ECLI:NL:RBDHA:2017:5387 Rechtbank Den Haag , 26-04-2017 / C/09/525833 / FT RK 17/160 en 17/161

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK
DEN HAAG

Team Insolventies – enkelvoudige kamer

rekestnummer: C/09/525833 / FT RK 17/160 en 17/161

vonnis van 26 april 2017

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode en woonplaats],

verzoeker,

tegen

1 Gemeente Den Haag Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten,

gevestigd te Den Haag,

2. Intermediaire Voorschotbank B.V. vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders,

gevestigd te Amsterdam,

3 Staedion,

gevestigd te Den Haag,

verweersters.

[Verzoeker] voornoemd zal hierna worden aangeduid als ‘verzoeker’. Verweersters zullen gezamenlijk worden aangeduid als verweersters, maar afzonderlijk van elkaar als ‘gemeente Den Haag’, ‘Voorschotbank’ en ‘Staedion’.

1 De procedure

1.1

Op 24 januari 2017 is door verzoeker tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hem aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).

1.2

De mondelinge behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Bij die gelegenheid zijn verschenen:

- verzoeker,

- E.A. de Snoo, beschermingsbewindvoerder,

- W. Frederichs, schuldhulpverlener,

- G.S. Goeder, begeleider van Palier,

- E.J. Koers namens Voorschotbank, schuldeiser.

1.3

Gemeente Den Haag en Staedion zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting. Gemeente Den Haag heeft bij brief van 23 februari 2017 schriftelijk verweer gevoerd.

1.4

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

Verzoeker heeft blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 256.249,85 aan 13 schuldeisers.

2.2

De vordering van gemeente Den Haag op verzoeker bedraagt € 5.552,51, zijnde 2,17% van de totale schuldenlast.

2.3

De vordering van Voorschotbank op verzoeker bedraagt € 47.470,05, zijnde 18,52% van de totale schuldenlast.

2.4

Bij brief van 21 maart 2017 heeft Van der Linden c.s. namens verzoeker de rechtbank bericht dat Staedion alsnog akkoord is gegaan met de aangeboden schuldregeling, zodat zij geen partij meer is in deze procedure.

2.5

Namens verzoeker is bij brief van 18 november 2016 een schuldregeling aangeboden, inhoudende dat aan preferente en concurrente schuldeisers een uitkering wordt gedaan van respectievelijk 0,96% en 0,48% tegen finale kwijting van het restant van hun vorderingen.

2.6

De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard.

3 Standpunt van de partijen

3.1

Verzoeker stelt dat verweersters in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die hij heeft aangeboden, nu de andere schuldeisers wel hebben ingestemd met de aangeboden schuldregeling.

3.2

Gemeente Den Haag heeft, kort samengevat en voor zover van belang, aan haar weigering ten grondslag gelegd dat zij op grond van de “Beleidsregels Terugvordering, aflossing en kwijtschelding WWB 2014” – in het bijzonder artikel 1 en 3 – niet akkoord kan gaan met de aangeboden schuldregeling.

3.3

Voorschotbank heeft, kort samengevat en voor zover van belang, aan haar weigering ten grondslag gelegd dat verzoeker niet te goeder trouw heeft gehandeld ten aanzien van het laten ontstaan van zijn schulden en (mede) daardoor niet zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna WSNP). Dat verzoeker niet in aanmerking komt voor toelating tot de WSNP leidt ertoe dat geen plaats is voor toewijzing van het verzoek Voorschotbank te bevelen tot medewerking aan de buitengerechtelijke schuldregeling. Voorschotbank merkt op dat het verzoeker mogelijk is in een faillissement een (spaar)akkoord aan te bieden. Voorts is de aangeboden schuldregeling niet het uiterste waartoe verzoeker financieel in staat kan worden geacht. Tot slot merkt Voorschotbank op dat verzoeker bij een eventuele toepassing van de WSNP onder intensief, streng en onafhankelijk toezicht komt te staan en daardoor de WSNP meer zekerheden dan de minnelijke regeling biedt.

4 De beoordeling

4.1

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Een schuldeiser kan dan ook slechts onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling die er toe zal leiden dat door de schuldeisers afstand moet worden gedaan van een deel van een vordering. Een verzoek om weigerachtige schuldeisers te bevelen toch met de aangeboden schuldregeling in te stemmen, zal slechts kunnen worden toegewezen als de desbetreffende schuldeisers – in dit geval verweersters – in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen enerzijds de onevenredigheid tussen het belang van verweersters bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en anderzijds de belangen van verzoekers of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad (zie artikel 287a van de Faillissementswet).

