ECLI:NL:RBDHA:2017:6092 Rechtbank Den Haag , 11-05-2017 / NL17.1885

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.1885

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2017 in de zaak tussen


[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.1886, plaatsgevonden op 11 mei 2017. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk op 11 mei 2017 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is van Marokkaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum].

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit Eurodac is gebleken dat eiser geregistreerd is op grond van een illegale inreis in Italië op 15 juni 2016 en dat hij een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend in Duitsland op 27 juli 2016. Vanwege de Italiaanse Eurodac treffer is Italië in 2016 door Duitsland gevraagd om eiser terug te nemen op grond van de Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening). Dit verzoek is door Italië afgewezen. De Duitse autoriteiten hebben op 13 december 2016 de asielaanvraag van betrokkene in Duitsland afgewezen, omdat eiser op 24 augustus 2016 met onbekende bestemming is vertrokken en omdat eiser niet is verschenen bij zijn gehoor. Nederland heeft op 2 april 2017 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Dit verzoek is op 4 april 2017 door Duitsland aanvaard.

3. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconcludeerd dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming en is terecht besloten om eiser aan Duitsland over te dragen.

4. Eisers stelling dat zijn aanvraag in Duitsland geen kans van slagen heeft en overdracht zal betekenen dat hij naar Marokko zal worden teruggestuurd leidt niet tot een ander oordeel. In de Dublinprocedure gaat het slechts om het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat en wordt niet toegekomen aan inhoudelijk beoordelen van het verzoek om internationale bescherming. Temeer nu Duitsland heeft ingestemd met de overdracht van eiser, moet worden aangenomen dat Duitsland het opvolgende verzoek van eiser zal beoordelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Het is aan Duitsland om te oordelen over eisers standpunt dat Marokko (voor hem) geen veilig land van herkomst is.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van

mr. W. Evenhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2017.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.