ECLI:NL:RBDHA:2017:5329 Rechtbank Den Haag , 17-05-2017 / C/09/516093 / HA ZA 16-923

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/516093 / HA ZA 16-923

Vonnis van 17 mei 2017

in de zaak van


[eiseres]
,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. C.A.D. Oomes te Son,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid & Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 28 juli 2016, met de producties 1-10;

-

de conclusie van antwoord, met de producties 1-7;

-

het tussenvonnis van 2 november 2016, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft gelast;

-

het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2017;

-

de akte inbreng producties van [eiseres] , met de producties 11-16;

-

de antwoordakte na comparitie van de Staat, met productie 8;

-

de akte uitlaten producties van [eiseres] .

1.2.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is de weduwe van [A] (hierna: [A] ), die op [datum] om het leven is gebracht. [A] en [eiseres] waren niet in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

Op 1 april 2011 respectievelijk 16 mei 2011 heeft de rechter-commissaris in het arrondissement ’s-Hertogenbosch machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (als bedoeld in artikel 126 lid 3 Wetboek van Strafrecht, hierna: Sr) ter bepaling van het door de verdachte [A] respectievelijk de verdachte [eiseres] wederrechtelijk verkregen financieel voordeel en de ontneming daarvan op grond van artikel 36e Sr.

2.3.

Op 24 mei 2011 heeft de politie bij [A] en [eiseres] een inval gedaan in hun echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] , waarbij [A] is aangehouden en op een groot aantal zaken beslag ex artikel 94a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gelegd.

2.4.

Hierbij is onder meer beslag gelegd op de volgende zaken: vijf dameshorloges aangetroffen in de kleedkamer van [eiseres] (Cartier type Santos 100 nr. 123073 mx, Cartier type Santos 100 nr. 790649ce, Cartier type Pascha de Cartier nr. 111811lx, Cartier type Pascha de Cartier nr. 124463lx en Audemars Piguet model Royal Oak Off Shore nr. g75728), twee armbanden (Cartier love bracelets witgoud en geelgoud) en een handtas (Dolce & Gabbana). Deze zaken worden hierna ook aangeduid als de kostbaarheden.

2.5.

[A] en [eiseres] zijn strafrechtelijk vervolgd; [eiseres] voor witwassen (artikel 420 bis/420 ter Sr). De strafzaak tegen [A] is, nadat hij is overleden, geëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank Oost-Brabant. [eiseres] is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 7 maart 2013 vrijgesproken van het haar ten laste gelegde.

2.6.

Op 13 april 2013 heeft [eiseres] een klaagschrift ingediend op grond van artikel 552a Sv over het uitblijven van een last tot teruggave van de in beslag genomen zaken (hierna: de eerste beklagzaak). Het klaagschrift vermeldt onder meer het volgende:

“Klaagster is belanghebbende (erfgenaam; waar nodig nog als wettelijke vertegenwoordiger van minderjarige kinderen; in voorkomend geval zelfs eigenaresse, zoals bij juwelen en auto’s) bij opheffing van dit beslag c.q. teruggave van het beslagene.”

2.7.

Bij notitie van 14 juni 2013 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in de eerste beklagzaak zich primair op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair dat de behandeling van het klaagschrift diende te worden aangehouden in afwachting van de uitspraak van de burgerlijke rechter op het verzoek om een vereffenaar te benoemen in de nalatenschap van [A] .

2.8.

Bij beschikking van 20 juni 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant, sector civiel recht, een vereffenaar benoemd in de nalatenschap van [A] (hierna: de vereffenaar).

2.9.

Bij beschikking van 21 juni 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant [eiseres] in de eerste beklagzaak niet-ontvankelijk verklaard, omdat naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend de vereffenaar een klaagschrift ex artikel 552a Sv kon indienen.

2.10.

Kort na deze beschikking heeft het OM opdracht gegeven om de kostbaarheden te overhandigen aan de vereffenaar.

2.11.

Bij brief van 12 augustus 2013 heeft [eiseres] bij de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant bezwaar gemaakt tegen de door de vereffenaar voorgenomen verkoop van de kostbaarheden.

2.12.

De vereffenaar heeft de kostbaarheden laten veilen. Daarbij is een opbrengst van

€ 48.905 is behaald. Van deze opbrengst heeft [eiseres] niets ontvangen.

2.13.

Bij arrest van 3 april 2014 heeft het gerechtshof het onder 2.5 bedoelde vonnis, waarin [eiseres] is vrijgesproken, bekrachtigd.

2.14.

Bij arrest van 27 mei 2014 heeft de Hoge Raad de in 2.9 bedoelde beschikking van de rechtbank in de eerste beklagzaak vernietigd omdat [eiseres] wel als belanghebbende diende te worden aangemerkt. De zaak is terugverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant.

2.15.

Bij klaagschrift van 24 juni 2014 heeft [eiseres] bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch verzocht de teruggave aan [eiseres] te bevelen van onder meer de kostbaarheden (hierna: de tweede beklagzaak).

2.16.

