er over eens dat de auto aan de vrouw moet worden toebedeeld. De man stelt dat de waarde op de peildatum € 14.000,-- bedroeg, nu partijen de auto op 16 december 2015 hebben aangeschaft voor een bedrag van € 13.000,--. De vrouw stelt dat de waarde van de auto op de peildatum € 10.000,-- bedroeg.

3.1.15. De rechtbank acht het redelijk de voornoemde auto aan de vrouw toe te bedelen voor een waarde van € 12.000,--, nu partijen deze auto in december 2015 voor een bedrag van

€ 13.000,-- hebben aangeschaft, onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van

€ 6.000,-- aan de man te voldoen.

Scooter

3.1.16. Partijen zijn het er over eens dat de scooter eigendom is van hun zoon, zodat deze geen onderdeel uitmaakt van de tussen partijen te verdelen gemeenschap van goederen en de rechtbank ten aanzien van deze scooter geen beslissing meer behoeft te nemen.

Boot

3.1.17. De boot is verkocht aan een derde voor een bedrag van € 3.500,--. Nu partijen overeen zijn gekomen dat zij de opbrengst van de boot bij helfte zullen verdelen, zal de rechtbank dit vastleggen in het dictum van deze beschikking.

De zilveren munten

3.1.18. De vrouw stelt dat partijen tijdens hun huwelijk 2000 zilveren munten bezaten met een waarde van in totaal € 35.000,--. De man betwist dit en stelt dat partijen slechts 1200 zilveren munten bezaten, welke per stuk € 17,50 waard waren. Voorts stelt de man dat de vrouw bij haar vertrek uit de echtelijke woning, ver voor de peildatum, 1000 munten heeft meegenomen uit de kluis van partijen. De vrouw betwist op haar beurt dat zij munten uit de kluis heeft meegenomen.

3.1.19. Tussen partijen staat vast dat er op de peildatum in ieder geval nog 200 zilveren munten in de kluis aanwezig waren, die een waarde vertegenwoordigden van € 17,50 per stuk, zijnde een totale waarde van € 3.500,--. Met betrekking tot de overige 1000 munten, waarover partijen het eens zijn dat deze er ten tijde van hun huwelijk waren, merkt de rechtbank op dat niet is komen vast te staan dat deze munten op de peildatum nog onderdeel uitmaakten van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De rechtbank kan deze 1000 munten dan ook niet tussen partijen verdelen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de 200 zilveren munten, welke thans nog bij de man zijn, aan de man worden toebedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw de helft van de waarde aan de vrouw te vergoeden, zijnde een bedrag van € 1.750,--.

Contact geld

3.1.20. De man stelt dat de vrouw bij haar vertrek uit de echtelijke woning (vóór de peildatum) een bedrag van € 2.500,-- aan contact geld heeft meegenomen uit de kluis. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat voornoemd bedrag aan de vrouw worden toebedeeld en te bepalen dat zij gehouden is de helfte van dit bedrag aan hem te voldoen. De vrouw betwist dat zij een bedrag van € 2.500,-- aan contact geld heeft meegenomen, maar stelt wel wat geld uit de kluis te hebben weggepakt om boodschappen te kunnen doen.

3.1.21. Nu niet is komen vast te staan dat er op de peildatum nog een bedrag aan contact geld in de kluis in de woning van partijen aanwezig was en nog onderdeel uit maakte van de tussen partijen te verdelen gemeenschap van goederen, kan de rechtbank geen beslissing nemen ten aanzien van het contact geld van partijen. Het verzoek daartoe zal dan ook worden afgewezen.

Sieraden

3.1.22. De man stelt dat partijen op de peildatum sieraden bezaten voor een bedrag van

€ 6.000,--, en dat de vrouw deze bij haar vertrek uit de echtelijke woning mee heeft genomen. Hij verzoekt de rechtbank te bepalen dat de sieraden aan de vrouw worden toebedeeld en te bepalen dat zij gehouden is de helfte van voornoemde waarde aan hem te voldoen. De vrouw stelt dat zij slechts de sieraden die zij op de dag van haar vertrek uit de woning om had heeft meegenomen. De overige sieraden zijn volgens de vrouw in de echtelijke woning achtergebleven.

3.1.23. Nu de rechtbank met de door partijen verstrekte informatie met betrekking tot de sieraden niet kan vaststellen welke sieraden op de peildatum nog onderdeel uit maakten van de te verdelen gemeenschap van goederen en wat de waarde was van deze sieraden, zal de rechtbank het verzoek van de man ten aanzien van de sieraden afwijzen.

Rolex

3.1.24. De vrouw stelt dat de man op de peildatum in het bezit was van een Rolex horloge, welk horloge een waarde vertegenwoordigde van € 7.000,--. Zij verzoekt de rechtbank het Rolex horloge aan de man toe te bedelen, onder de verplichting de helft van de waarde aan haar te voldoen. De man betwist dat hij op de peildatum in het bezit was van een Rolex.

3.1.25. Nu naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet is komen vast te staan dat de man op de peildatum in het bezit was van een Rolex, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.

Saldo op de spaarrekening van partijen

3.1.26. Partijen zijn het er over eens dat er op de peildatum een saldo van € 6.500,-- op hun spaarrekening stond. De rechtbank zal dan ook beslissen dat partijen gehouden zijn het saldo dat op de peildatum op de spaarrekening stond bij helfte te delen.

Vergoedingsrechten

3.1.27. De vrouw stelt de volgende gemeenschappelijke kosten te hebben betaald die bij helfte

moeten worden verdeeld en die derhalve voor verrekening in aanmerking komen: eindnota

energie: € 800,--, KPN: € 100,--, Zilverenkruis € 40,--.

3.1.28. Nu de vrouw niet nader heeft gespecificeerd wanneer de voornoemde kosten door haar zijn voldaan en of deze kosten zagen op de periode vóór of na de peildatum, kan de rechtbank niet beoordelen of de vrouw nog recht heeft op regres jegens de man of dat deze betalingen worden geacht te zijn gedaan ten laste van de gemeenschap en dus op zijn gelost in de te verdelen gemeenschap van goederen per peildatum. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de voornoemde gemeenschappelijke kosten dan ook afwijzen.

De rechtbank merkt hierbij echter, wellicht ten overvloede, op dat de man in beginsel wel gehouden is de kosten die de vrouw na de peildatum namens de man heeft voldaan, welke verband houden met gezamenlijk eigendom van partijen, bij helfte te voldoen.

3.1.29. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank:

- bepaalt in het kader van de wijze van verdeling van de gemeenschap van goederen dat:

-

de auto van het merk Dacia Duster met [kenteken] aan de vrouw wordt toebedeeld voor een waarde van € 12.000,--, onder de verplichting van de vrouw om een bedrag van € 6.000,-- aan de man te voldoen;

-

partijen de opbrengst van de boot, zijnde een bedrag van € 3.500,--, bij helfte zullen verdelen;

-

de 200 zilveren munten, welke thans nog bij de man zijn, aan de man worden toebedeeld, onder de verplichting om aan de vrouw de helft van de totale waarde van

€ 1.750,-- te vergoeden;

 partijen het saldo dat op de peildatum op hun spaarrekening stond, zijnde een bedrag van € 6.500,--, bij helfte dienen te delen;

- veroordeelt de vrouw om aan de man de helft van de hypotheeklast, over de periode vanaf 22 april 2016 tot 13 september 2016, te voldoen;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte.

- Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. L. van der Heijden, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.A. Marchal, griffier, op 5 juli 2017.1

Voetnoten

1
Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.