ECLI:NL:RBDHA:2017:6307 Rechtbank Den Haag , 31-05-2017 / NL17.2010

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: NL17.2010, [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2017 in de zaak tussen


[eiser], eiser,

gemachtigde: mr. G. Tuenter,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M.H.W. Heerebeek.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g en j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Tevens heeft verweerder eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op 20 april 1983 en heeft de Somalische nationaliteit. Eiser heeft op 9 oktober 1998 een eerste asielaanvraag ingediend. Op 3 januari 2002 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens tijdsverloop in de asielprocedure, met ingang van 9 oktober 2001.

1.2.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 15 augustus 2005 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld (roofoverval op een casino), gepleegd op 2 februari 2005. Van 3 februari 2005 tot 29 mei 2006 heeft eiser in strafrechtelijke detentie verbleven.

1.3.

Bij besluit van 10 januari 2008 is de verblijfsvergunning regulier van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken, de aanvraag om verlenging van deze verblijfsvergunning afgewezen en is eiser ongewenst verklaard vanwege zijn strafrechtelijke antecedenten. Bij uitspraak van 6 januari 2009 (AWB 08/14399) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zutphen, het beroep tegen de handhaving van dat besluit ongegrond verklaard.

1.4.

Op 31 juli 2011 is eiser door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 7 maanden wegens verkrachting, brandstichting met levensgevaar voor een ander en diefstal, gepleegd op 31 augustus 2008. Van 2009 tot 25 januari 2017 heeft eiser in strafrechtelijke detentie verbleven. Hij is vanwege zijn ongewenstverklaring niet vervroegd in vrijheid gesteld.

2. Op 21 april 2017 heeft eiser de onderhavige opvolgende asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft de door eiser aan de aanvraag ten grondslag gelegde homoseksuele gerichtheid en eisers beroep op het gewijzigde beleid voor Somalië als nieuwe elementen aangemerkt. Verweerder heeft de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig geacht en eiser om die reden, en omdat hij niet het risico loopt om in een ontheemdenkamp terecht te komen, in staat geacht terug te keren naar Mogadishu. Aan het inreisverbod heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

3. Eiser betoogt dat verweerder hem ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Toepassing van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000 is niet aan de orde. Als verweerder een inreisverbod had willen opleggen op de grond dat eiser Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten had hij het inreisverbod moeten baseren op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. Het betoog faalt.

3.1.

In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat eiser eerder een terugkeerbesluit is opgelegd, waaraan hij geen gevolg heeft gegeven. Hieruit leidt de rechtbank af dat het door verweerder opgelegde inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij nog steeds een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Eiser heeft tijdens het gehoor opvolgende aanvraag aangegeven dat hij in de gevangenis tot inkeer is gekomen. Hij heeft spijt betoond en verklaard dat hij zijn leven wil beteren. De beroepsgrond faalt.

4.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het persoonlijke gedrag van eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft kunnen betrekken dat eiser meermalen is veroordeeld voor de onder 1.2 en 1.4 genoemde ernstige (gewelds-)misdrijven. Verweerder heeft kunnen stellen dat de ernst van de gepleegde feiten dusdanig is dat de ernstige bedreiging nog steeds actueel is, ondanks het feit dat sinds het plegen van de laatste misdrijven negen jaar zijn verstreken. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser reeds vanwege de onder 1.2 genoemde feiten ongewenst was verklaard, dat hij sinds het plegen van de laatste misdrijven grotendeels in detentie heeft doorgebracht en dat hij niets heeft aangevoerd op basis waarvan verweerder had kunnen onderzoeken of sprake is van een aantoonbare gedragsverandering gedurende de detentieperiode. Ter zitting heeft eiser erkend dat het detentiedossier dat hij heeft opgevraagd geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat daarvan wel sprake was. Ook heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser niets heeft aangedragen waaruit blijkt dat hij sinds zijn vrijlating eind januari 2017 concreet actie heeft ondernomen om op het rechte pad te blijven. De enkele verklaring van eiser dat hij spijt heeft en zijn leven wil beteren, dat hij nooit meer de gevangenis in wil en nooit meer een strafbaar feit wil plegen heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om aan te nemen dat eiser geen actuele dreiging meer vormt, omdat deze verklaringen niet worden gesteund door informatie uit objectieve bron.

