ECLI:NL:RBDHA:2017:4536 Rechtbank Den Haag , 26-04-2017 / AWB 17/2394

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/2394

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 april 2017 in de zaak tussen


[naam], eiser,

gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Schut.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 16 januari 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens was aanwezig [naam] (hierna: referente), en Z. Haile, tolk in de taal Tigrinya. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Eritrese nationaliteit. Bij besluit van 22 juni 2015 heeft verweerder aan referente, de gestelde echtgenote van eiser, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 30 april 2015 en geldig tot 30 april 2020. Op 16 juli 2015 heeft referente namens eiser een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis ingediend. Bij besluit van 5 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu eiser alleen een kerkelijke huwelijksakte heeft overgelegd, er geen sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Eiser en referente moeten daarom aannemelijk maken dat er tussen hen sprake is van een duurzame, exclusieve relatie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat zij daar niet in zijn geslaagd, gelet op de tegenstrijdige verklaringen die zij hebben afgelegd.

3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

4. Niet in geschil is dat er uitsluitend een religieuze akte van het huwelijk tussen eiser en referente is overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er sprake is van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Verweerder heeft daartoe terecht verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Eritrea van de minister van Buitenlandse Zaken van 6 februari 2017, bladzijdes 19 en 25, waaruit blijkt dat religieuze aktes door de Eritrese autoriteiten niet worden erkend als officiële huwelijksaktes. Wel worden ze gebruikt als brondocumenten om een huwelijk te laten registreren bij de burgerlijke stand (de familieregisters van de Kebabi-overheden). Gelet op het voorgaande kan eiser niet gevolgd worden in zijn stelling dat verweerders standpunt geen steun in het recht vindt. Eisers beroep op bewijsnood kan evenmin tot een ander oordeel leiden, reeds omdat dat niet nader is onderbouwd.

5. Vervolgens staat ter beoordeling of eiser en referente aannemelijk hebben gemaakt dat er tussen hen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser en referente tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Allereerst hebben zij tegenstrijdig verklaard over de verblijfplaats van referente na het vertrek van eiser uit Eritrea. Referente heeft tijdens haar asielprocedure verklaard dat zij heen en weer ging tussen het huis van haar ouders en dat van haar schoonouders, terwijl in haar brief van 7 januari 2016 is vermeld dat referente alleen bij haar schoonouders verbleef. Eiser heeft verklaard dat referente na zijn vertrek naar haar ouders is teruggekeerd. De stelling van referente dat zij het sociaal wenselijke antwoord heeft gegeven, omdat het feit dat je bij je schoonouders woont betekent dat je huwelijk goed is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft in het verweerschrift terecht opgemerkt dat het, als deze stelling van eiseres gevolgd zou worden, vreemd is dat eiser verklaard heeft dat referente terug is gegaan naar haar ouders. Voorts hebben eiser en referente tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het aantal zussen en broers van referente. Eiser heeft verklaard dat referente drie zussen en één broer heeft. Referente heeft tijdens haar asielprocedure verklaard dat zij één zus heeft. Ter zitting is vastgesteld dat dit punt in correcties en aanvullingen op één van de gehoren niet is gecorrigeerd. Bovendien heeft referente ter zitting in afwijking van het voorgaande verklaard dat zij één broer en vijf zussen heeft. Tot slot hebben eiser en referente tegenstrijdig verklaard over hoe vaak zij contact met elkaar hadden nadat eiser uit Eritrea was vertrokken. Eiser heeft verklaard dat hij regelmatig - eens in de vier a zes weken - telefonisch contact met referente had, toen zij nog in Eritrea verbleef. Toen zij in Ethiopië was, spraken ze elkaar vaker, ongeveer drie keer per week. Referente heeft daarentegen verklaard dat zij eiser na zijn vertrek uit Eritrea niet vaak sprak, maar ongeveer één keer per jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is noch de vraagstelling, noch de verklaring van referente voor meerderlei uitleg vatbaar, zodat, anders dan eiser heeft betoogd, van een misverstand geen sprake kan zijn. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser en referente niet aannemelijk hebben gemaakt dat er tussen hen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: