ECLI:NL:RBDHA:2017:5847 Rechtbank Den Haag , 01-06-2017 / AWB - 16 _ 23224

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/23224

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juni 2017 in de zaak tussen


[eiseres] , eiseres, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. G. van Reemst),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J.M. Leijtens).

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij dit besluit is eiseres ook een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2017.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Ten aanzien van de asielvergunning

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Zij is op 29 december 2010 Nederland ingereisd en heeft op 16 februari 2011 een asielaanvraag gedaan. Bij besluit van 28 oktober 2013 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 8 januari 2015 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBZWB:2015:14). Deze uitspraak is in hoger beroep bevestigd, waardoor de afwijzing in rechte is komen vast te staan. De asielaanvragen van de vader, moeder, broers en het zusje van eiseres, die na haar Nederland zijn ingereisd, zijn eveneens afgewezen. Ook deze afwijzingen zijn in rechte vast komen te staan.

2. Op 4 september 2015 heeft eiseres onderhavige, opvolgende, asielaanvraag ingediend. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij door haar verblijf in Nederland een proces van bewustwording heeft doorgemaakt en dat zij als jongmeerderjarige vrouw niet meer naar Afghanistan kan terugkeren. Zij heeft zich in Nederland in haar vormende jaren als adolescente ontwikkeld tot een zelfstandige, zelfbewuste en ambitieuze vrouw die zich geenszins kan vinden in het traditionele en vrouwonvriendelijke keurslijf waarin vrouwen in Afghanistan worden gedwongen. Eiseres draagt geen hoofddoek. Zij heeft sinds een paar jaar een Iraanse christelijke vriend, [persoon] , waarmee zij ook seksueel contact heeft. Zelf beschouwt eiseres zich ook niet meer als moslima en is zij geïnteresseerd in het christendom. Haar ouders respecteren haar westerse levensstijl niet. Eiseres vreest onder verwijzing naar landeninformatie in Afghanistan wegens haar verwestering het slachtoffer te worden van huiselijk geweld, opsluiting of eerwraak.

3.1

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

3.2

Volgens paragraaf C7/2.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verleent de IND geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een Afghaanse vrouw uitsluitend omdat zij na het vertrek uit Afghanistan een westerse levensstijl heeft aangenomen. De IND neemt namelijk aan dat de vrouw zich bij terugkeer zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen. De omstandigheid dat een Afghaanse vrouw zich in Afghanistan niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien, vormt voor de IND onvoldoende grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

4. De rechtbank zal eerst bezien of verweerder de aanvraag van eiseres terecht als ongegrond heeft afgewezen alvorens wordt toegekomen aan de vraag of de aanvraag tevens terecht als kennelijk ongegrond is afgewezen.

5. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat hij van eiseres verwacht dat zij zich bij terugkeer naar Afghanistan zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen. Verweerder betrekt hierbij dat eiseres tot zij bijna 14 jaar was in Afghanistan heeft gewoond, zodat zij bekend is met de Afghaanse opvattingen en normen. Ook in Nederland is zij opgegroeid met haar ouders en andere gezinsleden die allen zijn opgegroeid in de Afghaanse cultuur. Verweerder acht haar afvalligheid van de islam niet aannemelijk, omdat eiseres onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat voor proces zij hiertoe heeft doorgemaakt. Dat haar Iraanse vriend christelijk is, acht verweerder evenmin aannemelijk gemaakt. De ontmaagding van eiseres hoeft volgens verweerder niet bekend te worden. Voorts komt eiseres niet in aanmerking voor het beleid voor verwesterde schoolgaande minderjarige meisjes nu zij niet minimaal acht jaar aantoonbaar verblijf in Nederland heeft gehad vanaf de datum van de eerste asielaanvraag.

6. Bij de beoordeling van het beroep tegen een besluit op een opvolgende asielaanvraag toetst de bestuursrechter overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht het besluit in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen.

