ECLI:NL:RBDHA:2017:6102 Rechtbank Den Haag , 30-05-2017 / AWB - 16 _ 2676

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/2676

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 mei 2017 in de zaak tussen


[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H. Elink Schuurman),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2015 (hierna: de beschikking) de waarde van de hierna onder 1. te noemen onroerende zaak, op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), op waardepeildatum 1 januari 2014, voor het kalenderjaar 2015 vastgesteld.

Met de beschikkingen is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres opgelegde aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (eigenarenbelasting) voor het jaar 2015.

Eiseres heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt. Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Wet WOZ wordt dit bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de aanslag.

Bij uitspraak op bezwaar van 24 februari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2017.

Namens eiseres zijn verschenen mr. R. van den Berg en ir. K. Domen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. R.P.M.M. Mols en G.J.M. van Rooijen .

Gelijktijdig met het onderhavige beroep zijn behandeld de beroepen met registratienummer SGR 16/2677; SGR 16/2678 en SGR 16/2702; Unibail-Rodamco Se/de heffingsambtenaar van de gemeente Zoetermeer.

Overwegingen

Feiten

1. Verweerder heeft bij genoemde beschikking van 28 februari 2015 de WOZ-waarde van de navolgende onroerende zaak vastgesteld:

[adres] ;

Waarde € 890.000.

Hierna te noemen de parkeergarage.

2. Eiseres is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de parkeergarage.

3. Op 30 april 2015 en op 18 november 2015 hebben naar aanleiding van het bezwaar hoorzittingen plaatsgevonden. Naar aanleiding van hetgeen aldaar is besproken heeft verweerder om nadere informatie gevraagd met betrekking tot de passantenstroom van de garage, de inkomstenstroom, de uitgavenkant, onderhoud en servicekosten en een berekening op basis van de bedrijfswaarde versus de gecorrigeerde vervangingswaarde.

4. Bij email van 7 december 2015 en bij brief van 16 december 2015 is dit verzoek herhaald.

5. Naar aanleiding van de reactie van eiseres bij email van 22 en 24 december 2015 en de daarbij verstrekte gegevens heeft verweerder nogmaals verzocht om overlegging van bovenstaande bedrijfsgegevens van de garage.

6. Op 7 juli 2016 heeft in opdracht van verweerder de taxateur G.M.J. van Rooijen een taxatierapport uitgebracht. Daarbij is de waarde van de garage getaxeerd met behulp van de gecorrigeerde vervangingswaarde en de comparatieve (vergelijkings)methode.

7. Bij brief van 23 februari 2017 heeft eiseres van de parkeergarage - onder meer - over 2014 een opgave van inkomsten parkeren en kosten en een spreadsheet ‘bedrijfswaarde berekening WOZ-waarde’ overgelegd.

Geschil 8.In geschil is de waarde van de parkeergarage op de waardepeildatum. Eiseres bepleit een lagere waarde. Eiseres heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de parkeergarage moet worden gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer die in beginsel niet zal afwijken van de gecorrigeerde vervangingswaarde. Door verweerder is de waarde van de garages vastgesteld aan de hand van een Discounted Cash Flow-berekening (DFC). Verweerder heeft echter geen inzicht gegeven in die berekening.

Eiseres stelt in beroep dat de waarde in het economisch verkeer van de parkeergarage op € 559.000 moet worden vastgesteld.

9. Verweerder heeft onder meer verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt op 7 juli 2016 door G.J.M. van Rooijen , register taxateur te Utrecht. In dit taxatierapport is de waarde op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de parkeergarage getaxeerd op € 919.000.

Beoordeling van het geschil

10. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (waarde in het economisch verkeer).

11. Ingevolge artikel 17, derde lid, van de Wet WOZ wordt, in afwijking van het tweede lid, de waarde van een onroerende zaak bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Uit dit artikellid volgt verder dat bij de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde rekening wordt gehouden met

a. de aard van de zaak;

b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering

waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

12. De vervangingswaarde, bedoeld in artikel 17, derde lid, van de wet, wordt berekend door bij de waarde van de grond van de onroerende zaak op te tellen de waarde van de opstal van de onroerende zaak. De waarde van de grond wordt bepaald door middel van een methode van vergelijking als bedoeld in het eerste lid, onder a, rekening houdend met de bestemming van de zaak. De waarde van de opstal wordt gesteld op de kosten die herbouw van een vervangend identiek object zouden vergen, gecorrigeerd met een factor wegens technische veroudering gebaseerd op de verstreken en de resterende gebruiksduur en met inachtneming van de restwaarde, en gecorrigeerd met een factor wegens functionele veroudering gebaseerd op economische veroudering, verouderde bouwwijze, ondoelmatigheid en excessieve gebruikskosten.

13. Uit artikel 4, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken volgt dat bij de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde voor bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken een zodanige factor voor veroudering wordt toegepast dat de waarde overeenkomt met de bedrijfswaarde van die onroerende zaak rekening houdend met de economische situatie in de desbetreffende branche of bedrijfstak.