5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod omdat dit een ongerechtvaardigde inmenging betekent in zijn recht op uitoefening van het familie- en gezinsleven met zijn moeder en broers in Engeland, alsmede zijn recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser zal zijn familie, die sinds begin 2016 in Engeland verblijft, lange tijd niet kunnen bezoeken en zich niet bij hen kunnen voegen. Daarnaast heeft eiser het grootste deel van zijn leven in Nederland gewoond en heeft hij bijzondere banden met Nederland opgebouwd. De beroepsgrond faalt.

5.1.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat in eisers geval geen sprake is van beschermingswaardig familie- en gezinsleven, dan wel privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt terecht dat eiser niet heeft onderbouwd dat een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en zijn moeder, dan wel tussen hem en zijn broers, die ruim een jaar geleden naar Engeland zijn verhuisd. Verweerder stelt voorts terecht dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in Nederland privéleven heeft opgebouwd en onderhouden en daarbij onder meer betrokken dat eiser de afgelopen periode van zeven jaar en zeven maanden in strafrechtelijke detentie heeft doorgebracht.

6. Eiser voert aan dat hij niet naar Somalië (Mogadishu) kan terugkeren, omdat hij daar vanwege zijn homoseksuele geaardheid het risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over zijn homoseksualiteit niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft steeds concrete antwoorden gegeven op de hem gestelde vragen over zijn homoseksuele geaardheid.

6.1.

Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet overtuigen. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser over zijn bewustwordingsproces en het proces van zelfacceptatie slechts oppervlakkig heeft verklaard. Van iemand die is opgevoed en opgegroeid in een cultuur waarin homoseksualiteit een taboe is mag verweerder verwachten dat hij diepgaander over zijn bewustwording en zelfacceptatie kan verklaren dan eiser heeft gedaan. Behalve het enkel (zakelijk) benoemen van de acceptatie kan eiser niet uitleggen waarom en hoe hij zijn gestelde geaardheid uiteindelijk heeft geaccepteerd. Verweerder noemt in dit verband niet ten onrechte dat eiser weliswaar heeft verklaard dat hij zijn geaardheid tijdens zijn detentie heeft geaccepteerd, maar niet hoe hij deze tijdens zijn detentieperiode heeft ervaren. Tevens stelt verweerder niet ten onrechte dat eiser over de zelfacceptatie niet eenduidig heeft verklaard. Zo stelt hij enerzijds tijdens de detentie zijn geaardheid te hebben geaccepteerd, maar anderzijds dat hij na zijn detentie een prostituee heeft bezocht, omdat hij zijn homoseksuele gevoelens wilde onderdrukken en omdat hij nog steeds moeite had met zijn geaardheid. Verder betrekt verweerder niet ten onrechte dat eiser slechts oppervlakkig kan verklaren over hoe hij zijn homoseksualiteit na zijn detentie heeft beleefd.

6.2.

Verweerder stelt zich voorts gemotiveerd op het standpunt dat eiser over zijn relatie met Simon vaag en ongerijmd heeft verklaard. Verweerder acht niet ten onrechte vreemd dat eiser zijn relatie met Simon voor de buitenwereld verborgen wil houden, maar wel met hem afspreekt in openbare parken en andere openbare gelegenheden, waar ook zijn niet-homoseksuele vrienden komen en waar hij juist het risico loopt om te worden betrapt. Ook stelt verweerder terecht dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aard van zijn relatie met Simon. Zo stelt hij aanvankelijk dat het zijn enige serieuze verkering was en dat hij daadwerkelijk verliefd was op Simon. Vanaf pagina 16 en 17 van het gehoor stelt eiser dat Simons gevoelens voor hem groter waren dan andersom en dat het hem eigenlijk alleen maar ging om de seks. Eiser heeft voor deze tegenstrijdigheid geen toereikende verklaring gegeven. Niet ten onrechte werpt verweerder eiser ook tegen dat hij weinig (persoonlijke) informatie over Simon kan verstrekken, terwijl ze elkaar vrijwel dagelijks zagen. Tevens betrekt verweerder niet ten onrechte dat eiser weinig kan vertellen over de situatie van homoseksuelen in Nederland, terwijl hij al sinds 1998 in Nederland woont.

