ECLI:NL:RBDHA:2017:5146 Rechtbank Den Haag , 15-05-2017 / AWB - 16 _ 26546

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/26546 MVV

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2017 in de zaak tussen


[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van de procedure Toegang en Verblijf (TEV) afgewezen.

Bij besluit van 8 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was ter zitting aanwezig [persoon] , referente.

Overwegingen

1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1974 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eiser beoogt verblijf bij zijn echtgenote (referente). Op 9 maart 2016 heeft referente ten behoeve van eiser een aanvraag ingediend tot afgifte van een mvv in het kader van de procedure TEV voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’.

2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens verweerder door referente niet aan het middelenvereiste wordt voldaan en niet is gebleken dat zij van het middelenvereiste moet worden vrijgesteld. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt volgens verweerder niet dat referente blijvend en volledig arbeidsongeschikt is en evenmin dat zij blijvend niet in staat is om aan de verplichting tot arbeidsinschakeling te voldoen. Verweerder heeft voorts geen reden gezien om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb van het middelenvereiste af te zien. Verder overweegt verweerder dat weigering om een mvv te verlenen geen schending oplevert van artikel 8 EVRM. Omdat verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk ongegrond acht heeft hij afgezien van horen in bezwaar.

3 Eiser heeft aan zijn beroep het volgende ten grondslag gelegd. Het beleid ten aanzien van ontheffing van het middelenvereiste op grond van arbeidsongeschiktheid is kennelijk onredelijk. Referente zal nooit aan het middelenvereiste kunnen voldoen, hetgeen blijkt uit het participatieplan en het arbeidsdeskundig onderzoek. Het bestreden besluit is voorts in strijd met artikel 8 EVRM. Tenslotte is het bezwaarschrift ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard en is sprake van schending van de hoorplicht, aldus eiser.

4 Ingevolge artikel 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a van het Vb 2000. In afwijking van het eerste lid van artikel 3.22. van het Vb 2000 wordt op grond van het tweede lid van dit artikel de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon, voor zover van belang, naar het oordeel van de Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.

Ingevolge paragraaf B7/2.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neemt verweerder blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent:

• een uitkering op grond van de Wet Wajong ontvangt of arbeid verricht in het kader van de Wsw; en

• aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet Wajong; en

• voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

• de referent is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en uit de toekenningsbeschikking en/of uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er geen kans is op herstel; of

• de referent is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en uit zowel de toekenningsbeschikking als uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er een geringe kans is op herstel.

5 De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

Niet in geschil is dat referente niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. In geschil is de vraag of referente van dit middelenvereiste moet worden vrijgesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daartoe kunnen overwegen dat uit het door eiser overgelegde arbeidsdeskundige rapport van 8 januari 2015 blijkt dat referente participatiemogelijkheden heeft en zij geschikt wordt geacht voor reguliere arbeid. Dat in het rapport ook staat dat haar theoretische verdiencapaciteit nihil is en zij niet in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, is onvoldoende om te concluderen dat referente blijvend (duurzaam) en volledig arbeidsongeschikt is. Daarbij is van belang dat geen andere stukken zijn overgelegd als bewijs voor de stelling dat referente desondanks volledig en blijvend arbeidsongeschikt is, zoals gelet op hetgeen in paragraaf B7/5 van de Vc 2000 omtrent bewijsmiddelen voor de vrijstellingsgronden voor het middelenvereiste is opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom terecht geconcludeerd dat er geen aanleiding is om eiser vrij te stellen van het middelenvereiste.

Verweerder mocht daarbij afgaan op de besluitvorming van het UWV en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aan de referente was om daartegen desgewenst rechtsmiddelen in te stellen.

Voor zover eiser een beroep doet op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 25 april 2016, zij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1164), waarin uitspraak is gedaan op het hoger beroep tegen voornoemde uitspraak. In de uitspraak van 26 april 2017 heeft de Afdeling het door verweerder gevoerde beleid als vastgelegd in paragraaf B7/2.1.1 als zodanig niet onredelijk genoemd.

5.2

Niet in geschil is dat tussen eiser en referente sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de weigering een mvv te verlenen geen strijd oplevert met het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op bescherming van het recht op familie- en gezinsleven. De rechtbank overweegt daartoe dat geen sprake is van inmenging als bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM, aangezien de weigering eiser verblijf hier te lande toe te staan er niet toe strekt een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven hier te lande in staat stelde.

Onder verwijzing naar de uitspraak Afdelingsuitspraak van 10 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO8060) overweegt de rechtbank dat zich niettemin zodanige feiten en omstandigheden kunnen voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven op de Nederlandse Staat een positieve verplichting rust om de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit in het kader van de te maken belangenafweging niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat

- nu niet wordt voldaan aan het middelenvereiste - in beginsel aan het belang van de Nederlandse samenleving overwegende betekenis wordt toegekend, ook indien dit zou betekenen dat van familie- of gezinsleven hier te lande zou moeten worden afgezien. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM kan worden afgeleid dat het gerechtvaardigd is om bij gezinshereniging de eis te stellen dat een referent in voldoende mate beschikt over zelfstandig en duurzaam inkomen, zodat een beroep op de publieke middelen wordt voorkomen. Verweerder heeft in dit verband kunnen stellen dat niet is gebleken van objectieve belemmeringen voor eiser en referente om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

5.3

Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt een bestuursorgaan conform een beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de psychosociale problemen van referente niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die ertoe nopen gebruik te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid. De rechtbank wijst er in dit kader op dat referente als gevolg van haar psychische en sociale problemen niet verschilt van andere personen die ook een beroep doen op de openbare kas en problemen ondervinden bij het voldoen aan de voorwaarden.

Hiervoor zij verwezen naar naar de Afdelingsuitspraak van 29 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4789) waaruit volgt dat de omstandigheid dat door onder meer medische omstandigheden een zekere afstand tot de arbeidsmarkt bestaat geen bijzondere omstandigheid vormt als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb nu deze omstandigheid moet worden geacht bij de totstandkoming van het in dit verband geldende beleid te zijn betrokken.

5.4

Ten aanzien van de stelling van eiser dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beschikking. Gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien.

6 Het beroep is ongegrond.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag (nadere informatie www.raadvanstate.nl).

Verder lezen