7.1

Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat verweerder haar aanvraag onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld en dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij als verwesterde vrouw niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Verweerder heeft haar aanvraag niet in het licht gezien van de door eiseres aangehaalde landeninformatie die wijst op de risico’s die zij loopt als verwesterde vrouw in Afghanistan. Ook in beroep heeft eiseres onder verwijzing naar landeninformatie aangevoerd dat verwesterde vrouwen in Afghanistan het risico lopen op discriminatie, sociale uitsluiting, detentie en om slachtoffer te worden van geweld, dan wel gedood te worden vanwege het overtreden van de sociale normen of vanwege vermeende afvalligheid, door de familie, de maatschappij, opstandelingen, dan wel de autoriteiten. Eiseres verwijst onder meer naar de rapporten van de UNHCR van april 2016 en augustus 2013, het rapport van het US Department of State van maart 2017, nieuwsberichten en een Expert Opinion van 5 februari 2016 van Jawad Hassan Zadeh met als titel ‘Westernisation of an Afghan female (Elham) from Herat, Afghanistan.’ Eiseres voert aan dat haar verwesterde levenswijze valt onder de vervolgingsgronden godsdienst en politieke overtuiging, als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn). Zij verwijst in dit kader naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 januari 2017 (AWB-nummers 16/732, AWB 16/733 en 16/735, niet gepubliceerd), waarin is geoordeeld dat een westerse levensstijl, afgezet tegen de heersende maatschappelijke en cultureel-religieuze normen in Herat, Afghanistan, valt onder de begrippen godsdienstige en politieke overtuiging als bedoeld in de Kwalificatierichtlijn. Eiseres voert verder aan dat zij als verwesterde vrouw behoort tot een sociale groep, op grond waarvan zij eveneens te vrezen heeft voor vervolging. Op grond van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) inzake Y en Z van 5 september 2012 (C-71/11 en C‑99/11) en X, Y en Z van 7 november 2013 (de gevoegde zaken C-199/12 tot en met C-201/12, beide arresten te vinden op www.curia.europa.eu) mag daarom niet van eiseres verlangd worden dat zij zich conformeert aan de in Afghanistan voor vrouwen geldende normen teneinde vervolging te voorkomen.

Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende betrokken heeft dat zij niet als meerderjarige vrouw vanuit Afghanistan naar Nederland is gekomen, maar als 14‑jarige. Dat zij haar vormende jaren van kind tot jonge vrouw in Nederland heeft meegemaakt, maakt dat ook in haar specifieke geval niet verwacht kan worden dat zij zich aanpast. Verweerder kan niet verwachten dat eiseres door haar familie beschermd zal worden, nu haar familie haar westerse levensstijl niet respecteert.

7.2

De rechtbank heeft geconstateerd dat eiseres haar in Nederland aangenomen levenswijze zou willen voortzetten en dat eiseres stelt dat het een groot aanpassingsvermogen van haar vraagt om de rechten en vrijheden waarvan zij hier gebruik heeft gemaakt bij terugkeer naar Afghanistan te moeten missen. Anders dan deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in voornoemde uitspraak van 18 januari 2017, is de rechtbank evenwel van oordeel dat de verwesterde levenswijze van eiseres niet valt onder de vervolgingsgronden godsdienst en politieke overtuiging, als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn. De door eiseres beschreven rechten en vrijheden bestaan in grote delen van de wereld niet. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat dit veeleer een sociaal-maatschappelijke kwestie betreft, dan een vluchtelingrechtelijke kwestie.

Voorts volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat verwesterde vrouwen niet aangemerkt kunnen worden als een bepaalde sociale groep. Op grond van artikel 10, eerste lid, onder d, van de Kwalificatierichtlijn wordt een groep geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name: - leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en - de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. Dit is geïmplementeerd in artikel 3:37, eerste lid, onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De rechtbank is van oordeel dat niet vaststaat dat de gemeenschappelijke achtergrond van vrouwen die hun levensstijl hebben gewijzigd naar westerse maatstaven, niet opnieuw gewijzigd kan worden. Voorts is de groep verwesterde vrouwen naar het oordeel van de rechtbank te divers om in het algemeen te zeggen dat de leden hiervan een kenmerk of geloof delen dat voor hun identiteit of de morele integriteit dermate fundamenteel is, dat van deze hele groep niet mag worden geëist dat zij dit opgeven.

Zoals hiervoor is overwogen valt het afwijken van de in Afghanistan voor vrouwen geldende normen en levensstijl naar het oordeel van de rechtbank niet onder de vervolgingsgronden godsdienst, politieke overtuiging of sociale groep. Omdat niet aan één van de in de het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn genoemde gronden voor vervolging wordt voldaan, zijn de door eiseres aangehaalde arresten van het HvJEU van 5 september 2012 en 7 november 2013, waaruit volgt dat in die gevallen een vluchtelingenstatus moet worden verleend en in beginsel niet relevant is dat het gevaar uit de weg kan worden gegaan door af te zien van bepaalde handelingen, niet van toepassing. Anders dan eiseres, ziet de rechtbank geen aanleiding over het voorgaande prejudiciële vragen aan het HvJEU te stellen. De rechtbank betrekt bij deze beslissing dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, en dat de Afdeling over dit hoger beroep nog niet heeft geoordeeld.

