ECLI:NL:RBDHA:2017:4802 Rechtbank Den Haag , 09-05-2017 / AWB 17/7907

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/7907

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 mei 2017 in de zaak tussen


[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. van Beers).

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2017. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 8 december 2016 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser ook asielaanvragen heeft ingediend op 8 juli 2014 in Italië en op 20 juli 2016 in Duitsland. Uit dactyloscopisch onderzoek in het kader van artikel 34 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is voorts gebleken dat eisers asielaanvraag in Duitsland op 21 september 2016 is afgewezen omdat Italië voor de behandeling daarvan verantwoordelijk was en al (fictief) met terugname van eiser had ingestemd. Gelet op deze bevindingen heeft verweerder op 24 januari 2017 een verzoek tot terugname ingediend bij de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Dublinverordening. Nu de Italiaanse autoriteiten niet binnen twee weken op dit verzoek hebben gereageerd, staat hun verantwoordelijkheid ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening sinds 8 februari 2017 vast (fictief akkoord).

2. Omdat Italië voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser verantwoordelijk is heeft verweerder deze bij het bestreden besluit niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Volgens eiser zijn er concrete aanwijzingen dat Italië jegens hem zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Derhalve dient verweerder volgens hem de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te houden. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een rapport van de Europese Commissie van 9 november 2016, getiteld ‘Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council and the Council, seventh report on relocation and resettlement’ (rapport van de EC). Hieruit blijkt volgens eiser dat Italië niet in staat is om zelfs maar de registratie te laten plaatsvinden van alle immigranten die daar aankomen en dat er een tekort is aan opvangplaatsen in de zogeheten ‘hotspots’ zodat eiser in Italië vrijwel zeker op straat zal belanden. Eiser stelt verder dat, zelfs als verweerder van mening is dat het rapport van de EC geen betrekking heeft op hem maar op relocatie en hervestiging, ervan uit moet worden gegaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen. Volgens eiser houdt Italië zich niet aan de voorschriften van de Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (Opvangrichtlijn). Ter onderbouwing verwijst hij naar de laatste update van het ‘Country Report: Italy’ van de Asylum Information Database (AIDA) van februari 2017. Volgens eiser blijkt voorts uit diverse bronnen dat de opvangcapaciteiten van Italië een limiet hebben bereikt en dat daardoor voor hem bij terugkeer naar dat land een situatie dreigt die in strijd is met artikel 3 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband verwijst hij naar een rapport van Artsen zonder Grenzen van maart 2016 getiteld ‘Out of Sight: Asylum seekers and refugees in Italy: informal settlements and social marginalization’ en een rapport van Human Rights Watch (HRW) over 2016 met als titel ‘World Report 2017 – European Union’. Volgens eiser is het aannemelijk dat alleen al door de hoeveelheid immigranten in Italië de onmenselijkheid van de opvang daar is toegenomen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 7 juni 2016 in de zaak Ghezelbash tegen Nederland (ECLI:EU:C:2016:409) benadrukt eiser verder dat Italië het terugnameverzoek niet heeft geaccepteerd maar dat enkel sprake is van een fictief akkoord en dat verweerder voorts niet heeft gereageerd op eisers vraag waarom Duitsland niet voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijk is. Volgens eiser overweegt verweerder voorts ten onrechte dat hij zich, indien hij in Italië in onacceptabele omstandigheden terecht komt, daarover in Italië zelf moet beklagen. In dit verband verwijst eiser naar het rapport ‘Aufnahmebedingungen in Italien: Zur aktuellen Situation von Asylsuchenden und Schutzberechtigten, insbesondere Dublin-Rückkehrenden in Italien’, van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH), van augustus 2016. Uit dit rapport blijkt volgens eiser -samengevat weergegeven- dat een asielzoeker in Italië zich vrijwel niet kan beklagen over strijd met de richtlijnen bij opvang en asielprocedure. Volgens eiser zijn de tekortkomingen met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure en de rechtshulp in zijn geval extra ernstig omdat hij medische klachten heeft die in Italië zullen verergeren omdat hij daar als uitgeprocedeerde asielzoeker geen recht heeft op opvang en medische zorg. Eiser verwijst in dit verband naar bij zijn zienswijze overgelegde medische stukken, waaruit blijkt dat hij ernstige maagklachten heeft. Volgens eiser heeft hij in Italië niet alleen door systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen te vrezen voor onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese (Handvest), maar er is daarnaast ook sprake van een reëel risico op refoulement. Eiser stelt dat hij een groot risico loopt om te worden uitgezet naar Mali, waar hij risico loopt op onmenselijke behandeling of ernstige schade. Dat er een fictief claimakkoord is maakt dit volgens eiser niet anders.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria niet verplicht. Uit paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) blijkt dat verweerder terughoudend gebruik maakt van deze bevoegdheid. Verweerder maakt van deze bevoegdheid gebruik in situaties waarin er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat er concrete, op zijn individuele zaak betrekking hebbende, feiten of omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn van deze bevoegdheid gebruik te maken.

