ECLI:NL:RBDHA:2017:5679 Rechtbank Den Haag , 06-04-2017 / AWB 16/17697

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/17697 (beroep)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 april 2017 in de zaak tussen


[de vrouw]
,

geboren op [geboortedatum] 1976, van Zuid-Koreaanse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Boon),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Groenendijk).

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 12 januari 2016 om verlening van een verblijfsvergunning regulier met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [betrokkene] ” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 juli 2016 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 8 augustus 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van dezelfde datum heeft eiseres verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 25 oktober 2016 (AWB 16/17700) dit verzoek toegewezen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [betrokkene] , referent. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft de Zuid-Koreaanse nationaliteit en is gehuwd met referent. Referent heeft de Nederlandse nationaliteit. Half oktober 2015 is eiseres Nederland ingereisd. Eiseres wenst verblijf bij referent in Nederland en heeft hiervoor op 12 januari 2016 een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend.

1.2.

Bij de aanvraag heeft eiseres een motivatiebrief van referent en een niet ondertekende werkgeversverklaring van de laatste werkgever van referent overgelegd. Hieruit blijkt dat referent tot 1 augustus 2015 arbeid in loondienst heeft verricht bij [bedrijf] . Daarnaast heeft eiseres twee bankafschriften van referent overgelegd. Uit het meeste recente bankafschrift van 30 november 2015 blijkt een positief banksaldo van € 126.368,68.

2.1.

Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen omdat referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Referent verricht geen arbeid in loondienst of arbeid als zelfstandige en er is geen sprake van inkomensvervangende uitkeringen uit een sociale verzekeringswet. Daarnaast is het eigen vermogen van referent niet duurzaam en niet voldoende.

2.2.

Bij verweerschrift van 9 december 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat terecht is tegengeworpen dat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. Volgens verweerder gaat het om de vraag of met het inkomen van referent uit eigen vermogen wordt voldaan aan het middelenvereiste. Volgens verweerder behoren hiertoe de inkomsten uit sparen, beleggen en uit een aanmerkelijk belang. Hieronder vallen onder meer inkomsten uit rente, aandelen, obligaties of verhuur van een zelfstandige woning. Daarbij geldt dat de bron van inkomsten uit eigen vermogen niet mag worden aangetast. Verweerder heeft bij de beoordeling van de inkomsten uit eigen vermogen aansluiting gezocht bij fiscale regelingen waarin de inkomsten uit vermogen door de Belastingdienst forfaitair worden vastgesteld op 4% per jaar. Het inkomen wordt voor de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 aangemerkt als voldoende middelen van bestaan, indien 4% van het eigen vermogen zoals dat op de belastingaangifte is opgegeven over het fiscale jaar voorafgaande aan de datum van de aanvraag omgerekend per maand, ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 of artikel 3.19 van het Vreemdelingenvoorschrift.

2.3

Volgens verweerder is in geval van referent gebleken dat hij een eigen vermogen heeft van € 126.386,68,--. Gelet hierop bedragen de inkomsten uit dat eigen vermogen € 5.054,72,-- per jaar, wat € 421,22,-- per maand is. Met dit inkomen uit eigen vermogen voldoet referent niet aan het normbedrag van € 1.646,57,-- per maand. Verweerder wijst er op dat geen omstandigheden zijn aangevoerd waarom het bedrag dat wordt verkregen uit het eigen vermogen wel voldoende zou zijn om van rond te komen. In de gronden van beroep is aangevoerd dat eiseres en referent een huurwoning hebben van € 1.017,-- per maand, wat al meer is dan het bedrag van € 421,22,--. Gelet hierop wordt volgens verweerder de bron van inkomsten uit eigen vermogen aangetast, wat juist niet mag. Verweerder merkt ook op dat referent de hoogte van zijn inkomen niet heeft aangetoond door overlegging van de opgaaf aan de Inspecteur der Belastingen over het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven.

