ECLI:NL:RBDHA:2017:5959 Rechtbank Den Haag , 07-06-2017 / C/09/485407 / HA ZA 15-370

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/485407 / HA ZA 15-370

Vonnis van 7 juni 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAGGERMAATSCHAPPIJ BOSKALIS B.V.,

gevestigd te Papendrecht,

eiseres,

advocaat mr. P.L. Reeskamp te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht

DREDGING INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Zwijndrecht, België,

gedaagde,

advocaat mr. C. Shannon te Eindhoven.

Partijen worden hierna Boskalis en Dredging genoemd. Voor Boskalis is de zaak inhoudelijk behandeld door haar procesadvocaat en mr. S.D. Brommersma, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door de octrooigemachtigde ir. L.J.J. Jessen, en voor Dredging door haar procesadvocaat en mr. C. Garnitsch, advocaat te Eindhoven, bijgestaan door de octrooigemachtigde ir. H.R. Brouwer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het vonnis in incident van 8 juli 2015;

-

de akte houdende wijziging grondslag eis tevens houdende wijziging eis van 15 juli 2015 met producties 62 t/m 67;

-

de conclusie van antwoord van 9 september 2015 met producties 2 t/m 6;

-

de brief van Boskalis van 14 oktober 2016 met productie 68;

-

de akte overlegging aanvullende producties van Dredging van 14 oktober 2016 met producties 7 t/m 10;

-

de ter zitting van 28 oktober 2016 door partijen gehanteerde pleitnotities, met dien verstande dat paragrafen 120 t/m 123 van de pleitnotities van mrs. Shannon en Garnitsch zijn doorgehaald omdat deze niet zijn gepleit;

-

de brief van Dredging van 4 november 2016, waarbij – voor zover voor het verloop van de procedure relevant – volgens ter zitting gemaakte afspraak de B2 tekst van EP 1 888 849 en een Nederlandse vertaling van de gewijzigde conclusies (productie 11) zijn nagezonden.

1.2.

Ter zitting in haar dupliek heeft Dredging de (volgorde van de) grondslag van haar vordering tot veroordeling van Boskalis in de door Dredging nodeloos gemaakte (volledige) proceskosten willen wijzigen, waartegen Boskalis bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft de grondslagwijziging vanwege het tijdstip daarvan, en daarmee in strijd met een goede procesorde, niet toegestaan.

1.3.

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Dredging is houdster van Europees octrooi EP 1 888 849 B2 (hierna: EP 849 of het octrooi) voor: “Apparatus with flexibly mounted spud carriage”. Het octrooi is verleend op 2 maart 2011, gebaseerd op internationale octrooiaanvrage PCT/BE2006/000064 van 2 juni 2006, op 14 december 2006 gepubliceerd als WO 2006/130934, met inroeping van prioriteit van het Belgische octrooi BE 200500293 dat is aangevraagd op 6 juni 2005. Het octrooi is onder meer van kracht in Nederland.

2.2.

Het octrooi zoals oorspronkelijk verleend, hierna ook: de B1 tekst of EP 849 B1, omvatte zeventien conclusies. Voor zover in deze zaak van belang, komt de B1 tekst overeen met die van de internationale aanvrage. Conclusies 1 t/m 9 en 17 van EP 849 B1 (en van de aanvrage) luiden in de originele Engelse tekst als volgt:

“1. Apparatus for accommodating a substantially vertical spud (3) of a dredging vessel with a longitudinal direction, comprising a spud carriage (6) which is mounted for limited rotation around a horizontal transverse axis (18),

characterized in that

- at least a first and a second spring means (40, 41) is arranged under bias between vessel and spud in the longitudinal direction for the purpose of absorbing a moment on the spud carriage, which first and second spring means compensate each other in the non-loaded situation of the spud; and that

- at least one spring means is provided with a spring force limiting means (50) for limiting the tension in said spring element from a determined maximum moment on the spud carriage.

2. Apparatus as claimed in claim 1,
characterized in that
the first and second spring means are connected by means of respectively a first and second hydraulic cylinder (32, 33) to the vessel for the purpose of applying the desired bias.

3. Apparatus as claimed in claim 2,
characterized in that
the spring force limiting means (50) comprises a piston accumulator (51, 52) which is connected to the corresponding hydraulic cylinder.

4. Apparatus as claimed in any of the foregoing claims,
characterized in that
spring tensioning means (54, 55) are provided for increasing the tension in at least the second spring means when the spring force therein is lost.

5
.
Apparatus as claimed in claims 2 and 4,
characterized in that
the spring tensioning means comprise a tensioning plunger (54) arranged in the piston rod of the hydraulic cylinder and an accumulator (55) co-acting therewith.

6. Apparatus as claimed in any of the foregoing claims,
characterized in that
the first and second spring means are biased first and second wires, preferably steel wires.

7. Apparatus as claimed in claims 2 and 6,
characterized in that
the first and second hydraulic cylinders are fixedly connected to respectively a first and second tensioning disc (30, 31) around which the respective first and second wire are guided, which tensioning

discs are located in a plane perpendicularly of the transverse axis directly opposite each other on respectively a first and second side of the spud carriage.

8. Apparatus as claimed in claim 7,
characterized in that
the first (second) wire is guided from a first location on the spud carriage to a second location on the spud carriage via the first (second) tensioning disc (30; 31) and one or more guide discs (36, 37; 38, 39) situated on the second (first) side of the spud carriage.

9. Apparatus as claimed in claim 8,
characterized in that
the first and second locations are double discs (34; 35) which are mounted on the spud carriage and along which the first and second wire are guided, and that the first (second) wire at an outer end on the first (second) side of the spud carriage and at the other end on the second (first) side of the spud carriage is connected to the vessel.

17. Cutter suction dredger comprising an apparatus as claimed in any of the foregoing claims.”

en in de – onbestreden – Nederlandse vertaling:

1. Inrichting voor het opnemen van een in hoofdzaak verticale paal (3) van een baggerschip met een langsrichting, omvattende een paalwagen (6) die beperkt draaibaar rond een horizontale dwarsas (18) gemonteerd is,

met het kenmerk dat

- tussen schip en paal tenminste een eerste en een tweede veermiddel (40, 41) onder

voorspanning in de langsrichting aangebracht is voor het absorberen van een moment op de paalwagen, welk eerste en tweede veermiddel elkaar compenseren in de onbelaste toestand van de paal; en dat

- tenminste één veermiddel voorzien is van een veerkrachtbegrenzer (50) voor het

begrenzen van de spanning in dat veerelement vanaf een bepaald maximummoment op

de paalwagen.

2. Inrichting volgens conclusie 1,
met het kenmerk dat
het eerste en tweede veermiddel door middel van respectievelijk een eerste en tweede hydraulische cilinder (32, 33) verbonden is met het schip voor het aanbrengen van de gewenste voorspanning.

3. Inrichting volgens conclusie 2,
met het kenmerk dat
de veerkrachtbegrenzer (50) een zuigeraccu (51, 52) omvat die verbonden is met de overeenstemmende hydraulische cilinder.

4. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies,
met het kenmerk dat
veerspanmiddelen (54, 55) voorzien zijn voor het verhogen van de spanning in tenminste het tweede veermiddel wanneer de veerkracht daarin wegvalt.

5. Inrichting volgens conclusie 2 en 4,
met het kenmerk dat
de veerspanmiddelen een spanplunjer (54) die aangebracht is in de zuigerstang van de hydraulische cilinder en een daarmee samenwerkend accu (55), omvatten.

6. Inrichting volgens een der voorgaande conclusies,
met het kenmerk dat
de eerste en tweede veermiddelen voorgespannen eerste en tweede draden, bij voorkeur staaldraden, zijn.

7. Inrichting volgens conclusie 2 en 6,
met het kenmerk dat
respectievelijk de eerste en tweede hydraulische cilinder vast verbonden is met respectievelijk een eerste en tweede spanschijf (30, 31) waarrond respectievelijk de eerste en tweede draad is geleid, welke spanschijven in een vlak loodrecht op de dwarsas, recht tegenover elkaar aan respectievelijk een eerste en tweede zijde van de paalwagen gelegen zijn.

8. Inrichting volgens conclusie 7,
met het kenmerk dat
de eerste (tweede) draad vanaf een eerste locatie op de paalwagen via de eerste (tweede) spanschijf (30, 31) en een of meer aan de tweede (eerste) zijde van de paalwagen gelegen geleideschijven (36, 37, 38, 39) geleid wordt naar een tweede locatie op de paalwagen.

9. Inrichting volgens conclusie 8,
met het kenmerk dat
de eerste en tweede locaties op de paalwagen bevestigde dubbele schijven (34, 35) waarlangs de eerste en tweede draad worden geleid, en dat de eerste (tweede) draad aan een uiteinde aan de eerste (tweede) zijde van de paalwagen en aan het andere einde aan de tweede (eerste) zijde van de paalwagen verbonden is met het schip.

17. Cutterzuiger omvattende een inrichting volgens een der voorgaande conclusies.”

2.3.