7. Eiser voert aan dat hij niet naar Mogadishu kan terugkeren, omdat hij daar een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Eiser wijst er in de eerste plaats op dat hij door zijn langdurig verblijf in Nederland is verwesterd. Daarnaast beroept eiser zich op de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 20 oktober 2014, inzake MOJ & Ors, (https://tribunalsdecisions.service.gov.uk/utiac/2014-ukut-442). De in deze uitspraak genoemde (acht) risicofactoren dienen volgens eiser te worden betrokken bij de beoordeling of hij zich in Mogadishu kan vestigen, zonder een reëel risico te lopen in een ontheemdenkamp terecht te komen, wat een schending van artikel 3 van het EVRM zou betekenen. Daartoe stelt eiser dat hij in Djibouti is geboren en nooit in Somalië en Mogadishu heeft verbleven, dat hij weliswaar de Somalische taal spreekt, maar met een accent, dat hij onvoldoende kennis heeft van de Somalische cultuur en gebruiken en dat hij in Somalië geen familieleden heeft of kennissen die hem kunnen opvangen en begeleiden. In dit verband doet eiser tevens een beroep op de uitspraak van het Upper Tribunal van 25 maart 2015 (https://tribunalsdecisions.service.gov.uk/utiac/da-01223-2014).

7.1.

Bij uitspraken van 22 april 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1168) en 24 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2855) heeft de Afdeling met inachtneming van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 september 2015 in de zaak R.H. tegen Zweden (in zaak nr. 4601/14, ECLI:CE:ECHR:2015:0910JUD000460114) en voornoemde uitspraak van het Upper Tribunal van 20 oktober 2014 geoordeeld dat niet aannemelijk is dat een vreemdeling bij terugkeer naar Mogadishu alleen al vanwege de terugkeer uit het westen een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

7.2.

Het Upper Tribunal heeft in de eerder genoemde uitspraak van 20 oktober 2014 ten aanzien van terugkeerders naar Mogadishu en de situatie aldaar onder meer het volgende overwogen:

“(vii) A person returning to Mogadishu after a period of absence will look to his nuclear family, if he has one living in the city, for assistance in re-establishing himself and securing a livelihood. Although a returnee may also seek assistance from his clan members who are not close relatives, such help is only likely to be forthcoming for majority clan members, as minority clans may have little to offer.

(viii) The significance of clan membership in Mogadishu has changed. Clans now provide, potentially, social support mechanisms and assist with access to livelihoods, performing less of a protection function than previously. There are no clan militias in Mogadishu, no clan violence, and no clan based discriminatory treatment, even for minority clan members.

(ix) If it is accepted that a person facing a return to Mogadishu after a period of absence has no nuclear family or close relatives in the city to assist him in re-establishing himself on return, there will need to be a careful assessment of all of the circumstances. These considerations will include, but are not limited to:

• circumstances in Mogadishu before departure;

• length of absence from Mogadishu;

• family or clan associations to call upon in Mogadishu;

• access to financial resources;

• prospects of securing a livelihood, whether that be employment or self employment;

• availability of remittances from abroad;

• means of support during the time spent in the United Kingdom;

• why his ability to fund the journey to the West no longer enables an appellant to secure financial support on return.

(x) Put another way, it will be for the person facing return to explain why he would not be able to access the economic opportunities that have been produced by the economic boom, especially as there is evidence to the effect that returnees are taking jobs at the expense of those who have never been away.

(xi) It will, therefore, only be those with no clan or family support who will not be in receipt of remittances from abroad and who have no real prospect of securing access to a livelihood on return who will face the prospect of living in circumstances falling below that which is acceptable in humanitarian protection terms.

(xii) The evidence indicates clearly that it is not simply those who originate from Mogadishu that may now generally return to live in the city without being subjected to an Article 15(c) risk or facing a real risk of destitution. On the other hand, relocation in Mogadishu for a person of a minority clan with no former links to the city, no access to funds and no other form of clan, family or social support is unlikely to be realistic as, in the absence of means to establish a home and some form of ongoing financial support there will be a real risk of having no alternative but to live in makeshift accommodation within an IDP camp where there is a real possibility of having to live in conditions that will fall below acceptable humanitarian standards.”

7.3.

Uit de uitspraak van het Upper Tribunal van 20 oktober 2014 volgt dat alleen degenen die niet de mogelijkheid hebben om terug te vallen op de hulp van (directe) familieleden of clanleden, of op financiële steun vanuit het buitenland en zonder het vooruitzicht op werk om een bestaan op te kunnen bouwen, het vooruitzicht wacht op een bestaan onder humanitair onacceptabele omstandigheden. De bewijslast om aannemelijk te maken waarom hij geen toegang zal hebben tot de economische mogelijkheden die dankzij de economische bloei in Mogadishu zijn ontstaan ligt bij de terugkerende.