14. Uit het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011, nr. 10/01134, (ECLI:NL:HR:2011:BQ0421) volgt dat indien sprake is van een incourante onroerende zaak die in de commerciële sfeer wordt gebezigd, de gecorrigeerde vervangingswaarde niet hoger kan worden gesteld dan de bedrijfswaarde, dat is de waarde die de onroerende zaak in economische zin voor de huidige eigenaar vertegenwoordigt.

Niet in geschil is dat de parkeergarage een incourante onroerende zaak is die bedrijfsmatig in de commerciële sfeer worden gebruikt.

15. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de garage niet te hoog heeft vastgesteld. De bewijslast of en in hoeverre de bedrijfswaarde van invloed is op de berekening van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de garage rust naar het oordeel van de rechtbank op eiseres.

(vgl. Hoge Raad, 10 juli 2015; ECLI:NL:HR:2015:1818).

16. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met het overleggen van het taxatierapport en hetgeen hij overigens heeft aangevoerd erin geslaagd om de door hem vastgestelde WOZ-waarde van de garage aannemelijk te maken en daartoe is het volgende overwogen.

17. In het taxatierapport van 7 juli 2016 is de waarde van de garage middels de gecorrigeerde vervangingswaarde bepaald op € 919.000. Bij het vaststellen van de bouwkosten is gebruik gemaakt van de Taxatiewijzer VNG. De bouwkosten van de garage zijn aan de hand van de gemiddelden van de kengetallen in de taxatiewijzer (bijlage 2b bij het taxatierapport) bepaald op € 3.316.926. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bruikbaarheid van deze getallen en evenmin aan de toepasselijkheid ervan voor de onderhavige onroerende zaak. Eiseres heeft dit ook niet gesteld.

Vervolgens is een afschrijving voor de ruwbouw, afbouw en installaties vastgesteld van € 1.346.780 (ruwbouw), € 204.647 (afbouw) en € 467.273 (installaties). Gelet op het bouwjaar van de garage (1986) acht de rechtbank de afschrijving voor genoemde componenten reëel en niet te laag. De aldus gevonden waarde van de garage van € 1.298.226 is vervolgens verminderd met 50% wegens economische/functionele veroudering. De actuele waarde van de garage komt daarmee op € 649.113. De correctie van 50% is toegepast omdat eiseres op de waardepeildatum verplicht was om gratis parkeren voor de eerste drie uur aan te bieden. Nu deze verplichting contractueel is vastgelegd is ook de rechtbank van oordeel dat hiervan een waarde drukkende invloed uitgaat. De rechtbank is van oordeel dat met de vermindering van de waarde van de garage met 50% voldoende rekening is gehouden met het gratis parkeren en de invloed daarvan op de bedrijfswaarde van de garage, mede gelet op de omstandigheid dat eiseres in verband met dit gratis parkeren een vergoeding ontvangt van de omliggende winkels en kantoren.

De waarde van de grond is in het taxatierapport bepaald op € 36 per m². Deze m²-prijs is door eiseres onvoldoende weersproken en de rechtbank acht deze m²-prijs, gelet op de (bouw) bestemming van de grond onder de garages, mede gelet op de prijzen per m² genoemd in de ‘Nota Grondprijzen’, niet te hoog. Bij een oppervlak van 7.500 m² geeft dat een grondwaarde van € 270.000. De totale waarde van de garage komt dan op € 919.113 (€ 919.000 afgerond).

Naar het oordeel van de rechtbank komt de op deze wijze door verweerder vastgestelde vervangingswaarde van de garage overeen met de bedrijfswaarde daarvan en is de WOZ-waarde van de garage niet te hoog vastgesteld.

18. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd maakt het bovenstaande niet anders. Met name is niet aannemelijk gemaakt dat er, tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder, aanleiding bestaat voor een verdere correctiefactor voor economische/functionele veroudering, welke leidt tot de (veel) lagere bedrijfswaarde die eiseres voorstaat.

De uiteindelijk op 23 februari 2017 overgelegde bedrijfswaardeberekeningen, kennelijk gebaseerd op de exploitatieresultaten, zijn summier, niet inzichtelijk en wijken bovendien af van eerder overgelegde cijfers en berekeningen. Enige onderbouwing van de gehanteerde cijfers, zoals de passantenstroom en onderhoudskosten van de garage, ontbreekt. Voorts wordt uit de berekeningen niet inzichtelijk op welke wijze de bedrijfswaarde is herleid uit het bedrijfsresultaat. De disconteringsvoet en de toegepaste Netto yield zijn niet inzichtelijk en daarmee niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres dan ook niet geslaagd om aannemelijk te maken dat de bedrijfswaarde van de garage in de door haar voorgestane mate afwijkt van de door verweerder beschikte waarde.

Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, mr. M.C.J.A. Huijgens en mr. M.A. Dirks, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.