Boskalis heeft oppositie ingesteld tegen EP 849 B1. De Oppositie Divisie (hierna: OD) van het Europees octrooibureau (hierna: EOB) heeft het octrooi bij beslissing van 8 april 2013 in gewijzigde vorm in stand gelaten. Tegen de beslissing van de OD heeft Boskalis beroep ingesteld bij de Technische Kamer van Beroep van het EOB (hierna: de TKB). Het aanvankelijk toegestane verzoek van Boskalis van 8 augustus 2013 om toegelaten te worden tot de versnelde beroepsprocedure is na verzet daartegen door Dredging in september 2014 geweigerd. De TKB heeft het octrooi bij beslissing van 23 juni 2015 (T 1339/13) in gewijzigde vorm in stand gelaten, met aanpassing van de beschrijving en zonder wijzigingen in de twaalf tot het octrooi behorende tekeningen. De TKB oordeelde onder meer dat conclusie 1 zoals oorspronkelijk verleend, niet nieuw is ten opzichte van “D8” (zie hierna 2.9, de afstudeerscriptie van C. Dekker). De gewijzigde, finale tekst (hierna aangeduid als de B2 tekst en het octrooi in die vorm als EP 849 B2) is gepubliceerd op 27 juli 2016 en telt acht conclusies, die als volgt corresponderen met (de aanvrage en) de B1 tekst:

B2 tekst (conclusie #)

Aanvrage/B1 tekst (conclusie #)

1

1 + 2 + 3 + “piston-kenmerk” [0008]

2

4

3

5

4

6

5

7

6

8

7

9

8

171

2.4.

Conclusie 1 en de (indirect) afhankelijke conclusies 2 tot en met 8 van EP 849 B2 luiden in de originele Engelse tekst als volgt:

"1. Apparatus for accommodating a substantially vertical spud (3) of a dredging vessel with a longitudinal direction, comprising a spud carriage (6) which is mounted for limited rotation around a horizontal transverse axis(18), wherein

- at least a first and a second spring means (40, 41) is arranged under bias between vessel and spud in the longitudinal direction for the purpose of absorbing a moment on the spud carriage, which first and second spring means compensate each other in the non-loaded situation of the spud; and that

- at least one spring means is provided with a spring force limiting means (50) for limiting the tension in said spring element from a determined maximum moment on the spud carriage, wherein further the first and second spring means are connected by means of respectively a first and second hydraulic cylinder (32, 33) to the vessel for the purpose of applying the desired bias,

the spring force limiting means (50) comprises a piston accumulator (51, 52) which is connected to the corresponding hydraulic cylinder, the piston accumulator comprising a cylinder with free piston and an accumulator, arranged such that when the tension in the at least one spring means rises above a determined maximum value which is a function of

the pressure of the accumulator, pistons of the hydraulic cylinder and the cylinder with free piston move inward and the spring force increases only slowly while the spud carriage rotates.

2. Apparatus as claimed in any of the foregoing claims,
characterized in that
spring tensioning means (54, 55) are provided for increasing the tension in at least the second spring means when the spring force therein is lost.

3. Apparatus as claimed in claims 1 and 2,
characterized in that
the spring tensioning means comprise a tensioning plunger (54) arranged in the piston rod of the hydraulic cylinder and an accumulator (55) co-acting therewith.

4. Apparatus as claimed in any of the foregoing claims,
characterized in that
the first and second spring means are biased first and second wires, preferably steel wires.

5. Apparatus as claimed in claims 1 and 4,
characterized in that
the first and second hydraulic cylinders are fixedly connected to respectively a first and second tensioning disc (30, 31) around which the respective first and second wire are guided, which tensioning discs are located in a plane perpendicularly of the transverse axis directly opposite each other on respectively a first and second side of the spud carriage.

6. Apparatus as claimed in claim 5,
characterized in that
the first (second) wire is guided from a first location on the spud carriage to a second location on the spud carriage via the first (second) tensioning disc (30; 31) and one or more guide discs (36, 37; 38, 39) situated on the second (first) side of the spud carriage.

7. Apparatus as claimed in claim 6,
characterized in that
the first and second locations are double discs (34; 35) which are mounted on the spud carriage and along which the first and second wire are guided, and that the first (second) wire at an outer end on the first (second) side of the spud carriage and at the other end on the second (first) side of the spud carriage is connected to the vessel.

8. Cutter suction dredger comprising an apparatus as claimed in any of the foregoing claims.”

2.5.

De Nederlandse vertaling van conclusie 1 van de B2 tekst luidt:

1. Inrichting voor het opnemen van een in hoofdzaak verticale paal (3) van een baggerschip met een langsrichting, omvattende een paalwagen (6) die beperkt draaibaar rond een horizontale dwarsas (18) gemonteerd is,

waarin

- tussen schip en paal tenminste een eerste en een tweede veermiddel (40, 41) onder

voorspanning in de langsrichting aangebracht is voor het absorberen van een moment

op de paalwagen, welk eerste en tweede veermiddel elkaar compenseren in de onbelaste

toestand van de paal; en dat

- tenminste één veermiddel voorzien is van een veerkrachtbegrenzer (50) voor het

begrenzen van de spanning in dat veerelement vanaf een bepaald maximummoment op

de paalwagen, waarin verder het eerste en tweede veermiddel door middel van

respectievelijk een eerste en tweede hydraulische cilinder (32, 33) verbonden is met het schip voor het aanbrengen van de gewenste voorspanning,

de veerkrachtbegrenzer (50) omvattende een zuigeraccu (51, 52) die verbonden is met

de overeenkomstige hydraulische cilinder, waarbij de zuigeraccu een cilinder met vrije

zuiger en een accumulator omvat, die dusdanig zijn ingericht dat wanneer de spanning

in het tenminste één veermiddel boven een bepaalde maximumwaarde, die een functie is

van de druk van de accumulator, stijgt, zuigers van de hydraulische cilinder en de

cilinder met vrije zuiger naar binnen bewegen en de veerkracht slechts langzaam

toeneemt terwijl de paalwagen roteert.”

2.6.

In de bij het octrooi behorende beschrijving worden de materie waarop het octrooi betrekking heeft en de stand van de techniek als volgt beschreven (in de B2 tekst, die verschilt van de B1 tekst door de in [0004] tussen haakjes en dikgedrukt opgenomen toevoeging):

[0001] The present invention relates to an apparatus for accommodating a substantially vertical pole (also referred to as spud) of a dredging vessel, typically a cutter suction dredger, comprising a spud carriage which is mounted for limited rotation around a horizontal transverse axis.

[0002] Large cutter suction dredgers must often carry out operations at sea or on unsheltered waters. The waves cause the vessel to move and great forces can herein be exited on the couplings between the vessel and the bottom, these couplings being formed mainly by a spud and cutter ladder. These couplings must on the one hand be rigid in order to enable an efficient cutter process, but may not be too stiff because otherwise excessive forces are generated in the spud by the pontoon following the movements of the larger waves.

[0003] The invention has for its object to propose an apparatus of the type stated in the preamble which behaves as a spud carriage mounting in the pontoon with a variable rigidity – rigid in the case of small waves and more flexible at critical wave conditions – and in particular with a rigidity which decreases sharply at a determined maximum load of the spud plus spud carriage.

[0004] Such an apparatus is known from prior art documents NL 1011753 C, US 4033056, (
and the article by Dekker: Analyse van een Spudssysteem voor een deiningsgecompenseerde snijkopzuiger", co/85/153
).”

2.7.

Over de uitvinding is in de beschrijving onder meer het volgende opgenomen, waarbij de tekst zoals deze in de B2 tekst ten opzichte van de B1 tekst is gewijzigd tussen haakjes en dikgedrukt is weergegeven, en passages of woorden die uit de B1 tekst zijn verwijderd, zijn onderstreept:

“[0006] The longitudinal force F1 exerted on the spud is typically a ground reaction force on the point of the spud, and in the case of a cutter suction dredger this normally acts in the direction of the cutter head. This causes a moment on the spud carriage, whereby the

spud carriage tilts through a determined angle around the transverse axis, the first spring means is further tensioned and the second spring acting in opposite direction loses tension. This tiltability of the spud carriage in combination with the spring means thus decreases as it were the rigidity and ensures that the moment on the spud carriage is absorbed. When the moment on the spud carriage becomes greater than a determined maximum moment, the spring force
then hardly
increases
further
(
only slowly
), whereby the moment exerted on the spud carriage around an athwartship axis is limited.

(…)

[0008] According to the
preferred embodiment
(
invention
), the first and second spring means are connected by means of respectively a first and second hydraulic cylinder to the vessel for the purpose of applying the desired bias. In this way the bias can be adjusted in a simple manner. In this embodiment the spring force limiting means can be realized in simple manner by means of a piston accumulator which is connected to
the bottom side of
the hydraulic cylinder(
, preferably to the bottom side thereof
).
A
(
The
) piston accumulator
typically
comprises a cylinder with free piston and an accumulator. When the tension in the spring rises above a determined maximum value which is a function of the pressure of the accumulator, pistons of
main
(
hydraulic
) cylinder and cylinder with free piston move inward, whereby the spring force increases only slowly while the spud carriage rotates. If the force on the spud point is acting in forward direction, the rotation will then be such that the spud point moves forward relative to the vessel, which results in a sharp fall in the force on the spud point. As soon as the force on the spud point becomes smaller than the maximum value, the piston(
s
) move
s
outward again under the influence of the accumulator pressure.