7.4.

Hoewel eiser niet als terugkeerder in de zin van de uitspraak van het Upper Tribunal van 20 oktober 2014 kan worden aangemerkt, nu hij in Djibouti is geboren en hij nooit Mogadishu dan wel Somalië heeft verbleven, is eiser geboren uit een Somalische moeder en heeft hij de Somalische nationaliteit. Om die reden is Somalië voor de beoordeling van eisers asielaanvraag als land van herkomst is aangemerkt. De rechtbank ziet hierin - met partijen - aanleiding om voor de beantwoording van de vraag of eiser naar Mogadishu kan gaan aansluiting te zoeken bij voornoemde uitspraak en de daarin genoemde criteria.

7.5.

Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser, ondanks het feit dat hij niet in Somalië is geboren en daar ook nooit heeft gewoond, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als volwassen man met een Somalische achtergrond niet naar Mogadishu kan gaan en daar niet kan verblijven. Verweerder neemt daarbij niet ten onrechte in aanmerking dat eiser de taal spreekt en via zijn moeder de nodige kennis van de Somalische cultuur een gebruiken zal hebben opgedaan. Voorts is van belang dat eiser niet behoort tot een minderheidsgroep of minderheidsclan in Somalië.

7.6.

Eiser heeft niets aangevoerd op grond waarvan verweerder had moeten aannemen dat hij in Mogadishu geen familie meer heeft op wie hij - in eerste instantie - kan terugvallen. Niet in geschil is dat eisers moeder en broers in Engeland verblijven. Eiser heeft tijdens het gehoor van 1 november 2007, in het kader van de intrekking van zijn verblijfsvergunning, de afwijzing van de verlengingsaanvraag en de ongewenstverklaring, verklaard dat ooms en tantes van moederszijde, ongeveer zeven of acht personen in totaal, nog in Somalië verblijven en vermoedelijk in Mogadishu wonen (pagina 5 van het gehoor). Gelet op deze verklaring kan de eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling van eiser dat de zussen van zijn moeder niet langer in Mogadishu verblijven, maar naar het Verenigd Koninkrijk c.q. de Verenigde Staten zijn vertrokken of zijn verdwenen, zonder nadere onderbouwing niet overtuigen. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat eiser in Mogadishu kan terugvallen op de hulp van familieleden. Dat eiser geen contact heeft met deze familieleden neemt niet weg dat hij dit contact, desnoods via zijn moeder, alsnog kan leggen.

7.7.

Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder had moeten aannemen dat hij zich in Mogadishu niet zelfstandig zal kunnen staande houden of daar geen mogelijkheden heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Verweerder betrekt in dit verband niet ten onrechte dat eiser in Nederland heeft gewerkt en een aantal opleidingen heeft gevolgd en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Mogadishu, gezien ook de economische bloei aldaar (die ook het Upper Tribunal noemt), geen werk zou kunnen vinden. Verder heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zijn familie (moeder en broers) in het Verenigd Koninkrijk hem niet, indien nodig, financieel kan ondersteunen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn familie hem tijdens zijn detentie financieel ondersteunden en dat hij nu in een Bed, Bad en Brood voorziening verblijft en leeft van geld van zijn familie. Ook heeft eiser verklaard dat zijn moeder financieel door zijn broers wordt onderhouden, die in het Verenigd Koninkrijk werk hebben. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn familie niet in staat is hem ook in Mogadishu financiële steun te verlenen, met name voor de eerste opvang.

7.8.

De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hij onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om nadere informatie te verstrekken die ziet op (financiële) ondersteuning door zijn familie in het Verenigd Koninkrijk en (het ontbreken van) contacten in Mogadishu. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser deze eerder had moeten overleggen, nu het een opvolgende asielaanvraag betreft en nu eiser de aspecten waar de genoemde informatie op ziet reeds naar voren heeft gebracht in zijn brief van 4 april 2017. Het had op de weg van eiser gelegen deze aspecten op dat moment met de genoemde informatie te onderbouwen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser hiervoor een nadere termijn had moeten verlenen.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond voor zover gericht tegen het inreisverbod en niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Wegman, rechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017.

griffier rechter

Deze uitspraak is op 31 mei 2017 in het digitaal dossier geplaatst.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na plaatsing daarvan in het digitaal dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.