4.2.

Het standpunt van eiser, onder verwijzing naar het arrest Ghezelbash, dat verweerder ten onrechte niet heeft gereageerd op zijn vraag waarom Duitsland niet voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijk is en dat het terugnameverzoek door Italië slechts fictief is goedgekeurd begrijpt de rechtbank aldus dat verweerder er volgens eiser op grond van het fictieve claimakkoord niet van uit mag gaan dat Italië zijn asielaanvraag in behandeling zal nemen. Dit standpunt slaagt niet. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening het niet tijdig beantwoorden van een claimverzoek gelijk staat met aanvaarding van het claimverzoek. Verweerder overweegt niet ten onrechte dat de autoriteiten van Italië met het fictieve claimakkoord hebben gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen. Mocht het asielverzoek van eiser in Italië al zijn afgewezen, zoals door hem wordt gesteld, dan leidt dit niet tot een ander oordeel. Uit artikel 19, derde lid, van de Dublinverordening, volgt immers dat de garantie van de verantwoordelijke lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen ook omvat dat die lidstaat de nodige maatregelen neemt en ten uitvoer legt om ervoor te zorgen dat de vreemdeling wiens verzoek om internationale bescherming is afgewezen die lidstaat verlaat.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het EHRM heeft in verschillende arresten (zie onder meer het arrest van 26 november 2015 in de zaak J.A. en anderen tegen Nederland, nr. 21459/14, en van 9 juni 2016 in de zaak S.M.H. tegen Nederland, nr. 5868/13) geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer bij uitspraak van 10 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2278) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

4.4.

Naar het oordeel van de rechtbank schetst de informatie in de door eiser aangehaalde rapporten, voor zover deze niet al zijn beoordeeld in de hierboven genoemde uitspraken, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Italië. De rapporten bevestigen dat sprake is van tekortkomingen, maar bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Italië op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De passage uit het rapport AIDA van februari 2017 waarnaar door eiser wordt verwezen ziet niet op alleenstaande mannen zoals eiser, maar op kwetsbare asielzoekers in de zin van het arrest van het EHRM van 4 november 2014 inzake Tarakhel (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712), meer in het bijzonder op gezinnen met minderjarige kinderen en zwangere vrouwen. Ten aanzien van het rapport van SFH van augustus 2016 is door de Afdeling bij uitspraak van 16 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:73) geoordeeld dat dit niet tot de conclusie leidt dat er in Italië een structureel gebrek bestaat aan adequate opvang van gezinnen met minderjarige kinderen, nu daarin geen concrete gevallen of aantallen zijn genoemd. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank in het onderhavige geval in dit rapport wel aanleiding zou moeten zien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. De stelling van eiser, onder verwijzing naar de rapporten van Artsen zonder Grenzen van maart 2016 en van HRW over 2016, dat Italië zich niet aan de voorschriften van de Opvangrichtlijn houdt en dat voor hem door een tekort aan opvangvoorzieningen in Italië een situatie dreigt die strijdig is met artikel 3 EVRM, slaagt evenmin. Dat hieruit volgt dat grote aantallen vluchtelingen naar Italië zijn gekomen is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van ernstige structurele tekortkomingen. Door in te stemmen met terugname van eiser geven Italiaanse autoriteiten te kennen dat zij zijn asielaanvraag in behandeling zullen nemen. Verweerder mag ervan uitgaan dat de Italiaanse autoriteiten daarbij de Opvangrichtlijn in acht zullen nemen. Dat eiser niet (of niet opnieuw) voor opvang in aanmerking zal komen, heeft hij met zijn enkele verwijzing naar voornoemde stukken niet aannemelijk gemaakt.

4.5.

Ook in de door eiser aangevoerde medische problemen heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding hoeven zien om de behandeling van zijn asielverzoek aan zich te trekken. Verweerder heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is om eiser medisch te behandelen, dat Italië dezelfde medische voorzieningen heeft als Nederland en dat Italië wordt geacht eventuele medische problemen te kunnen behandelen. Daarbij heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de Italiaanse autoriteiten, met eisers goedkeuring, van de medische problemen van eiser op de hoogte zullen worden gebracht. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser tijdens het gehoor van 10 december 2016 heeft verklaard dat hij in Italië eerder al in verband met zijn maagklachten behandeld is.

4.6.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen gebruik hoeven maken van de bevoegdheid om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser onverplicht aan zich te houden.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.