(…)

[0018] The invention will be further elucidated on the basis of a number of non-limitative exemplary embodiments (…)

(…)

[0019] Figure 1 shows a typical embodiment of a dredging vessel with cutter suction head. The shown vessel comprises, among other parts, a ladder 1, a ladder winch 9 and two side winches 2, an auxiliary spud 4 and a working spud 3 which is accommodated in a spud carriage 6. A cutter head 5 is arranged on the outer end of ladder 1, and suction means are provided close to the cutter head which consist substantially of a suction tube 10 and a pump 8. (…)

[0020] In such a cutter suction dredger the working spud ensures that a fixed point is formed around which the suction dredger can swing during dredging. (…)

[0021] The apparatus according to the invention will now be further elucidated on the basis of an embodiment variant as shown in figures 2A and 2B. (…)

(…)

[0023] The moment M on the spud carriage caused by a longitudinal force F1 is absorbed by a system of steel wires and discs as shown schematically in figure 3. A first spring means arranged between the vessel and spud carriage 6 is formed by a first steel wire 40. At one outer end 42 the first steel wire 40 is connected to the vessel to the right of the transverse axis. This first wire 40 is guided via a double disc 34 mounted on the spud carriage to a tensioning disc 30 which also lies to the right of the transverse axis and from where the first wire is further trained diagonally to the other second side of the spud carriage along guide discs 36, 37, and is finally guided over a second double disc 35 mounted on the spud carriage and connected on the other second side, to the left of the transverse axis, to the vessel at the other outer end 44. In similar manner a second wire 41 connected to the vessel at a first outer end 43 forms together with discs 34, 31, 38, 39 and 35 a spring means between spud carriage and vessel which acts in the opposite direction.

[0024] The first and second wires are held under bias by respectively a first and second hydraulic cylinder 32, 33 which engage respectively on first tensioning disc 30 and second tensioning disc 31. During the dredging process a ground reaction force F1 is typically exerted on the spud point (see figure 2A), whereby a spud carriage moment M occurs. As a result of this moment the second wire 41 is stretched elastically, while the first wire 40 loses elastic tension. This is further illustrated by the graph in figure 4, wherein the wire load F is plotted as a function of the wire lengthening in range 1, and as a function of the cylinder displacement in range 2. The wire is biased at a force Fv. [weergegeven als Fpre-tens in figuur 4, toevoeging rechtbank] In range 1 the wire behaves elastically, while in range 2 the wire tension (spring force) limiting means ensures that the wire does not stretch further (spring force increases only slowly). Curve C' shows the wire tension of the wire which slackens. The wire tensioning means (see further) ensure that the wire tension does not fall below determined minimum value Fkrit.

[0025] Hydraulic cylinders 32, 33 are both provided with a spring force limiting means, and in this embodiment thus a wire tension limiting means which is shown schematically

in figure 5. The spring force limiting means 50 comprise a piston accumulator constructed from a cylinder with free piston 51 and an accumulator 52. The bottom side of hydraulic cylinder 32 is first brought to the desired pressure, corresponding with the desired bias in

the wire, by means of an accumulator 56. When the tension in the wires has reached a determined maximum which depends on the pressure in the piston accumulator, the free piston and the piston of hydraulic cylinder 32 will then move to the left, and the wire tension is in this way limited. When the great wire tension falls away again, the cylinder springs fully outward under the influence of the piston accumulator.

[0026] (…) The maximum wire tension in wire 40 is a measure for the maximum spud carriage moment M, and this wire tension can thus be controlled by adjusting accumulator 52 of wire tension limiting means 52 to the appropriate pressure. When the maximum allowed wire tension is reached, the piston moves in the direction of the bottom and the spud carriage can rotate through an additional angle under the influence of the spud force moment around the horizontal transverse axis. Owing to this additional tilting of the spud carriage the reaction force of the ground on the spud will be smaller (…)

[0027] When the wire tension increases in one of the wires, for instance second wire 41, the wire tension in first wire 40 will simultaneously decrease. When a wire tension FNOM is reached in second wire 41 (see figure 4), the tension in first wire 40 has fallen to a critical value FKRIT, below which value the first wire 40 becomes slack. In order to avoid this there are provided spring tensioning means, here in particular wire tightening means, in order to maintain a minimum tension in the wire. These consist here of a tensioning plunger 54 which is connected to an accumulator 55. (…)”

2.8.

Het octrooi omvat voor zover van belang de volgende tekeningen (de onder de tekeningen opgenomen tekst is overgenomen uit paragraaf [0018] van het octrooi; de legenda’s (in vierkante box) zijn door de rechtbank gemaakt – aan de hand van de in de hiervoor weergegeven paragrafen van het octrooi gebruikte definities van de nummers bij de figuren en de onbestreden Nederlandse vertaling van de conclusies van het octrooi, althans de vertaling in de processtukken – en toegevoegd):

Figure 1 (A)
is a side view (…) of a cutter suction dredger

Figure 2(A)
is a side view (in alongship direction) of a possible embodiment of the apparatus according to the invention

Figure 3
is a schematic view of the wire system

Figure 4
shows a (
schematic
) graph representing the wire tension as a function of the elasticity/2 or of the cylinder displacement

Figure 5
shows a simplified diagram of a wire tension limiting means and wire tightening means

2.9.

Tot de stand van de techniek behoort een afstudeerscriptie van C. Dekker, TH Delft 1985, getiteld “Analyse van een spudsysteem voor een deiningsgecompenseerde snijkopzuiger” (hierna: Dekker, in de oppositieprocedure aangeduid als D8). In Dekker wordt onder meer de werking van de paalwagen en de paal (spud) op verschillende grote baggerschepen van het type Cutter Suction Dredger (‘snijkopzuiger’, hierna: CSD) besproken, waaronder op een baggerschip aangeduid als de Bilberg I (dat baggerschip is later omgedoopt tot ‘URSA’). Daarover is, voor zover van belang, het volgende opgenomen (op pag. 17, 19 en 20):

De werking van dit spelingsvrije systeem is als volgt (figuur 3.42): De spud (1) is gevat in een bus (2). Deze bus is scharnierend opgehangen in een glijschoen (3), welke door middel van een hydraulische cilinder (4) in het beun gefixeerd is. Het principiële verschil met een paalwagen is dat het moment in plaats van via 2 assen nu via een kruisdraadsysteem naar het ponton wordt doorgeleid. Daartoe zijn 2 x 2 draden zowel aan de bovenkant (A) als aan de onderkant (B) met de bus verbonden. Deze draden lopen over 2 x 4 vast met het ponton verbonden schijven (5). Met behulp van een hydraulische cilinder kunnen de schijven zo ingesteld worden dat de draad er niet uitloopt. (…) Omdat de draden gekruist zijn, wordt bij het verstappen (dat wil zeggen verschuiven van de glijschoen) geen moment via de draden op de spud uitgeoefend.

(…)

Bovenstaand systeem is geïnstalleerd op de Bilberg I (…) door een extra schijf op de beugels te monteren [wordt] een takeleffect bereikt zodat bij een zelfde kracht op de spud de kracht in de draad halveert (figuur 3.5).

(…) Verder wordt elk van de 4 draden (Ø 64 mm) voorgespannen met behulp van een hydraulische cilinder. Daardoor wordt bereikt dat de stijfheid van alle draden meedoen bij een hoekverdraaiing in het langsscheepse vlak. Omdat bij een bepaalde druk in de cilinder de overstort in werking treedt, is de kans op draadbreuk kleiner geworden. (…)

Het is op de 'Bilberg' mogelijk om een drukvat op de cilinder aan te sluiten. Afhankelijk van het luchtvolume ontstaat dan een gasveer met een bepaalde stijfheid. In feite komen dan 3 veren in serie te staan namelijk de gasveer, de draad en de spud. In figuur 3.6 is dit weergegeven.

2.10.

Tot de stand van de techniek behoort voorts een voordracht gehouden tijdens het Wereld Bagger Congres WODCON XVII in Hamburg, Duitsland, gehouden tussen 27 september 2004 en 1 oktober 2004 door J.L. van Overhagen, M. Boor, A. Klik en H.M. Kramers: “On the conceptual design of large Cutter Suction Dredgers; Considerations for making choices”, (hierna: WODCON). Op pagina 10 wordt onder het kopje Limiting Forces by flexibility opgemerkt:

“(…) Flexibility can also be introduced within the spud carriage construction. An example of such a solution is used on the CSD Ursa (former Bilberg I). On the Ursa flexibility in longitudinal direction is provided by a spud carriage support system of crossed wires and sheaves. A new development is that these wires can be tensioned/adjusted hydraulically. Because of the hydraulic tensioners the system can now act as a (peak) load limiter. When using special wires the (undesired) elasticity of the wires themselves can be minimised

3 Het geschil

3.1.

Boskalis vordert – samengevat en na wijziging van eis – vernietiging van het Nederlandse deel van EP 849, met veroordeling van Dredging in de proceskosten.

3.2.

Zij voert daartoe het volgende aan.

Toegevoegde materie

3.2.1.

Conclusie 1 van EP 849 B2 bevat ongeoorloofde toegevoegde materie in de zin van artikel 75 (1) sub c ROW3 en artikel 123 (2) EOV4, omdat sprake is van een zogenaamde intermediate generalisation. Conclusie 1 zoals uiteindelijk in stand gebleven, komt overeen met conclusie 1 tot en met 3 uit de aanvrage, aangevuld met een passage die is terug te vinden onder paragraaf [0008] van de beschrijving (vgl. 2.3). In paragraaf [0008] is een preferred embodiment beschreven. De geclaimde uitvinding is thans beperkt tot dit uitvoeringsvoorbeeld. Daarbij zijn echter verschillende kenmerken van de preferred embodiment, die wel in de beschrijving van de aanvrage staan, weggelaten. Het gaat daarbij, aldus Boskalis, in de eerste plaats om de volgende drie passages genoemd in paragraaf [0008]:

i. “connected to the bottom side of the hydraulic cylinder” (r. 12-14);

ii. “main cylinder” (r.18) (dit is in de nieuwe conclusie veranderd in “hydraulic cylinder”);

iii. de functionele kenmerken van de beweerde uitvinding (r. 20-27):

“If the force on the spud point is acting in forward direction, the rotation will then be such that the spud point moves forward relative to the vessel, which results in a sharp fall in the force on the spud point. As soon as the force on the spud point becomes smaller than the maximum value, the piston moves outward again under the influence of the accumulator pressure.”.