Bij e-mailbericht van 29 oktober 2014 heeft de officier van justitie aan het LBA Beheerders (Functioneel Parket te Leeuwarden) verzocht het beslag op de kostbaarheden op te heffen en deze voorwerpen terug te geven aan [eiseres] als erfgename van [A] en gedeeld rechthebbende op de voorwerpen.

2.17.

In de tweede beklagzaak heeft het OM zich bij notitie van 19 november 2014 met betrekking tot de kostbaarheden op het standpunt gesteld dat [eiseres] als eigenaresse daarvan kan worden aangemerkt en dat die zaken daarom aan haar kunnen worden teruggegeven.

2.18.

Naar aanleiding van de in 2.14 bedoelde verwijzing heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 23 december 2014, nadat het OM met betrekking tot de kostbaarheden een conclusie tot gegrondverklaring had genomen, beslist dat de kostbaarheden moeten worden teruggegeven aan [eiseres] . Deze beschikking is onherroepelijk geworden.

2.19.

Nadat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het onderzoek in de tweede beklagzaak op 19 januari 2015 en 13 april 2015 had heropend, heeft het hof bij beschikking van

23 november 2015 [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beslag volgens het OM inmiddels was opgeheven en [eiseres] daarom geen belang meer had bij behandeling van haar klaagschrift.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I de Staat veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 129.720, te vermeerderen met rente volgens een percentage gelijk aan de heffingsrente als bedoeld in artikel 30f, zesde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, vanaf 25 mei 2011 tot aan de dag van algehele voldoening;

II de Staat ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 2.072,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

III de Staat veroordeelt in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan deze vordering legt [eiseres] , samengevat, ten grondslag dat de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is, omdat het OM jegens haar niet heeft gehandeld als een goed bewaarder door de kostbaarheden, die haar eigendom waren, terug te geven aan de vereffenaar. [eiseres] begroot haar schade op € 129.720.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de afgifte van de kostbaarheden aan de vereffenaar onrechtmatig is jegens haar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Niet in geschil is dat, toen de strafzaak tegen [A] eindigde, het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag op de kostbaarheden, dat had plaatsgehad in het kader van het tegen [A] ingestelde strafrechtelijk financieel onderzoek, verviel.

4.3.

De eerste beklagprocedure heeft uiteindelijk geleid tot de onder 2.18 bedoelde, inmiddels onherroepelijke beslissing dat de kostbaarheden aan [eiseres] moeten worden teruggegeven. Het OM kan deze beslissing niet naleven, omdat de kostbaarheden hangende deze eerste beklagprocedure zijn afgegeven aan de vereffenaar, die ze te gelde heeft gemaakt. Niet nakoming van deze verplichting tot teruggave leidt tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Verg. HR 29 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2832. De rechtbank overweegt voorts dat – aansluitend bij de vaste jurisprudentie met betrekking tot de risicoaansprakelijkheid van de executant van een (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis dat later wordt vernietigd – de Staat aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van het hangende het cassatieberoep afgeven van de kostbaarheden. Vgl. Hoge Raad 18 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5863. Anders dan de Staat heeft aangevoerd, is daartoe niet beslissend of relevant of [eiseres] de kostbaarheden zou hebben kunnen opvorderen bij de vereffenaar.

4.4.

Niet in geschil is dat dit onrechtmatig handelen kan worden toegerekend aan de Staat, die dus de schade dient te vergoeding die [eiseres] als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden.

4.5.

De schade van [eiseres] bedraagt in ieder geval het onder 2.12 bedoelde bedrag van de verkoopopbrengst van € 48.905. [eiseres] vordert evenwel een veel hoger bedrag en verwijst daartoe naar de opgave van de nieuwwaarde van de kostbaarheden van de juwelier bij wie ze zouden zijn aangeschaft. Met betrekking tot de te vergoeden waarde van de kostbaarheden kan niet worden uitgegaan van deze door [eiseres] gestelde nieuwwaarde, maar dient te worden uitgegaan van de marktwaarde ten tijde van de afgifte aan de vereffenaar.

4.6.

Op [eiseres] rust de stelplicht en bewijslast van de marktwaarde van de kostbaarheden ten tijde van afgifte ervan aan de vereffenaar. Zij dient deze waarde te stellen en met bewijsstukken te onderbouwen. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen voor een aktewisseling.

4.7.

Nu bij een waarderingsvraag zoals hier aan de orde, vaak wordt overgegaan tot benoeming van een deskundige indien het geschil niet op grond van het geleverde bewijs kan worden beslecht en partijen geen overeenstemming bereiken over de relevante waarde, dienen partijen, eerst [eiseres] , zich om proceseconomische redenen eveneens uit te laten over de persoon van een eventueel te benoemen deskundige en over de aan deze voor te leggen vraag/vragen.

4.8.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 31 mei 2017 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] met de onder 4.5 en 4.6 bedoelde inhoud;

5.2.

bepaalt dat de Staat op de rol van 7 juni 2017 een antwoordakte aan de zijde van de Staat;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.1

Voetnoten

1
type: 1554