ECLI:NL:RBDHA:2017:6525 Rechtbank Den Haag , 16-06-2017 / AWB - 16 _ 8179

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/8179

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2017 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2016 heeft verweerster het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 3 juni 2016.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 16 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017. Eiser is hierbij in persoon verschenen. Namens verweerster is, met voorafgaand bericht, niemand ter zitting verschenen.

Overwegingen

1.1

Bij besluit van 27 mei 2016 heeft verweerster het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 3 juni 2016. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is verzonden op 22 juli 2016 en door verweerster ontvangen op 25 juli 2016.

1.2

Bij brief van 29 juli 2016 heeft verweerster eiser in de gelegenheid gesteld om mee te delen waarom het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Eiser heeft op deze brief niet gereageerd.

1.3

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door eiser ingediende bezwaarschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend en eiser hiervoor geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd.

2.1

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Gelet op artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

2.2

Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3 Eiser heeft aangevoerd dat de termijnoverschrijding is te wijten aan het feit dat hij zich niet bewust was van het bestaan van een deadline voor het indienen van een bezwaarschrift. Voorts had hij in die periode veel stress vanwege zijn opleidingen en tentamens, werkte hij daarnaast veel om zijn ouders financieel te ondersteunen en heeft hij nog een week in het buitenland verbleven. Ter zitting heeft hij daaraan nog toegevoegd dat zijn grootmoeder in die periode ziek was. Door deze omstandigheden was hij niet in de gelegenheid om tijdig een bezwaarschrift in te dienen.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

Niet in geschil is dat buiten de in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb voorgeschreven termijn een bezwaarschrift is ingediend tegen het primaire besluit.

Ter beoordeling ligt daarom uitsluitend de vraag voor of die termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

Naar het oordeel van de rechtbank leiden de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

Eiser had, omwille van de tijd, pro forma bezwaar kunnen instellen en op een later moment de bezwaargronden kunnen indienen.

Met betrekking tot zijn verblijf in het buitenland, geldt dat eiser maatregelen had kunnen treffen voor zijn post tijdens zijn afwezigheid, temeer nu hij wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat hij van verweerster een besluit zou ontvangen.

Het komt derhalve voor risico en rekening van eiser dat het bezwaar te laat is ingediend.

Verweerster heeft het bezwaarschrift van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5 Het beroep is ongegrond.

6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.