3.2.2.

Daarnaast stelt Boskalis dat de uitvinding alleen nawerkbaar is beschreven voor draden als ‘spring means’, zodat het weglaten, althans niet toevoegen, van dat beperkende kenmerk in feite een toevoeging van materie vormt (‘weggelaten kenmerk’ iv). Uit paragrafen [0024] en [0025] van de beschrijving, in samenhang met figuur 5, zijn, aldus Boskalis, nog vijf kenmerken v t/m ix van het hydraulische systeem af te leiden, te weten:

v. elk van de twee draden wordt op spanning gehouden door een hydraulische cilinder (paragraaf [0024], r. 12-14);

vi. elk van de hydraulische cilinders is verbonden met veerkrachtbegrenzers (paragraaf [0025], r. 30-33);

vii. deze veerkrachtbegrenzers bevatten elk een piston accumulator (paragraaf [0025], r. 33-35);

viii. accumulator 56 (paragraaf [0025], r. 35-38);

ix. element ‘57’ (figuur 5).

Deze kenmerken zijn eveneens ten onrechte weggelaten, zodat ook ten aanzien van deze kenmerken sprake is van ongeoorloofde toegevoegde materie door intermediate generalisation.

Uitbreiding beschermingsomvang

3.2.3.

Het octrooi moet ook worden vernietigd, zo stelt Boskalis, omdat de beschermingsomvang van (conclusie 1 van) het octrooi na verlening is uitgebreid (artikel 75 (1) sub d ROW en artikel 123 (3) EOV). Boskalis stoelt deze stelling op twee pijlers. In de eerste plaats voert zij aan dat het weglaten van de in het kader van toegevoegde materie genoemde kenmerken (i) t/m (ix) leidt tot ongeoorloofde uitbreiding van de beschermingsomvang. Het tweede argument ziet op de laatste zinsnede van conclusie 1 van EP 849 B1. Boskalis stelt dat de term ‘limiting’ in die zinsnede beperkt moet worden uitgelegd, en wel zo dat de kracht na het bereiken van het maximum niet verder toeneemt, zodat in feite sprake is van een absolute beperking van de kracht tot het maximum. Ter onderbouwing verwijst zij, voor zover hier van belang, naar figuur 4, rechter gedeelte (range 2), van het octrooi en naar de oorspronkelijke beschrijving (paragraaf [0024], r. 24-26, waarin naar figuur 4 wordt verwezen):

In range 1 the wire behaves elastically, while in range 2 the wire tension limiting means ensures that the wire does not stretch further.” (onderstreping rechtbank), alsmede naar de uitleg die de TKB, tijdens de mondelinge behandeling van 23 juni 2015, aan dit begrip gaf:

“(…) the construction of claim 1 of the main request [die overeenkomt met conclusie 1 van de B1 tekst, rechtbank], more specifically the understanding of the feature “spring force limiting means” (…) on the wording of the claim, the expression meant that the tension in the spring is prevented from exceeding a maximum value.” Doordat in de nieuwe conclusie 1 (B2 tekst) aan het slot “(…) and the spring force increases only slowly (…)” is toegevoegd, heeft de term ‘limiting’ daar een ruimere betekenis. De geclaimde bescherming wordt daarmee uitgebreid tot inrichtingen waarbij na het bereiken van het maximum, nog een langzame toename van de kracht optreedt. Dit is een ongeoorloofde uitbreiding van de beschermingsomvang na verlening.

Niet inventief

3.2.4.

Tot slot dient het Nederlandse deel van EP 849 volgens Boskalis te worden vernietigd omdat het niet inventief is. Dekker moet worden aangemerkt als de meest nabije stand van de techniek; alle deelkenmerken van conclusie 1 van EP 849 B2 worden daarin geopenbaard met uitzondering van deelkenmerk 3 (zie voor de indeling in deelkenmerken 4.29 hierna). Echter, wanneer de rechtbank Dredging mocht volgen in haar betoog dat deelkenmerken 1e, 1f en 2 evenmin ondubbelzinnig in Dekker worden geopenbaard, moet mede worden uitgegaan van de URSA als meest nabije stand van de techniek. De URSA is openbaar voorgebruikt door Boskalis en openbaart de deelkenmerken 1a t/m f en 2 (eveneens).

3.2.5.

Uitgaande van de meest nabije stand van de techniek is het enige verschil tussen het octrooi en Dekker de toevoeging van een cilinder met vrije zuiger 51 tussen de hydraulische cilinder 32 en de accumulator 52, die samen met accumulator 52 een veerkrachtbegrenzer 50 zou vormen. In Dekker was immers al een accumulator (zonder cilinder met vrije zuiger) gekoppeld aan de hydraulische cilinder, en accumulatoren 55 en 56 en element 57 in figuur 5 van het octrooi spelen geen rol in conclusie 1 van het octrooi. Dit verschil van de cilinder met vrije zuiger heeft echter geen toegevoegde waarde in technische zin ten opzichte van Dekker.

3.2.6.

In Dekker zijn verder ook veerkrachtbegrenzers geopenbaard. Ten eerste is de overstort aan te merken als een veerkrachtbegrenzer die in werking treedt bij het bereiken van een maximum, te weten de overdruk. Ten tweede is ook het toegevoegde drukvat in Dekker aan te merken als een veerkrachtbegrenzer; ook deze treedt pas in werking vanaf een maximum (de Fpre-tens), waarna de kracht slechts langzaam toeneemt; hoe steil die toename is, hangt af van de voor de grafiek te kiezen schalen. Figuur 3.6 van Dekker geeft derhalve hetzelfde weer als figuur 4 van EP 849. Deze figuren moeten in feite als volgt worden weergegeven (links het octrooi en rechts Dekker), waarbij duidelijk is dat deze hetzelfde zijn:

3.2.7.

Wanneer, in navolging van de TKB, het vergroten van de werkbaarheid van de CSD bij deining en hoge golven, als objectief technisch probleem moet worden genomen, is het zoeken van een oplossing daarvoor in de hydrauliek voor de hand liggend. Zeker nu Dekker pointers bevat in de richting van de hydrauliek en het gebruik van een accumulator als veer beschrijft, hetgeen moet worden aangemerkt als een veerkrachtbegrenzer in de zogenaamde flex mode.

3.2.8.

De wenselijkheid van het gebruik van hydraulische accumulatoren was ook

anderszins voor de prioriteitsdatum bekend in de branche, zoals volgt uit WODCON. In die voordracht wordt besproken dat het kruisdradensysteem kan worden voorzien van een hydraulische krachtbegrenzer (peak load limiter), die ook dezelfde functie heeft als de veerkrachtbegrenzer van kenmerk 3 van conclusie 1 van het octrooi.

3.2.9.

Conclusies 2-8 zijn evenmin inventief.

3.3.

Dredging voert verweer. Zij voert aan dat geen sprake is van ongeoorloofde toegevoegde materie, noch van uitbreiding van de beschermingsomvang van het octrooi na verlening. Voorts betoogt zij dat conclusie 1 van het octrooi wel degelijk inventief is.

3.4.

Dredging voert verder aan dat zij ongeacht de uitkomst van de onderhavige procedure aanspraak kan maken op vergoeding van de door Boskalis veroorzaakte nodeloos gemaakte volledige proceskosten van vóór de beslissing van de TKB, (primair) op grond van artikel 237 lid 1 Rv5, (subsidiair) wegens misbruik van procesrecht en (meer subsidiair) op grond van onrechtmatige daad, nu Boskalis de oppositieprocedure bij het EOB had behoren af te wachten voor deze procedure te entameren. Het gaat Dredging om de kosten die zij heeft gemaakt voorafgaand aan de akte tot eisvermindering, ter hoogte van

€ 58.921,69.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

De rechtbank is internationaal bevoegd kennis te nemen van de vordering tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 849, op grond van artikel 24 aanhef en onder 4 EEX II-Vo6. De relatieve bevoegdheid berust op artikel 80 lid 1 sub a ROW.

Inleiding op de techniek

4.2.

De volgende inleiding op de techniek van het octrooi is ontleend aan onbetwiste gedeelten van – onder meer – de dagvaarding, de conclusie van antwoord, door partijen overgelegde producties en hetgeen ter zitting is besproken.

4.3.

EP 849 ziet op een (onderdeel van een) zogenaamde paalwageninstallatie zoals die gebruikt wordt op grote baggerschepen van het type CSD. Een CSD is met name geschikt voor baggerwerkzaamheden in harde en/of rotsachtige bodem. Tijdens het baggeren wordt het schip door middel van de paal of spud in de zeebodem “verankerd”, zodat het schip wordt gestabiliseerd maar rond die positie kan draaien. De paal is opgenomen in een (veelal in de lengterichting van het schip verplaatsbare) paalwagen op het achterschip die beperkt draaibaar rond een horizontale dwarsas gemonteerd is. Het aan de ladder nabij de boeg van de cutterzuiger bevestigde snijzuigerhoofd wordt vervolgens onder water gebracht en heen en weer van bakboord tot stuurboord over de bodem voortbewogen, om een boogvormig deel van de bodem te bewerken (zie figuur 1A van het octrooi, weergegeven in 2.8).

4.4.