7.3

Dat eiseres voor subsidiaire bescherming in aanmerking zou moeten komen, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder zo, dat niet in geschil is dat eiseres bij terugkeer naar Herat een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) loopt, indien zij de levensstijl zoals door haar omschreven voortzet. De rechtbank volgt verweerder echter in zijn standpunt dat van eiseres verwacht mag worden dat zij de rechten en vrijheden zoals zij die in Nederland kent achter zich laat en zich bij terugkeer naar haar land van herkomst weer aanpast aan, dan wel die rechten en vrijheden weet in te passen in de traditionele Afghaanse normen. De rechtbank erkent dat dit het nodige van eiseres vergt, omdat zij als minderjarige naar Nederland is gekomen en nooit als volwassen vrouw in Afghanistan heeft verbleven. De rechtbank heeft ook kennis genomen van de rapportage van Defence for Children. Om een risico op schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen, mag verweerder dit naar het oordeel van de rechtbank echter van eiseres verwachten. De rechtbank acht in dit kader van belang dat eiseres nog steeds functioneert in het Afghaanse gezin waarmee zij in Nederland is aangekomen en waarmee zij geacht wordt naar Afghanistan terug te keren. Hoewel eiseres heeft gesteld dat haar gezinsleden haar westerse levensstijl niet goedkeuren, woont zij in het asielzoekerscentrum nog steeds samen met haar ouders, broers en zus. Anders dan in de zaak N. tegen Zweden, waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 20 juli 2010 arrest heeft gewezen (nr. 23505/09, JV 2010/373), kan eiseres daarom niet als alleenstaande vrouw worden aangemerkt. Er kan, met de formulering van het EHRM, niet worden geoordeeld dat eiseres heeft aangetoond dat sprake is van een echte en oprechte intentie om niet meer met haar gezin samen te leven. Dat de zaak van eiseres gelijk is aan een door eiseres aangehaalde zaak van een ander Afghaans meisje, dat ook nog bij haar ouders in het asielzoekerscentrum verbleef en desalniettemin een asielvergunning op de b-grond heeft gekregen, heeft eiseres onvoldoende onderbouwd. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar zaak niet gelijk is aan die zaak kan niet slagen, nu het aan eiseres is haar beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen.

8. Voor zover eiseres stelt in aanmerking te moeten komen voor een asielvergunning, omdat zij de islam afvallig is dan wel in Afghanistan als afvallige van de islam zal worden beschouwd, volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiseres onvoldoende inzicht heeft gegeven in het proces dat bij haar zou hebben geleid tot het niet meer geloven in de islam. Dat eiseres niet meer meedoet aan islamitische gebruiken zoals het dragen van een hoofddoek, het bezoeken van de moskee en het op islamitische wijze bidden, heeft verweerder hiervoor niet ten onrechte onvoldoende geacht. Ten tijde van haar asielaanvraag in 2011 heeft eiseres verklaard praktiserend sjiitisch moslima te zijn, terwijl zij bij onderhavige asielaanvraag heeft verklaard zich geen moslima meer te voelen sinds zij in Nederland is. In de correcties en aanvullingen van 7 september 2015 heeft eiseres over deze passage naar voren gebracht dat zij in Nederland direct afstand heeft gedaan van de islam. Gelet hierop volgt de rechtbank niet de stelling van eiseres dat zij er in Nederland pas achter is gekomen dat zij zich geen moslim voelde. Dat eiseres zich buitengesloten voelde, geen interesse meer had in de islam en zich welkom voelde op de christelijke camping, geeft voorts onvoldoende inzicht in de motieven van haar gestelde afvalligheid. Ook heeft eiseres niet inzichtelijk gemaakt waarom zij de islam in verband brengt met juist IS, terwijl dit slechts een voorbeeld is van extreem fundamentalistische en geweld predikende beweging binnen de islam. Ondanks dat eiseres als minderjarige naar Nederland kwam, heeft verweerder - anders dan eiseres aanvoert – minder vage verklaringen van haar op dit punt mogen verwachten tijdens de gehoren bij onderhavige asielaanvraag.

Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat personen in Afghanistan op de hoogte zullen geraken van de omstandigheid dat eiseres afstand zou hebben genomen van haar geloof. Eiseres heeft zich in Nederland nimmer openlijk als afvallige geprofileerd, waardoor verweerder de conclusie heeft mogen trekken dat niet aannemelijk is dat zij zich bij terugkeer wel als zodanig zal profileren. Van een motiveringsgebrek op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

9.1

Eiseres voert verder aan dat verweerder haar aanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Van kennelijkheid is volgens haar geen sprake, reeds nu verweerder de verklaringen van eiseres over haar verwestering, ontmaagding en interesse in het christendom geloofwaardig heeft geacht en de aanvraag op zwaarwegendheid is beoordeeld. Ook heeft verweerder aanleiding gezien de aanvraag in de verlengde asielprocedure te behandelen en bestaat het bestreden besluit uit 13 pagina’s.

9.2

Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend en deze niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard.

9.3

Onderhavige aanvraag van eiseres is niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard. Voorts voldoet de aanvraag aan de definitie van opvolgende aanvraag zoals omschreven in artikel 1 van de Vw en artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijn. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid als kennelijk ongegrond afgewezen.

Ten aanzien van het inreisverbod

10.1

Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft opgelegd, omdat dit haar recht op het uitoefenen van gezinsleven met haar vriend belemmert. Zij betoogt dat voor het aannemen van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM een huwelijk of samenwoning niet vereist is. Verder vormt de omstandigheid dat haar vriend een asielvergunning heeft volgens haar een objectieve belemmering om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Het inreisverbod schendt volgens eiseres ook haar recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Anders dan verweerder stelt is zeer lang verblijf in Nederland daar niet voor vereist. In dit kader moet meegewogen worden dat volgens overgelegde landeninformatie de positie van vrouwen in Afghanistan zeer slecht is. Verweerder heeft volgens eiseres selectief uit het ambtsbericht geciteerd door de overwegen dat de positie van vrouwen sinds de verdrijving van de Taliban in 2001 is verbeterd.

10.2

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de drie jaar durende relatie van eiseres niet kan worden aangemerkt als gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, nu deze niet op één lijn te stellen is met een huwelijk en eiseres niet met haar vriend samenwoont dan wel een gezamenlijk financiële huishouding met hem voert. De jurisprudentie van het EHRM biedt voor de uitleg zoals voorgestaan door eiseres geen aanknopingspunten. Verweerder heeft evenwel in het bestreden besluit betrokken dat de vriend van eiseres deel uitmaakt van het sociale leven van eiseres in Nederland. Verweerder heeft overeenkomstig jurisprudentie van het EHRM bij de beoordeling of op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland, zowel de banden van eiseres met Nederland als met Afghanistan betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheden dat eiseres bijna 14 jaar in Afghanistan heeft doorgebracht, zij bekend is met het Dari dat in Afghanistan wordt gesproken en zij haar hele leven heeft verbleven in een Afghaans gezin. Verweerder heeft gelet op de duur van de relatie met haar vriend en de omstandigheid dat deze relatie is ontstaan tijdens verblijf zonder verblijfsvergunning, het belang om bij haar vriend in Nederland te kunnen verblijven niet ten onrechte minder zwaar laten meewegen. Dat haar uit Iran afkomstige vriend haar niet in Afghanistan zou kunnen opzoeken vanwege zijn verblijfsvergunning, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Concluderend is niet gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die leiden tot de conclusie dat het inreisverbod strijdig is met artikel 8 van het EVRM.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, mr. T.J. Sleeswijk Visser-de Boer en mr. J.L.E. Bakels, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE – Wettelijk kader

Volgens artikel 1 A, tweede lid, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) geldt als vluchteling elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit of verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de herschikte Kwalificatierichtlijn), voor zover van belang, houden de lidstaten bij de beoordeling van de gronden van vervolging rekening met de volgende elementen:

b) het begrip „godsdienst” omvat met name theïstische, niettheïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging gebaseerd zijn of daardoor worden bepaald;

d) een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:

- leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en

- de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

e) het begrip „politieke overtuiging” houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

Op grond van het tweede lid van dit artikel doet het bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.