ECLI:NL:RBDHA:2017:6134 Rechtbank Den Haag , 07-06-2017 / C-09-502037-HA ZA 15-1405 en C-09-519874-HA ZA 16-1167

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis in gevoegde zaken van 7 juni 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/502037 / HA ZA 15-1405 van

1 [eiseres sub 1a] ,

2. [eiser sub 2a],

beiden wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/519874 / HA ZA 16-1167 van


[eiser sub 1b]
,

wonende te [woonplaats 2] ,

eiser,

advocaat mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag.

1 De procedure in beide zaken:

1.1.

Het verloop van de procedures blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 1 februari 2017 en de daarin genoemde stukken;

-

het tussenvonnis van 19 april 2017 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Eisers hebben bij brief van 15 mei 2017 de rechtbank verzocht een deskundigenbericht te gelasten. Het verzoek betreft de benoeming van Ir. [X] als forensisch deskundige. Hij zou de opdracht moeten krijgen een technische reconstructie te maken van hetgeen zich in de in deze zaken relevante treindelen tijdens de beëindigingsactie heeft voorgedaan door het beschikbare bewijs - met name filmbeelden en audiofragmenten - te integreren tot een geheel. In het geval de rechtbank niet tot benoeming van een deskundige zal overgaan, wensen eisers zelf een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren, na in de gelegenheid te zijn gesteld nadere stukken te vorderen als bedoeld in artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Staat heeft zich bij brief van 23 mei 2017 verzet tegen de benoeming van een deskundige.

2 De beoordeling

2.1.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om het namens eisers voorgestelde forensisch deskundigenbericht te bevelen. Aan die beslissing ligt de volgende overweging ten grondslag. Het komt de rechtbank voor dat, wil de voorgestane “technische integratie van bewijs” in het kader van de waarheidsvinding werkelijk toegevoegde waarde hebben, er naast de (inmiddels uitgewerkte) geluidsopnamen, voldoende andere, substantiële “harde gegevens” beschikbaar moeten zijn.

Anders dan eisers getuige de inhoud van hun genoemde brief (blz. 4 en 7) kennelijk menen, bestaat er echter geen enkele aanleiding te veronderstellen dat er tijdens de beëindigingsactie in de trein filmbeelden zijn gemaakt van “de uitschakeling van [A] ” en het optreden van de groepen 3 en 5. Daarmee valt een belangrijke pijler onder het verzoek van eisers weg.

In dat verband is van belang dat de rechtbank de filmbeelden van de kort na de beëindigingsactie uitgevoerde reconstructie niet aanmerkt als “harde gegevens”.

2.2.

De zaken staan momenteel op de rol van 21 juni 2017 voor akte van de zijde van eisers. Mochten eisers in die akte een exhibitievordering instellen zoals zij hebben aangekondigd, dan zal de Staat vervolgens de mogelijkheid worden geboden daarop te reageren bij een vier weken nadien te nemen akte.

2.3.

De rechtbank heeft inmiddels kennis genomen van de op 24 mei 2017 in het geding gebrachte transcriptie van de geluidsopnamen. Zij wenst de geluidsbanden ter zitting te beluisteren. Dit zal, nu op de geluidsbanden kennelijk namen, althans identificerende gegevens van de mariniers te horen zijn, tijdens een zitting(sgedeelte) met gesloten deuren plaatsvinden.

2.4.

Met eisers is de rechtbank voorts van oordeel dat thans met het oog op de getuigenverhoren nog onvoldoende fotomateriaal beschikbaar is van de coupédeuren van coupé 3 en het interieur van het treindeel waar het stoffelijk overschot van [B] uiteindelijk is aangetroffen, als bedoeld onder 4.72 in het tussenvonnis van 1 februari 2017.

2.5.

Met het oog op het voorgaande komt het de rechtbank geraden voor om een (regie)zitting te houden, waarbij in ieder geval de advocaten van partijen aanwezig dienen te zijn. Op die zitting zullen de geluidsbanden worden beluisterd en zal de eventuele exhibitievordering worden besproken. Voorts zal het verdere verloop van de procedure aan de orde komen. Indien zal zijn gebleken dat eisers inderdaad een exhibitievordering zullen hebben ingesteld en een eigen forensisch onderzoek willen (laten) instellen, dient daarbij te worden gedacht aan de vraag of de verhoren van de mariniers, die zijn voorzien voor komend najaar, eerst zouden moeten worden gehouden na het gereedkomen van bedoeld onderzoek. Voorts zal tijdens deze zitting de wijze waarop de mariniers zullen worden verhoord aan de orde komen en de vraag of, zoals door eisers is verzocht, ook mariniers van andere aanvalsgroepen dan de groepen 2 en 5 zouden moeten worden verhoord.

Ten slotte zou voorafgaande aan deze zitting zo mogelijk nader fotomateriaal als bedoeld onder 4.72 van het tussenvonnis van 1 februari 2017 in het geding kunnen worden gebracht. De rechtbank verzoekt de Staat na te gaan of dit fotomateriaal kan worden verkregen door het vervaardigen van enkele stills van kort na de beëindiging van de gijzeling vervaardigde filmbeelden. Gezien de verhinderdata van partijen zal de rechtbank de (regie)zitting laten plaatsvinden op maandag

4 september 2017 vanaf 9:30 uur.

2.6.

Partijen en de mariniers van de aanvalsgroepen 2 en 5 hebben reeds hun verhinderdata voor komend najaar verstrekt. De rechtbank is met de Staat van oordeel dat er thans onvoldoende aanleiding bestaat om de (aanvankelijke) planning van de getuigenverhoren reeds nu los te laten, al was het maar omdat moet worden afgewacht of eisers daadwerkelijk exhibitie zullen vorderen en een eigen deskundigenonderzoek zullen willen laten uitvoeren. Daarnaast is het debat over de vraag of de verhoren eerst zouden moeten plaatsvinden nadat een dergelijk onderzoek is afgerond nog onvoldoende uitgekristaliseerd.

De rechtbank verzoekt dan ook partijen en de getuigen de door hen niet als verhinderdata opgegeven werkdagen in de periode van maandag 25 september tot en met woensdag 4 oktober 2017 gereserveerd te houden. De rechtbank verzoekt de Staat dit laatste over te brengen aan de advocaat van de getuigen, mr. Knoops. De rechtbank verwacht, na kennisname van de door partijen nog te nemen akten en het debat tijdens de zitting van 4 september aanstaande, aan het einde van die zitting uitsluitsel te kunnen geven over de vraag of de getuigenverhoren in genoemde periode zullen plaatsvinden of niet.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

beveelt een comparitie van partijen die zal worden gehouden op maandag

4 september 2017 vanaf 09:30 uur;

3.2.

verwijst de zaken naar de rolzitting van 21 juni 2017 voor akte aan de zijde van eisers;

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. B. Meijer en mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2017.