2.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu de middelen van referent niet voldoende zijn, niet wordt toegekomen aan de vraag of de middelen ook als duurzaam kunnen worden aangemerkt. Volgens verweerder is hierdoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 21 april 2016 inzake Khachab (C-558/14) (Khachab) waar door eiseres een beroep op wordt gedaan in deze zaak niet relevant. Verweerder betoogt voorts dat zijn beleid ten aanzien van het meetellen van inkomsten uit eigen vermogen geen strijd oplevert met Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn). Ook in de Gezinsherenigingsrichtlijn wordt gesproken over inkomsten en niet over vermogen. Tevens leiden volgens verweerder de aangevoerde individuele omstandigheden niet tot een ander oordeel.

3.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2.

Op grond van artikel 3.75, tweede lid, van het Vb 2000 zijn middelen van bestaan verkregen uit eigen vermogen duurzaam, indien zij gedurende een aaneengesloten periode van een jaar beschikbaar zijn geweest en nog beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

3.3.

Uit paragraaf B1/4.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 volgt dat het inkomen uit eigen vermogen voldoende is als 4% van het eigen vermogen zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand, ten minste gelijk is aan het van toepassing zijnde normbedrag.

3.4.

Het Hof heeft in het arrest Khachab, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

“25 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat aangezien gezinshereniging de algemene regel is, de bevoegdheid in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 strikt moet worden uitgelegd. De lidstaten mogen hun handelingsvrijheid dus niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn en aan het nuttig effect daarvan (arrest O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26 Hiertoe blijkt uit overweging 4 van richtlijn 2003/86 dat de algemene doelstelling van deze richtlijn is de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten te bevorderen door via de gezinshereniging een gezinsleven mogelijk te maken (zie arrest Parlement/Raad, C‑540/03, EU:C:2006:429, punt 69).

27 Bovendien heeft het Hof al geoordeeld dat artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 niet aldus mag worden toegepast dat deze toepassing zou indruisen tegen de grondrechten zoals neergelegd in met name artikel 7 van het Handvest (zie arrest O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 77).

28 Artikel 7 van het Handvest mag niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten hun beoordelingsmarge ontzegt bij het onderzoek van verzoeken om gezinshereniging. De bepalingen van richtlijn 2003/86 moeten bij dat onderzoek echter worden uitgelegd en toegepast tegen de achtergrond van met name artikel 7 van het Handvest, zoals overigens blijkt uit de bewoordingen van overweging 2 van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten de verzoeken om gezinshereniging onderzoeken teneinde het gezinsleven te begunstigen (zie in die zin arrest O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punten 79 en 80).

[…]

40 Uit het voorgaande volgt dat de mogelijkheid waarin in artikel 7, lid 1, onder c), van richtlijn 2003/86 is voorzien noodzakelijkerwijs met zich brengt dat de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat op een prospectieve manier, na de datum van de indiening van het verzoek tot gezinshereniging, beoordeelt of de gezinshereniger stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten behoudt.

[…]

43 Ten slotte moet eraan worden herinnerd dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat ingevolge artikel 17 van richtlijn 2003/86 verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden behandeld (arresten Chakroun, C‑578/08, EU:C:2010:117, punt 48 en K en A, C‑153/14, EU:C:2015:453, punt 60), en dat het aan de bevoegde nationale autoriteiten is om bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2003/86 en bij het onderzoek van de verzoeken om gezinshereniging, een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen te maken (zie in die zin arrest O e.a., C‑356/11 en C‑357/11, EU:C:2012:776, punt 81).

[…]

45 In dit verband zij erop gewezen dat de duur van een jaar, waarin de gezinshereniger naar alle waarschijnlijkheid over voldoende inkomsten dient te beschikken, redelijk is en niet verder gaat dan noodzakelijk is om op individuele wijze het mogelijke risico te kunnen beoordelen dat de gezinshereniger na gezinshereniging ten laste van de sociale bijstand van de betrokken lidstaat komt. Deze periode van een jaar komt overeen met de geldigheidsduur van de verblijfstitel waarover de gezinshereniger ingevolge artikel 3, lid 1, van richtlijn 2003/86 ten minste dient te beschikken om een verzoek tot gezinshereniging te kunnen indienen. Bovendien hebben de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat ingevolge artikel 16, lid 1, onder a) van deze richtlijn de mogelijkheid om de verblijfstitel van een gezinslid van de gezinshereniger in te trekken indien de gezinshereniger gedurende het verblijf van dit gezinslid en tot het moment dat het gezinslid - volgens artikel 15, lid 1, van richtlijn 2003/86, uiterlijk na vijf jaar verblijf in deze lidstaat - een autonome verblijfstitel verkrijgt, niet meer over stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten beschikt.”

4. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder haar aanvraag onterecht heeft afgewezen. Zij voert hiertoe onder meer aan dat verweerder geen concrete, evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen heeft gemaakt. Zij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1998) en voert aan dat verweerder artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft geschonden. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het sterke curriculum vitae van referent en zijn arbeidsperspectieven. Ook is nooit een beroep gedaan op het sociale stelsel. Daarbij is eiseres bezig met het opzetten van een bedrijf. Zij heeft hiertoe reeds € 5.000,-- geïnvesteerd. Tot slot volgt eiseres een Engelse taalopleiding om later het leren van Nederlands te vergemakkelijken. Het standpunt van verweerder dat inkomen uit eigen vermogen slechts voldoende is indien 4% van het eigen vermogen zoals opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaand aan de aanvraag, omgerekend per maand, ten minste gelijk is aan het normbedrag is in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Blijkens het Chakroun-arrest mag verweerder geen strikte norm hanteren, maar alleen een normbedrag. Referent heeft ter zitting aangevoerd dat hij ten tijde van de aanvraag ruim € 126.000,-- op zijn bankrekening had en na remigratie en inrichting van zijn woning nog € 85.000,--.

5.1.

De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat de omvang van het vermogen van referent niet relevant is, maar alleen de uit dat vermogen voortvloeiende inkomsten. Het middelenvereiste dient er immers toe het risico op een beroep op sociale bijstand te beperken en een fors banksaldo is bij uitstek relevant voor de vraag of aanspraak kan worden gemaakt op sociale bijstand. Voorts volgt uit het Chakroun-arrest dat niet mag worden uitgegaan van een minimuminkomen, omdat de omvang van de behoeften van persoon tot persoon sterk kunnen verschillen. Niet valt in te zien waarom eiseres en referent niet zouden kunnen rondkomen met minder inkomsten uit vermogen door daarnaast geleidelijk op het banktegoed in te teren.

5.2.

Verder volgt uit het in rechtsoverweging 3 geschetste toetsingskader en rechtsoverweging 40, 43 en 45 van het arrest Kachab dat een prospectieve beoordeling moet worden gemaakt van de inkomsten van referent. Deze beoordeling wordt gebaseerd op de ontwikkeling van de inkomenspositie van de referent in de zes maanden voorafgaand aan dat verzoek. Op verweerder rust de verplichting om een concrete beoordeling te maken van de situatie van de referent. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan deze verplichting niet voldaan. Verweerder heeft zijn beoordeling enkel gebaseerd op een fictief vermogensrendement van 4% en op basis daarvan vastgesteld dat niet wordt voldaan aan het inkomensvereiste van artikel 3.75, tweede lid, van het Vb 2000. Verweerder heeft niet kenbaar in de beoordeling betrokken dat referent gelet op zijn curriculum vitae zeer goede perspectieven heeft op de arbeidsmarkt. Verweerder heeft leeftijd, opleiding en werkervaring van de referent niet in de beoordeling betrokken. Verder heeft verweerder niet meegewogen dat de kans dat eiseres en referent binnen een jaar een beroep op sociale bijstand kunnen doen uitermate gering is, gelet op de omvang van het spaartegoed van referent.

6. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is genomen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

7. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan verweerder om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschilbeslechting omdat referent per 1 maart 2017 een nieuw dienstverband aan gaat en daarmee boven de inkomensnorm komt. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen verdere bespreking.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,-- (zegge: honderdachtenzestig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-- (zegge: negenhonderd en negentig euro ).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MBe

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.