Om nauwkeurig (in een rechte lijn) te kunnen baggeren, is het van belang dat de verbinding tussen het schip en de waterbodem zo stijf mogelijk is. Tegelijkertijd zal het schip tijdens het baggeren (door Dredging het ‘Werkbaar Traject’ genoemd) als gevolg van het baggeren zelf en, bij baggeren op zee of in onbeschutte wateren, als gevolg van golfslag en deining, ten opzichte van de bodem bewegen. Hierdoor komen krachten te staan op de paal en de paalwagen die door het systeem moeten kunnen worden opgevangen. Het is dus ook van belang dat de paalwageninstallatie een zekere flexibiliteit heeft om de krachten te kunnen compenseren.

4.5.

De flexibiliteit tijdens het baggeren (in het ‘Werkbaar Traject’) kan in de eerste plaats uit de paal zelf komen. Hierin kan verder worden voorzien door een kruisdraadsysteem dat bestaat uit twee paar gekruiste (staal)draden en (geleidings)schijven, waarbij de staaldraden op voorspanning worden gebracht door hydraulische cilinders. Deze staaldraden fungeren tijdens het baggeren tot op zekere hoogte als een veer. In figuur 3 van het octrooi is één paar gekruiste staaldraden (in het octrooi aangeduid als veermiddelen, veerelementen of draden, in het Engels respectievelijk als spring means, spring elements of wires) weergegeven. Figuur 3 van EP 849 is hieronder nogmaals weergegeven met door Dredging daarin aangebrachte kleuren waarbij de twee verschillende draden of veerelementen (40 en 41) en de hydraulische cilinders (32 en 33) duidelijk te onderscheiden zijn.

4.6.

Het hieronder opgenomen stilstaande beeld uit de door Dredging in het geding gebrachte videofilm laat zien op welke wijze het kruisdraadsysteem aan (de onderdelen van) het schip met de paal(wagen) is verbonden.

4.7.

Om te voorkomen dat bij zwaar weer en zware deining schade optreedt aan de paal(wagen)constructie moet het baggeren worden gestaakt wanneer de krachten boven een bepaald vooraf ingesteld maximum uitkomen (door Dredging de ‘Overloadsituatie’ genoemd). De meest gebruikelijke manier om schade te voorkomen is door een overdrukventiel of overstort aan het systeem te koppelen. Het overdrukventiel is bij normaal bedrijf gesloten, maar opent zich wanneer de druk in de hydraulische aandrijfolie, groter wordt dan het vooraf ingestelde maximum drukniveau. Op het moment van openen van het overdrukventiel loopt olie uit het hydraulische systeem weg, neemt de spanning op het systeem af en neemt daardoor de kans dat de draden of de paal breken aanzienlijk af. Doordat olie uit het hydraulische systeem is ontsnapt, is het systeem niet meer in evenwicht; de paal/het systeem hangt scheef. Om het hydraulische systeem weer in evenwicht te brengen, zal olie moeten worden toegevoegd en zullen de kruisdraden weer op spanning moeten worden gebracht. Dit is een manueel proces.

Vakman

4.8.

Bij de hierna volgende bespreking van de door Boskalis gevoerde nietigheidsbezwaren, voorafgegaan door overwegingen over wat Dekker openbaart en waarin het octrooi voorziet, zal als de octrooirechtelijke gemiddelde vakman worden beschouwd een deskundige op het gebied van de bouw van offshore baggerschepen, in het bijzonder CSD’s. Die deskundige beschikt over algemene vakkennis op het gebied van hydrauliek. De TKB is uitgegaan van eenzelfde deskundige. Partijen zijn het hierover in de kern ook eens, zij het dat Boskalis heeft aangevoerd dat de vakman zou moeten bestaan uit een team van voornoemde deskundige en een expert op het gebied van hydrauliek. Anders dan Boskalis aanvoert,· is een hydraulisch expert naar het oordeel van de rechtbank, gezien het hierna onder inventiviteit te bespreken technische probleem, echter niet nodig..

Dekker

4.9.

Vast staat dat Dekker tot de stand van de techniek behoort. In Dekker wordt de CSD Bilberg I beschreven. Tussen partijen is niet in geschil dat uit die beschrijving volgt dat de Bilberg I is voorzien van het hiervoor omschreven kruisdraadsysteem, zoals weergegeven in figuur 3.5 van Dekker (zie 2.9). De hydraulische cilinder waarmee de kruisdraden op voorspanning worden gebracht, wordt in figuur 3.5 van Dekker in het Duits aangeduid als ‘Spannzylinder’. Dekker beschrijft verder dat de flexibiliteit van het systeem kan worden vergroot door op de hydraulische cilinders een drukvat aan te sluiten, die werkt als extra veer in aanvulling op de spud en de draden. Dat drukvat (door partijen ook wel aangeduid als accumulator) is in figuur 3.5 van Dekker gekoppeld ingetekend aan de bovenzijde van de ‘Spannzylinder’.

4.10.

Ook een overstort is benoemd in Dekker (op p. 20, regel 8, zie 2.9 “Omdat bij een bepaalde druk in de cilinder de overstort in werking treedt, is de kans op draadbreuk kleiner geworden”). In figuur 3.6 van Dekker (zie 2.9) is de kracht waarbij de overstort in werking treedt, weergegeven met de horizontale lijn bij ‘250’ op de verticale as. Vanaf het moment van inwerkingtreding van het overdrukventiel loopt olie uit het hydraulische systeem weg en blijft de druk in het systeem gehandhaafd op het ingestelde maximum. In figuur 3.5 van Dekker is het overdrukventiel niet weergegeven, maar wel in de door beide partijen gebruikte vereenvoudigde schematische weergave van de stand van de techniek als hieronder opgenomen. In die weergave is ook een afsluiting (‘klep’) getekend (met twee pijltjes naar elkaar toe) tussen voornoemd(e) accumulator/drukvat en de rest van het hydraulische systeem.

4.11.

Onbetwist is dat in de hier besproken opstelling volgens Dekker tijdens het baggeren - het Werkbaar Traject - kan worden gewerkt in twee standen. De ene stand is de flexibele stand, de zogenaamde flex mode, waarin voornoemde klep manueel is geopend en de aan de hydraulische cilinder verbonden accumulator werkt als een extra veer in aanvulling op de spud en de draden. In de andere stand is de klep gesloten en wordt meer stijfheid in het systeem gebracht omdat alleen de spud en de draden als veer dienen, de zogenaamde fixed mode. Niet in geschil is dat de fixed en de flex mode bij Dekker alternatieven van elkaar vormen. Niet in geschil is voorts dat baggeren in de fixed mode de voorkeur verdient omdat dan nauwkeuriger gebaggerd kan worden (vgl. 4.4 hiervoor). In beide standen treedt de overstort in werking wanneer de kracht op het systeem een bepaald maximum overschrijdt (de Overloadsituatie). In figuur 3.6 van Dekker wordt getoond welk effect de verschillende veren hebben op het verloop van de kracht. Ook is niet in geschil dat de fixed mode en de flex mode, uitgaande van het beschreven kruisdraadsysteem van de Bilberg I, worden weergegeven door respectievelijk de 3e en 4e lijn van rechts in figuur 3.6., In de volgende door beide partijen gehanteerde bewerking van die figuur, zijn alleen die twee lijnen weergegeven. Ter zitting waren partijen het er over eens dat het startpunt van de in figuur 3.6 van Dekker (en dus ook in de hieronder opgenomen afbeelding) weergegeven lijnen (het punt waar de assen elkaar kruisen), de kracht ter grootte van de voorspanning moet zijn, dat wil zeggen de Fpre-tens of Fv, en niet nul.

EP 849

4.12.

Dredging stelt dat het octrooi voorziet in extra flexibiliteit in een Overloadsituatie ten opzichte van de stand van de techniek waardoor de irreversibele situatie van het wegvloeien van olie via het overdrukventiel minder snel intreedt. Als gevolg hiervan kan het systeem ook na het intreden van de Overloadsituatie in het algemeen zonder manueel ingrijpen weer terugkeren naar de uitgangspositie. Dat is volgens Dredging te danken aan de in conclusie 1 van EP 849 B2 opgenomen en beschreven veerkrachtbegrenzer (piston accumulator) (50), die de kern van dit geschil vormt. Volgens conclusie 1 van het octrooi, de beschrijving (paragrafen [0008] en [0023] t/m [0027]) en de toelichting daarop van Dredging, die door Boskalis niet, althans niet onderbouwd, is weersproken, werkt die opstelling, weergegeven in de hieronder door beide partijen gehanteerde bewerking van figuren 4 en 57 van het octrooi als volgt (zie voor de hierna vermelde definities en de nummers de figuren 4 en 5 als hiervoor opgenomen in 2.8).

Bewerking van figuur 5 van het octrooi

Bewerking van figuur 4 van het octrooi

4.13.