4.2

Gezien het hiervoor vermelde uitgangspunt is de enkele, niet-onderbouwde mededeling dat “De overige schuldeisers, die hebben ingestemd met het aanbod, (...) in financieel opzicht benadeeld (worden) wanneer geen gedwongen schuldregeling wordt afgekondigd.” onvoldoende om de vermelde belangafweging in het voordeel van verzoeker te laten uitvallen. Uit de stukken blijkt niet de omvang van die benadeling. Hierbij dient overigens ook in ogenschouw te worden genomen dat gezien enerzijds de hoogte van de schuldenlast (€ 256.249,85) en anderzijds de hoogte van het aanbod (0,96%/0,48%) aannemelijk is dat voor de schuldeisers de uitkomst van een buitengerechtelijk akkoord – relatief gezien – niet veel zal afwijken van de uitkomst van een wettelijke schuldsaneringsregeling.

4.3

Ter terechtzitting is gebleken dat verzoeker een nul uren contract heeft en niet altijd tenminste 36 uur per week werkt. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook onvoldoende duidelijk dat het voorliggende bod het uiterste is waartoe verzoeker financieel is staat kan worden geacht.

4.4

De vorderingen van de twee schuldeisers die geen medewerking hebben verleend aan de buitengerechtelijke schuldregeling bedragen bijna 21% van de totale schuldenlast van verzoeker, welk percentage op zichzelf niet te verwaarlozen is.

4.5

Gebleken is dat een fors aantal schulden verband houdt met het plegen van een strafbaar feit dat heeft geleid tot een langdurige gevangenisstraf (2011-2014) en waardoor verzoeker in grote financiële problemen is geraakt. Voorts is gebleken dat verzoeker na detentie in 2015 een uitkering heeft ontvangen terwijl hij inkomsten uit arbeid had, hetgeen heeft geleid tot de schuld aan de gemeente Den Haag van € 5.552,51. Ter terechtzitting is gebleken dat verzoeker zich er indertijd van bewust was dat hij geen recht had op de uitkering, maar dat hij desondanks de ontvangen gelden heeft uitgegeven. Dit maakt niet aannemelijk is dat verzoeker te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden die verband houden met het gepleegde strafbare feit en de schuld aan de gemeente. In het kader van de belangafweging van artikel 287a lid 5 van de Faillissementswet hoeft de aard van een vordering op zich geen doorslaggevende rol te spelen, maar kan dit het belang van die schuldeiser bij diens weigering benadrukken. Gezien de ontstaanswijze van met name ook de schuld aan de gemeente Den Haag dient naar het oordeel van de rechtbank het belang van die schuldeiser bij het onthouden van medewerking aan een buitengerechtelijke schuldregeling zwaar te wegen.

4.6

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het te dezen gaat om een aangeboden prognoseakkoord en dat onvoldoende duidelijk is op welke wijze nakoming van dat akkoord wordt gewaarborgd. Namens verzoeker is gesteld dat, hoewel Schuldbemiddeling Nederland geen lid is van de NVVK, er zal worden gewerkt volgens de richtlijnen van de NVVK. Hiermee wordt klaarblijkelijk gedoeld op de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet. Echter, niet is gesteld op welke wijze toezicht wordt gehouden op de naleving van die gedragscode en of, alsmede op welke wijze dit voor de schuldeisers inzichtelijk en controleerbaar wordt gemaakt.

4.7

Gelet op het vorenstaande kan de rechtbank niet tot het oordeel komen dat de schuldeisers die niet hebben ingestemd met het hen aangeboden prognosevoorstel in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen. Het verzoek strekkende tot het opleggen van een dwangregeling zal daarom worden afgewezen.

4.8

Verzoeker heeft ter terechtzitting laten weten het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven, indien het verzoek ex artikel 287a lid 1 van de Faillissementswet zou worden afgewezen. Op het toelatingsverzoek zal afzonderlijk vonnis worden gewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid Faillissementswet te geven.

Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2017 in tegenwoordigheid van C.R. Cortenbach-van der Lek LL.B., griffier.

Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag. Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Faillissementswet).