ECLI:NL:RBAMS:2017:4682 Rechtbank Amsterdam , 04-07-2017 / AMS 16/5285

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/5285

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2017 in de zaak tussen


[de man] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. C.J. Koenen),

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M.E.R. Derby-Vink en [2e gemachtigde] ).

Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een ligplaatsvergunning op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 (VOB) afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. Eiser is verschenen, samen met [de persoon] en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser heeft op 2 december 2014 een appartementsrecht verkregen van een waterkavel, [kavel] (de kavel), die deel uitmaakt van een waterperceel dat is gelegen aan de [straat] in Amsterdam. Deze kavel is in erfpacht uitgegeven.

1.2.

Op 5 mei 2015 is eiser de eigenaar geworden van het zelfstandig varende woonschip [naam boot] ). De [boot] is 33,89 meter lang, 5,06 meter breed en 3,38 meter hoog. Eiser heeft op 31 maart 2015 ten behoeve van de [boot] een ligplaatsvergunning aangevraagd voor de kavel.

Standpunten van partijen

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de aanvraag is voorgelegd aan de Commissie voor Welstand en Monumenten (de commissie) en dat gebleken is dat de [boot] niet voldoet aan de voor de locatie geldende criteria. Verder is de aanvraag volgens verweerder in strijd met artikel 21.2.1 en artikel 37.2 van de planregels bij het volgens verweerder ter plaatse geldende bestemmingsplan “IJburg 1e fase”.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

4. Eiser heeft als eerste aangevoerd dat de VOB niet van toepassing is op de kavel, omdat het water waar de kavel deel van uitmaakt geen openbaar water is. Er is daarom geen ligplaatsvergunning vereist. Eiser had daarom geen ligplaatsvergunning hoeven aan te vragen. Subsidiair heeft eiser – kort samengevat – aangevoerd dat de aanvraag ten onrechte is getoetst aan de algemene welstandscriteria uit de welstandsnota “De Schoonheid van Amsterdam 2013” (de welstandsnota). Het advies van de commissie is ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het bestreden besluit is in strijd met de rechtszekerheid en het motiveringsbeginsel. Tot slot is niet gebleken dat verweerder bij het bestreden besluit naast de welstandsaspecten ook andere belangen heeft meegewogen.

Het wettelijk kader

5.1.

In artikel 1.1.1, sub b, van de VOB is bepaald – voor zover hier van belang – dat onder binnenwater wordt verstaan al het openbare water.

5.2.

In artikel 1.1.1, sub g, van de VOB is bepaald dat onder openbaar water wordt verstaan alle wateren die al of niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.

5.3.

In artikel 1.1.2, eerste lid, van de VOB is bepaald dat deze verordening van toepassing is op het binnenwater.

6. In de toelichting op artikel 1.1.1, sub g, van de VOB is beschreven dat het begrip “openbaar’’ hier geen bijzondere juridische betekenis heeft, zoals dat wel voor openbare wegen geldt. Openbaar water wordt hier in feitelijke zin gebruikt en omvat al het water dat voor het publiek toegankelijk is of voor enig gebruik open staat voor vervoer over water. Water dat aan een andere eigenaar dan de gemeente behoort of is verhuurd, maar dat feitelijk wel door de scheepvaart wordt gebruikt, blijft openbaar. De openbaarheid kan worden opgeheven of beperkt indien de eigenaar de toegankelijkheid door feitelijke maatregelen verhindert of beperkt.

Is de VOB van toepassing op de kavel ?

7. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de VOB ter plaatse van de kavel van toepassing is. Daarvoor moet beoordeeld worden of ter plaatse van de kavel sprake is van openbaar water zoals bedoeld in de VOB. Hierbij vindt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

8.1.

In de overgelegde akte ‘uitgifte in erfpacht’ van 2 december 2014, waarbij de kavel in erfpacht is uitgegeven, zijn algemene en bijzondere bepalingen opgenomen. Bepaling 9 (pagina 6) luidt: “erfpachter is verplicht tezamen met de andere erfpachters van een appartementsrecht waterperceel, het gemeenschappelijke waterperceel (…) van het openbaar water af te scheiden en afgescheiden te houden, met een zogenaamde drijfbalk of boeienlijn, of soortgelijk drijvende voorwerp. (…)”

Bepaling 11 luidt: “de erfpachters zijn verplicht de toegang tot de appartementsrechten op de scheidslijn van openbare ruimte en steiger op de juiste wijze te markeren als Eigen weg. (…)”

8.2.

Door eiser is tijdens de zitting – onbetwist – toegelicht dat ter plaatse van het waterperceel, waar eisers kavel deel van uitmaakt, conform de bepaling uit de erfpachtakte een boeienrij is bevestigd, ter afscheiding van de kavel van het openbaar water. Verder zijn een golfbreker en betonning aangebracht. Eiser heeft over deze aangebrachte afscheidingen contact gehad met een inspecteur handhaving van Rijkswaterstaat. De inspecteur heeft per e-mailbericht van 20 april 2017 aan eiser bevestigd dat “Rijkswaterstaat akkoord is met de huidige afscherming van de ligplaatsen, het is duidelijk genoeg dat dit geen openbaar water is.” Daarbij is door de desbetreffende inspecteur handhaving aangegeven dat “de golfbreker, de gele betonning in combinatie met de vaargeulbetonning de vaarweggebruikers voldoende duidelijkheid geven dat dit geen vaargebied is.”

9. De rechtbank overweegt dat alle ter plaatse getroffen maatregelen er op zijn gericht om het water waar de kavel bij hoort, aan de openbaarheid te onttrekken. Uit de bepalingen van de akte tot uitgifte erfpacht volgt bovendien dat eiser ook de verplichting heeft om de kavel van het openbaar water af te scheiden. De rechtbank is van oordeel dat met deze getroffen maatregelen het water behorende bij de kavel niet voldoet aan de definitie van openbaar water zoals omschreven in artikel 1.1.1, sub g, van de VOB. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan de vaststelling door Rijkswaterstaat dat de getroffen maatregelen kennelijk zodanig zijn, dat hiermee volgens Rijkswaterstaat duidelijk genoeg is dat het geen openbaar water betreft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat overeenkomstig de toelichting op artikel 1.1.1, sub g, van de VOB, de getroffen maatregelen ter plaatse van de kavel zodanig zijn dat daarmee feitelijk de toegankelijkheid voor scheepvaart wordt verhinderd. Hierdoor is de openbaarheid van de kavel opgeheven.

Conclusie en slotoverwegingen

10. Nu het water ter plaatse van de kavel geen openbaar water is, is de VOB op de kavel niet van toepassing. Dat betekent dat geen ligplaatsvergunning nodig is en dat verweerder niet bevoegd was om op de aanvraag om ligplaatsvergunning te beslissen. Gelet daarop heeft verweerder de aanvraag om een ligplaatsvergunning ten onrechte afgewezen. Dit betoog van eiser slaagt. Gelet hierop hoeven de overige beroepsgronden van eiser geen bespreking meer.

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

12. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, voorzitter, en mr. A.W.C.M. van Emmerik en mr. M.C.M. Hamer, leden, in aanwezigheid van mr. L.M.M. Schenk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. .