De hydraulische cilinder wordt eerst op voorspanning Fv of Fpre-tens gebracht, al dan niet met behulp van de accumulator aan de rechterkant, in figuur 5 van het octrooi aangeduid als (56). Die accumulator is optioneel bij de inrichting volgens het octrooi. De hydraulische veer kan, naar Dredging onweersproken heeft gesteld, ook op een andere manier op voorspanning worden gebracht. Bij gebruik van deze accumulator om de draden op voorspanning te brengen, is deze tijdens het baggeren - anders dan bij de hiervoor beschreven flex mode uit de stand van de techniek - van het hydraulische systeem afgesloten. Vervolgens wordt de veerkrachtbegrenzer, in figuur 5 weergegeven als (50) (de combinatie van de vrije zuiger 51 en de accumulator/accu 52), op een hogere vooraf ingestelde kracht Fmax ingesteld. Fmax is hoger dan Fpre-tens (zie figuur 4 van het octrooi) en bevindt zich aan de bovengrens van het ‘Werkbaar Traject’ (in de figuur hierboven aangeduid als ‘traject 1’), terwijl Fpre-tens aan de ondergrens daarvan ligt. Het baggeren bij de inrichting volgens het octrooi (het Werkbaar Traject) vindt plaats in de (voorkeurs) fixed mode, waarbij de krachten worden opgevangen door de spud en de draden. Wanneer de krachten op de hydraulische cilinder (32 in figuur 5) de ingestelde kracht Fmax in de (accumulator van de) veerkrachtbegrenzer (50) overschrijden, is sprake van de Overloadsituatie (hierboven weergegeven als ‘traject 2’). De zuigers van de vrije zuiger (51 in figuur 5) en van de hydraulische cilinder bewegen naar binnen, waardoor de spud flexibel wordt en de spanning op de draden wordt begrensd. Dit gebeurt automatisch bij het overschrijden van Fmax (“when the tension in the spring rises above a determined maximum value”; zie paragraaf [0008] en [0025] van de beschrijving en conclusie 1 EP 849 B2). De krachten worden vanaf dat moment mede opgevangen door de veerkrachtbegrenzer. In beginsel wordt het baggeren dan gestaakt. Daarbij geldt dat hoe ver de spud kan verplaatsen, afhankelijk is van de lengte van de cilinder, en dat de mate waarin de spanning op het veermiddel toeneemt, wordt bepaald door de grootte van de accumulator (52, in figuur 5). Wanneer de krachten weer afnemen, zullen de zuigers automatisch terugschuiven en komt de CSD, wanneer de krachten onder Fmax dalen, vanzelf weer in het Werkbaar Traject (in de fixed mode) en kan het baggeren worden hervat. Dit is alleen anders wanneer de krachten zo groot worden dat de overstort in werking treedt. In dat geval moeten de spud en het systeem manueel worden teruggezet in de uitgangspositie.

4.14.

Anders dan Boskalis betoogt, heeft de accumulator (52) die onderdeel is van de veerkrachtbegrenzer van conclusie 1 van EP 849 B2 derhalve een andere functie dan accumulator (56). Ook de door Boskalis voorgestane uitleg die erop neerkomt dat, kort gezegd, het enige verschil tussen Dekker en EP 849, is dat in EP 849 een extra zuiger 51 is toegevoegd die geen duidelijke functie heeft, is gelet op het voorgaande, niet houdbaar. In die uitleg ligt besloten dat in EP 849, Fmax hetzelfde is als Fpre-tens. Die stelling mist gelet op het voorgaande feitelijke grondslag. Wanneer figuur 4 van het octrooi wordt vergeleken met figuur 3.6 van Dekker, blijkt ook dat dit niet het geval kan zijn. De weergave van Boskalis van het verloop van de krachten bij (Bilberg I als omschreven in) Dekker, zie 3.2.6, in het bijzonder de rode lijn (van 0 tot Fpre-tens) links van de verticale stippellijn, is niet te rijmen met haar erkenning ter zitting dat de spanning in de veerelementen pas oploopt wanneer de voorspanning (Fpre-tens) wordt overschreden, zodat de rechtbank voorbij gaat aan die aangepaste weergave van figuur 3.6 van Dekker.

4.15.

De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van Boskalis dat zowel de overstort als het drukvat in Dekker kwalificeren als de veerkrachtbegrenzer van conclusie 1 van EP 849 B2. De veerkrachtbegrenzer in het octrooi treedt bij Fmax automatisch in werking en vervolgens neemt de maximale spanning nog langzaam toe. Zoals hiervoor overwogen, treedt bij Dekker bij de ingestelde maximum spanning de overstort of het overdrukventiel in werking en loopt olie weg uit het hydraulische systeem. De druk in het systeem blijft dan gehandhaafd op het ingestelde maximum. Het drukvat kan anders dan de veerkrachtbegrenzer van conclusie 1 van het octrooi in werking treden op elk willekeurig moment tussen Fpre-tens en Fmax waarop het wordt aangesloten (waarna sprake is van de flex mode tot het moment dat het drukvat weer wordt afgesloten en de fixed mode weer intreedt). Bij zowel de fixed mode als de flex mode geldt echter dat bij dezelfde maximale spanning Fmax het overstortventiel in werking zal treden.

Toegevoegde materie

4.16.

Boskalis voert in de eerste plaats aan dat het octrooi moet worden vernietigd omdat conclusie 1 van EP 849 B2 ongeoorloofde toegevoegde materie bevat. Daarvan is sprake, wanneer de gemiddelde vakman als gevolg van een wijziging, technisch relevante informatie verschaft wordt, die hij met zijn algemene vakkennis, niet rechtstreeks en ondubbelzinnig, impliciet dan wel expliciet uit de oorspronkelijk ingediende aanvrage kan afleiden (de ‘disclosure test’). De ratio van dit geldigheidsbezwaar is dat de aanvrager van een octrooi, in verband met de rechtszekerheid voor derden, zijn rechtspositie niet mag verbeteren door bescherming te claimen voor materie die niet is geopenbaard in de oorspronkelijke aanvrage.

4.17.

Vooropgesteld wordt dat in dit geval geen sprake is van een uitbreiding door toevoeging van het “piston-kenmerk” (zie 2.3), maar van een beperking van de algemenere, oorspronkelijke conclusies 1 tot en met 3 tot een in de aanvrage (in paragraaf [0008], geopenbaarde voorkeurs-uitvoeringsvorm (preferred embodiment). De vraag die ter beantwoording staat, is of daarbij, zoals Boskalis stelt en Dredging betwist, sprake is van een ongeoorloofde intermediate generalisation. Van een intermediate generalisation kan sprake zijn wanneer in de gewijzigde conclusie (a) (een) afzonderlijk(e) kenmerk(en) is/zijn opgenomen van een set van kenmerken die (in de beschrijving van) de oorspronkelijke aanvrage8 alleen in combinatie in een uitvoeringsvorm is/zijn geopenbaard9 én (b) indien er structureel of functioneel verband is tussen die in combinatie beschreven kenmerken. Indien aan die twee voorwaarden is voldaan, is het mogelijk dat door het weglaten van een deel van de kenmerken van die combinatie, aan de vakman aanvullende, technisch relevante, informatie wordt geopenbaard die niet rechtsreeks en ondubbelzinnig uit de oorspronkelijke aanvrage is af te leiden zodat sprake is van een ongeoorloofde intermediate generalisation. In dit geval is daar echter, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake van zoals hierna zal worden toegelicht.

4.18.

De rechtbank is met Dredging van oordeel dat Boskalis per gesteld weggelaten kenmerk, mede gelet op de betwisting door Dredging, niet, althans onvoldoende, heeft toegelicht waarom het niet opnemen van de betreffende passage ertoe leidt dat sprake is van uitbreiding van de materie. Het weglaten van de gestelde kenmerken iv t/m ix (zie 3.2.2, kan reeds geen intermediate generalisation vormen, omdat deze niet in combinatie met de in paragraaf [0008] beschreven ‘preferred embodiment’ zijn beschreven, maar in paragrafen [0024] en [0025], als ‘non-limitative exemplary embodiments’ (zie paragraaf [0018]).

4.19.

Met betrekking tot de door Boskalis als (i), (ii) en (iii) aangeduide ‘kenmerken’ (zie 3.2.1) geldt dat gesteld noch gebleken is dat deze een structureel of functioneel verband vormen met de wel opgenomen kenmerken. Verder heeft (de octrooigemachtigde van) Boskalis ter zitting met betrekking tot de door haar als kenmerk (i) aangeduide passage te kennen gegeven dat een accumulator aan de bovenzijde van een hydraulische cilinder niet werkt. De vakman zal aldus bij lezing van de conclusie impliciet, op basis van zijn algemene vakkennis, begrijpen dat een accumulator aan de onderzijde van de hydraulische cilinder moet worden aangesloten. Het ‘weglaten’ van deze passage – die ook in de oorspronkelijke conclusie niet voorkwam – vormt derhalve geen ongeoorloofde uitbreiding van materie. Verder is het zo dat, nadat Dredging had betwist dat sprake is van het weglaten van kenmerk (ii), omdat dit een kennelijke verschrijving betreft en voor de vakman direct duidelijk is dat met ‘main cylinder’ de hydraulische cilinder bedoeld wordt, Boskalis haar stelling niet nader heeft onderbouwd. Vaststaat derhalve dat de vakman ook hierdoor niet met nieuwe informatie geconfronteerd wordt. Hetzelfde geldt voor het weglaten van de laatste twee zinnen van [0008], door Boskalis omschreven als kenmerk (iii). De rechtbank is met Dredging van oordeel dat deze passage geen functioneel technisch kenmerk vormt van de uitvinding, maar een beschrijving van wat er feitelijk gebeurt wanneer een voorwaartse kracht op de spud werkt (“If the force on the spud is acting in a forward direction”). Naar Dredging onbetwist heeft aangevoerd, zullen de gevolgen in omgekeerde richting optreden, wanneer de kracht op de spud in achterwaartse richting werkt. Weglaten van dit gevolg vormt voor de vakman evenmin nieuwe informatie.

4.20.

Bij geen van de door Boskalis aangevoerde en niet in conclusie 1 van EP 849 B2 opgenomen passages uit de aanvrage is derhalve sprake van het weggelaten van technische kenmerken die een onlosmakelijk geheel vormen met de in paragraaf [0008] geopenbaarde preferred embodiment. Van ongeoorloofde toegevoegde materie is dan ook geen sprake. Aan het in dit verband ingediende hulpverzoek 1 wordt daarom niet toegekomen.

Uitbreiding beschermingsomvang conclusie 1 van EP 849 B2?

4.21.

De stelling dat het “weglaten” van de in het kader van toegevoegde materie genoemde kenmerken (i) t/m (ix), leidt tot uitbreiding van de beschermingsomvang, wordt gepasseerd omdat Boskalis deze stelling – ook na betwisting daarvan door Dredging – niet anders heeft toegelicht dan door te verwijzen naar haar betoog ten aanzien van ongeoorloofde intermediate generalisation, welk betoog wordt gepasseerd.

4.22.

Voor het tweede argument van Boskalis in het kader van de uitbreiding van de beschermingsomvang, is de uitleg van de oorspronkelijk verleende conclusie 1 van EP 849 (B1 tekst), laatste zinsnede, van belang. Deze zinsnede luidt:

“a spring force limiting means (50) for limiting the tension in said spring element from a determined maximum moment on the spud carriage.”

Wanneer de term ‘limiting’, in navolging van Boskalis, beperkt - te weten als een absolute beperking van de spanning - moet worden uitgelegd, verschiet die term van kleur in de B2 tekst. Niet in geschil is immers dat ‘limiting’ in die tekst ruimer is, omdat het daar in ieder geval ‘increases only slowly’ omvat.

4.23.

De rechtbank stelt voorop dat zij de conclusie zelfstandig zal moeten uitleggen. Zij is daarbij niet gebonden aan enige door de TKB gegeven uitleg. Daarbij geldt dat de beschermingsomvang wordt bepaald door de conclusies, maar dat deze moeten worden uitgelegd in het licht van de beschrijving en de tekeningen. Bij de uitleg is van belang dat zowel een billijke bescherming aan de aanvrager als een redelijke mate van rechtszekerheid aan derden wordt geboden.

4.24.

Naar het oordeel van de rechtbank is het voor de vakman bij lezing van de beschrijving (B1 tekst) onmiskenbaar dat in de oorspronkelijke conclusie 1 bedoeld is onder bescherming te stellen dat de spanning in het veermiddel/element na het bereiken van een bepaalde maximum kracht Fmax, beperkt wordt, in die zin dat de spanning daarna slechts langzaam toeneemt. Dit wordt meermalen expliciet genoemd in de beschrijving, waaronder in de hierna weergegeven passages.

When the moment on the spud carriage becomes greater than a determined maximum moment, the spring force then hardly increases further”(paragraaf [0006], r. 54)

When the tension in the spring rises above a determined maximum value which is a function of the pressure of the accumulator, pistons of main cylinder and cylinder with free piston move inward, whereby the spring force increases only slowly while the spud carriage rotates.” (paragraaf [0008], r. 15)

4.25.

De passage “the wire does not stretch further” uit paragraaf [0024] van de beschrijving, en figuur 4, rechter gedeelte (range 2), waarop Boskalis zich beroept, kunnen, in isolatie gelezen, weliswaar aldus worden begrepen dat sprake is van een absolute beperking van de spanning vanaf het bereiken van Fmax. Echter, deze passage en deze figuur kunnen niet los worden gezien van de tekst van de conclusies, de andere tekeningen en de rest van de beschrijving, waaruit de vakman blijkt dat bedoeld is dat de spanning nog slechts langzaam toeneemt. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat - zoals hiervoor al overwogen - Boskalis ook een bewerking van figuur 4 hanteert (zie 3.2.6) waarin het rechter gedeelte (traject 2) nog langzaam toeneemt.

4.26.

Een strikte uitleg van de term limiting in conclusie 1 van de B1 tekst ligt bovendien niet voor de hand, omdat in dat geval de uitvinding technisch gezien niet kan werken. Ook lezing met een ‘mind willing to understand’ brengt mee dat de term limiting in de oorspronkelijke conclusie 1 ruim moet worden uitgelegd. In die zin ook de TKB, wanneer zij de conclusie interpreteert in samenhang met conclusie 3 van het octrooi zoals verleend. Weliswaar kwam zij aanvankelijk tijdens de zitting, op basis van een zuiver tekstuele uitleg van conclusie 1, tot een engere betekenis van limiting, maar dit is achterhaald door hetgeen zij daarover vervolgens in de uitspraak heeft overwogen. Voor zover Boskalis ter zitting nog heeft aangevoerd dat ‘slightly’ (als in: een klein stukje) nog altijd wat anders is dan ‘slowly’ mist die stelling feitelijke grondslag. Het woord ‘slightly’ komt in de B1 tekst niet voor.

4.27.

De slotsom van het voorgaande is dat ‘limiting’ in de oorspronkelijke conclusie 1 dezelfde betekenis heeft als in de in stand gelaten conclusie 1, zodat geen sprake is van uitbreiding van de beschermingsomvang.

Inventiviteit

4.28.

Boskalis stelt tot slot dat (conclusie 1 van) het octrooi inventiviteit ontbeert. Voor de beoordeling van inventiviteit geldt als uitgangspunt de tekst van het octrooi zoals uiteindelijk in stand gehouden, de B2 tekst.

4.29.

Conclusie 1 van EP 849 B2 wordt, in navolging van partijen, opgedeeld in de volgende deelkenmerken:

1. Apparatus for accommodating

1a. a substantially vertical spud (3)

1b. of a dredging vessel with a longitudinal direction,

1c. comprising a spud carriage (6)

1d. which is mounted for limited rotation around a horizontal transverse axis (18),

wherein

1e. at least a first and a second spring means (40, 41) is arranged under bias between vessel and spud in the longitudinal direction for the purpose of absorbing a moment on the spud carriage, which first and second spring means compensate each other in the non-loaded situation of the spud; and that

1f. at least one spring means is provided with a spring force limiting means (50) for limiting the tension in said spring element from a determined maximum moment on the spud carriage,

wherein further

2. the first and second spring means are connected by means of respectively a first and second hydraulic cylinder (32, 33) to the vessel for the purpose of applying the desired bias,

3. the spring force limiting means (50) comprises a piston accumulator (51, 52) which is connected to the corresponding hydraulic cylinder, the piston accumulator comprising a cylinder with free piston and an accumulator, arranged such that when the tension in the at least one spring means rises above a determined maximum value which is a function of the pressure of the accumulator, pistons of the hydraulic cylinder and the cylinder with free piston move inward and the spring force increases only slowly while the spud carriage rotates.

4.30.

De rechtbank ziet Dekker, met partijen, als meest nabije stand van de techniek. In het bijzonder de daarin geopenbaarde CSD Bilberg I is voor deze zaak relevant. Gelet op het oordeel van de rechtbank dat de kenmerken 1a t/m e en 2 van conclusie 1 van het octrooi in Dekker geopenbaard worden, zoals hierna wordt toegelicht, kan de URSA die door Boskalis als alternatief voor de meest nabije stand van de techniek wordt aangedragen, buiten beschouwing blijven omdat niet gesteld is dat daarin meer of andere kenmerken zijn geopenbaard. In het verlengde hiervan kan ook in het midden blijven of de URSA al dan niet openbaar is voorgebruikt.

4.31.

Niet in geschil is dat in Dekker deelkenmerken 1a-d van conclusie 1 van het octrooi geopenbaard zijn. Wat betreft deelkenmerk 1e heeft Dredging bij de conclusie van antwoord betwist dat Dekker expliciet openbaart “which first and second spring means compensate each other in the non-loaded situation of the spud”. Ook heeft Dredging bij die conclusie betwist dat Dekker openbaart dat de hydraulische cilinders (net als de schijven) aan het schip zijn verbonden (deelkenmerk 2). Nadat Boskalis de beide bezwaren heeft bestreden door gemotiveerd te stellen dat de vakman deze deelkenmerken wel degelijk in Dekker zal lezen en dat voor de vakman duidelijk is dat de in Dekker beschreven inrichting zonder die kenmerken niet werkt, is Dredging niet meer teruggekomen op deelkenmerk 1e of deelkenmerk 2. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat voor de vakman in ieder geval impliciet duidelijk en ondubbelzinnig uit Dekker volgt dat de kruisdraden elkaar compenseren in de beginstand en dat de hydraulische cilinders aan het schip zijn verbonden.

4.32.

Partijen verschillen eveneens van mening over de vraag of Dekker ‘a spring force limiting means’ uit deelkenmerk 1f van conclusie 1 van het octrooi openbaart. Met Boskalis is de rechtbank van oordeel dat ‘a spring force limiting means’ in dit deelkenmerk in de oorspronkelijke conclusie 1 (B1 tekst) – afgezien van de verwijzing naar (50) – zo kan worden uitgelegd dat, onder meer, een overstortventiel zoals beschreven in Dekker, als zodanig kan worden aangemerkt. De veerkrachtbegrenzer is in die conclusie immers niet nader gepreciseerd. Ook een overstort treedt in werking vanaf een vooraf ingestelde maximum waarde. In die zin overwoog ook de TKB in het kader van de nieuwheid van conclusie 1 van de B1 tekst. In conclusie 1 van de B2 tekst, die hier ter beoordeling voorligt, heeft de veerkrachtbegrenzer echter een beperktere betekenis, zoals beschreven in deelkenmerk 3. In deelkenmerk 3 wordt door het beginwoord “the” en de aanduiding (50) achter ‘spring force limiting means’ duidelijk terugverwezen naar diezelfde ‘spring force limiting means (50)’ in deelkenmerk 1f. De term ‘spring force limiting means (50)’ uit deelkenmerk 1f heeft in de B2 tekst, zoals Dredging terecht betoogt, dan ook geen zelfstandige betekenis naast deelkenmerk 3.

4.33.

Alleen deelkenmerk 3 (en daarmee de ‘spring force limiting means’ uit deelkenmerk 1f), door partijen ook wel het Piston-kenmerk genoemd, is derhalve niet in Dekker geopenbaard. In deelkenmerk 3, zijn de volgende technische verschillen met Dekker te onderscheiden:

3.1.

een veerkrachtbegrenzer (50), bestaande uit een cilinder met vrije zuiger (51) en een accumulator (52) (“the spring force limiting means (50) comprises a piston accumulator […], the piston accumulator comprising a cylinder with free piston and an accumulator”)

3.2.

die zo is ingesteld dat deze automatisch in werking treedt wanneer de spanning in een veerelement boven een vooraf ingestelde maximumwaarde komt die een functie is van de druk in de accumulator (“arranged such that when the tension in the at least one spring means rises above a determined maximum value which is a function of the pressure of the accumulator, pistons of the hydraulic cylinder and the cylinder with free piston move inward”);

3.3

waarbij de veerkracht in het veerelement slechts langzaam toeneemt terwijl de paalwagen (met daarin de spud) roteert (“the spring force increases only slowly while the spud carriage rotates”).

4.34.

De rechtbank kan de stelling van Boskalis dat het Piston-kenmerk niet in Dekker is geopenbaard niet rijmen met haar stelling dat het enige verschil tussen conclusie 1 van het octrooi en Dekker is de toevoeging van een cilinder met vrije zuiger tussen de hydraulische cilinder en de accumulator. Het gaat in deelkenmerk 3 immers niet alleen om een cilinder met vrije zuiger, maar om een veerkrachtbegrenzer (waarvan die cilinder met vrije zuiger onderdeel is), met een aantal kenmerken (zie voor de werking van de opstelling onder 4.13). Onder 4.14 is ook al overwogen waarom de stelling van Boskalis dat de extra zuiger 51 het enige verschil is tussen het octrooi en Dekker niet houdbaar is.

4.35.

De hiervoor weergegeven verschillen hebben als technisch effect dat minder risico bestaat op schade bij zware golfslag of deining doordat het systeem automatisch flexibel wordt wanneer de kracht het vooraf ingestelde maximum Fmax te boven gaat. Ook wordt de werkbaarheid van een CSD met een veerkrachtbegrenzer van het octrooi vergroot omdat de spud, als de kracht weer afneemt tot onder Fmax, automatisch in de verticale onbelaste uitgangspositie terugkeert waardoor het mogelijk is snel en efficiënt door te baggeren. Dredging heeft nog gewezen op een derde technisch effect, te weten dat door gebruik te maken van het Piston-kenmerk gekozen kan worden om in het Werkbaar Traject uitsluitend stijf en dus nauwkeurig te baggeren. Nu Dredging dit derde effect voor het eerst bij pleidooi naar voren heeft gebracht en overigens onvoldoende heeft toegelicht, laat de rechtbank dit verder buiten beschouwing.

4.36.

Uitgaande van (de CSD Bilberg I beschreven in) Dekker, is het objectieve technische probleem, ook volgens partijen, het vergroten van de werkbaarheid van de CSD bij hoge golven of deining. Dredging heeft niet toegelicht waarom daaraan “met inachtneming van de veiligheid” moet worden toegevoegd. De rechtbank ziet daartoe ook overigens geen aanleiding.

4.37.

De vraag is vervolgens of de oplossing die EP 849 B2 voor dit probleem biedt, te weten het toevoegen van de daar beschreven veerkrachtbegrenzer, voor de gemiddelde vakman op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek.

4.38.

Anders dan Boskalis betoogt, bevat Dekker geen pointers die op deze oplossing duiden. Weliswaar is in Dekker beschreven dat de veerstijfheid van de draden gemodificeerd kan worden door het toevoegen van een gasveer, maar deze gasveer werkt, zoals onder meer uit (de 4e gestippelde lijn van rechts in) figuur 3.6 van Dekker blijkt, vanaf de Fpre-tens in de flex mode (wanneer de verbinding met de gasveer of accumulator open staat). Dekker beschrijft een hydraulische methode om de veerkracht van het systeem uit te breiden in het Werkbaar Traject, maar nergens verwijst zij naar een oplossing waarbij de veerkracht automatisch en reversibel wordt begrensd in de Overloadsituatie vanaf een waarde Fmax die boven de voorspanning (Fpre-tens) ligt. De uitvinding ziet niet op het als het ware in serie schakelen van de (draad)veer met een aan de hydraulische spancilinder gekoppelde accumulator, zoals geopenbaard in Dekker, maar op het toevoegen van een piston accumulator die pas bij een vooraf ingestelde hogere kracht automatisch in werking treedt, waardoor minder risico bestaat op schade en de werkbaarheid van het systeem wordt vergroot. Het betoog van Boskalis dat de geboden oplossing voor een hydraulisch expert voor de hand lag, is gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat Fpre-tens en Fmax hetzelfde zijn. Waarom de vakman de oplossing voor het objectieve technische probleem toch (enkel) zal zoeken in de verbetering van de hydrauliek (en niet, zoals de TKB heeft overwogen, in het aanpassen van het schip of de spud of voor het kiezen voor een andere installatie) heeft Boskalis niet nader toegelicht.

4.39.

Gesteld noch gebleken is voorts dat de publicatie WODCON, waarop Boskalis zich nog beroept, iets toevoegt aan hetgeen reeds door Dekker wordt geopenbaard. De overige verweren van Boskalis behoeven geen behandeling nu deze uitgaan van een ander objectief probleem.

4.40.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de inventiviteitsaanval van Boskalis op conclusie 1 van EP 849 B2 niet slaagt. Aan het door Dredging in verband met de inventiviteit ingediende, beperkende, tweede hulpverzoek wordt gelet daarop niet toegekomen. Inventiviteit van conclusie 1 brengt mee dat de volgconclusies 2-8 eveneens inventief zijn.

Slotsom

4.41.

Nu geen van de nietigheidsargumenten van Boskalis slaagt, zal de vordering worden afgewezen.

Proceskosten in de hoofdzaak

4.42.

Als de in het ongelijk gestelde partij, zal Boskalis in de proceskosten in de hoofdzaak worden veroordeeld. Partijen zijn het erover eens dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is op de hoofdzaak.

4.43.

De rechtbank zal Boskalis niet veroordelen in de volledige proceskosten die Dredging als nodeloos gemaakt van Boskalis vordert. Voor zover de laatste zin van artikel 237 lid 1 Rv al de mogelijkheid biedt om Boskalis in aanvullende kosten te veroordelen, met name nu slechts sprake is van het voor rekening laten van nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten, heeft Dredging, naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door Boskalis, onvoldoende toegelicht dat Boskalis de procedure bij het EOB had moeten afwachten. Gelet op de lange duur van oppositieprocedures, het (geslaagde) verzet van Dredging tegen de door Boskalis verzochte versnelde procedure bij het EOB en de onzekere uitkomst van die procedure, is het belang van Boskalis om zekerheid te verkrijgen in deze nietigheidsprocedure, gegeven. Van misbruik van recht of onrechtmatig handelen – nog daargelaten dat daartoe geen vordering in reconventie is ingesteld – is evenmin sprake, zodat verhaal op Boskalis van gestelde ‘nodeloos gemaakte (proces)kosten niet aan de orde is.

4.44.

De kosten worden begroot volgens het liquidatietarief. Aan de zijde van Dredging worden de kosten in de hoofdzaak tot aan dit vonnis vastgesteld op:

- griffierecht 613

- salaris advocaat 1.356 (3 punten × tarief € 452)

Totaal € 1.969

De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals door Dredging gevorderd. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (zie HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

Proceskosten in het incident

4.45.

De kosten in het incident zullen worden gecompenseerd nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, Dredging in het bevoegdheidsincident en Boskalis in het aanhoudingsincident.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt Boskalis in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van Dredging tot op heden begroot op € 1.969,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na het wijzen van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

compenseert de kosten in het incident, in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Loos, mr. M. Knijff en mr. M.E. Kokke en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.

Voetnoten

1
Boskalis heeft een vergelijkbare tabel opgenomen (in de akte houdende wijziging grondslag eis tevens houdende wijziging eis, onder 7.) maar noemt daar conclusie 10 B1 tekst als corresponderend met conclusie 8 B2. De rechtbank merkt dit aan als een kennelijke verschrijving.
2
Figuur 3.4 bestaat uit meerdere afbeeldingen. Van figuur 3.4 is hierna alleen de onderste afbeelding overgenomen
3
Rijksoctrooiwet 1995
4
Europees octrooiverdrag
5
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
6
Verordening (EU) 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, inwerkingtreding: 9-1-2013, PB EU 2012, L 351/1 (de ‘herschikte EEX-Verordening’)
7
In het uitvoeringsvoorbeeld van figuur 5 van het octrooi is een derde accumulator (55) weergegeven die hier wordt weggelaten. Deze accumulator is volgens het octrooi optioneel en dient om te voorkomen dat de spanning in de niet-belaste veer/draad te laag wordt, of, in de woorden van het octrooi, onder een kritische waarde (Fcrit in figuur 4), komt. Vergelijk conclusies 2 en 3 van de B2 tekst en par. [0027] van de beschrijving.
8
Nu de tekst van de aanvrage overeenkomt met de B1 tekst zal de rechtbank, grotendeels in navolging van partijen, steeds verwijzen naar de in de B1 tekst genoemde alinea nummers in plaats van de corresponderende pagina- en regelnummers in de (WO-)aanvrage. Dit laat uiteraard onverlet dat de vraag of sprake is van toegevoegde materie moet worden getoetst ten opzichte van de aanvrage.
9
Vgl. Case Law of the Boards of Appeal of the European Patent Office 2016, II.E.1.7