ECLI:NL:RBDHA:2017:6604 Rechtbank Den Haag , 08-06-2017 / NL17.2226

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL17.2226

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 8 juni 2017 in de zaak tussen


[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. J.C.A. Koen,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het in de algemene asielprocedure genomen besluit van verweerder van 3 mei 2017 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig A.K. Nyaku, tolk Pidgin-Engels. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] en van Nigeriaanse nationaliteit, heeft op

21 februari 2017 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de aanvraag).

2. Aan de aanvraag ligt het volgende ten grondslag. Eiseres is uit Nigeria gevlucht vanwege haar homoseksuele geaardheid, hetgeen strafbaar is in Nigeria. In 2015 wist ze dat ze lesbisch was en kreeg ze een relatie met een vrouw, [naam]. Ze woonde op dat moment bij haar vader en stiefmoeder. Eiseres werd door haar stiefmoeder mishandeld. Toen eiseres in juli 2015 door haar vader en stiefmoeder werd betrapt, is ze gevlucht. Ze verbleef alvorens naar Nederland te komen in Marokko en Spanje, waar ze in de prostitutie werkte.

3. Bij het bestreden besluit is de aanvraag als ongegrond afgewezen. De gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst acht verweerder geloofwaardig, ook al vermeldt het door eiseres overgelegde geboortecertificaat een andere geboortedatum en -plaats dan door eiseres is opgegeven. Dat eiseres is mishandeld door haar stiefmoeder wordt geloofd. Verweerder acht de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig.

4. Eiseres heeft het standpunt dat de homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is gemotiveerd betwist. Verder is - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

- Verweerder heeft onvoldoende vragen gesteld. De vragen waren niet diepgaand genoeg en te moeilijk voor een ongeschoold meisje. Tevens is waar nodig niet doorgevraagd. Als verweerder vond dat eiseres te summier verklaarde over het proces van acceptatie en bewustwording had eiseres nader gehoord moeten worden. Verweerder had met eiseres in gesprek moeten gaan over onder meer haar gevoelens. Een grondig onderzoek ontbreekt.

- Verwezen is naar een informatiebericht over de wijze van horen en beslissen in bekeringszaken, waarin onder meer is vermeld dat teveel werd vastgehouden aan een vragenlijst en dat het de bedoeling is veel meer open vragen te stellen en het gesprek aan te gaan. De verwachting is dat een goed gehoor, toegespitst op de individuele zaak, het beslissen minder gecompliceerd zal maken.

- Verder is in beroep informatie overgelegd van een bij het nader gehoor aanwezige medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) waaruit blijkt dat het gehoor voortijdig is afgebroken. Dat betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder heeft aan het standpunt dat de gestelde homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig is, onder meer het volgende ten grondslag gelegd

- Eiseres heeft verklaard dat ze het vroeger fijn vond om met meisjes te spelen, dat ze niet gewend was aan mannen en mannen niet leuk vond. Ook heeft ze verklaard dat ze in 2015 merkte ze dat ze lesbisch was, omdat ze altijd gewend was om met vrouwen te zijn en niet aan mannen gewend was. Ten aanzien van haar acceptatie heeft ze verklaard dat ze het pas moeilijk vond toen ze een probleem kreeg en daarvoor voor zichzelf dacht dat het goed was.

Daarmee heeft eiseres te algemeen en summier verklaard over het proces van bewustwording en acceptatie en niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze dat proces verliep.

- Bevreemdend is dat eiseres niet weet hoe de kerk over homoseksualiteit dacht, terwijl ze wel regelmatig naar de kerk ging. Eiseres heeft desgevraagd verklaard dat ze daar niet over nadacht, omdat ‘haar gedachtes zeiden dat ze dat moest doen’.

- Eiseres heeft verklaard dat ze erachter kwam dat homoseksualiteit in Nigeria niet geaccepteerd werd toen ze betrapt werd in juli 2015. Verweerder vindt het vaag dat eiseres haar lesbische relatie geheim hield en haar slaapkamerdeur op slot deed als [naam] bij haar was, terwijl zij op dat moment niet wist dat homoseksualiteit in Nigeria strafbaar was. Weliswaar heeft eiseres verklaard dat ze haar vader wel eens had gevraagd hoe het was als een vrouw met een vrouw zou trouwen, waarop haar vader afwijzend reageerde (met ‘houd je mond en waarom zeg je zoiets’). Desgevraagd heeft eiseres verklaard niet te weten wanneer dit was. Hiermee wordt niet verklaard waarom eiseres de relatie geheim hield.

- Verweerder heeft summier verklaard over de relatie met [naam] en hoe die zich ontwikkelde. Eiseres verklaart dat ze drie tot vier maanden voor de betrapping een relatie had en dat ze elkaar drie tot vier keer per week zagen. Eiseres heeft over de relatie uitsluitend verklaard dat ze seksueel contact hadden.

- Eiseres weet niets over de positie van homoseksuelen in Nigeria en in Nederland, terwijl asielzoekers tijdens hun verblijf in de opvanglocatie worden gewezen op belangenorganisaties voor en de positie van LHBT-ers in Nederland.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met voormelde motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde homoseksuele geaardheid van eiseres ongeloofwaardig is.

Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat in de onderhavige zaak overeenkomstig Werkinstructie 2015/9 (WI 2015/9) is gehoord en beslist. In WI 2015/9 is vermeld dat in zaken waarin homoseksualiteit als asielmotief geldt, vooral waarde wordt gehecht aan verklaringen omtrent de eigen ervaringen zoals bewustwording en zelfacceptatie van de vreemdeling met betrekking tot zijn of haar seksuele oriëntatie. Dit geldt temeer als de vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit niet geaccepteerd of strafbaar is. In dit geval heeft verweerder de verklaringen van eiseres over onder meer het proces van bewustwording en acceptatie te algemeen en summier kunnen achten, temeer nu eiseres afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit strafbaar is. Wat eiseres op dit punt heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

7. Ten aanzien van de grond dat eiseres niet op de juiste wijze is gehoord en dat verweerder met eiseres in gesprek had moeten gaan, overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld wordt dat de vreemdeling op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aannemelijk dient te maken dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening van de gevraagde vergunning vormen. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1040) volgt onder meer dat het aan de vreemdeling is om zijn of haar vluchtmotieven naar voren te brengen en niet aan verweerder om deze met vragen nader aan het licht te brengen. Verder is van belang dat verweerder eiseres heeft gehoord aan de hand van een WI 2015/9. Volgens de Afdeling wordt aan de hand van deze vaste onderzoeksmethode op een zorgvuldige manier onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief verricht. Eiseres is bevraagd over de in WI 2015/9 genoemde thema’s waaronder privéleven (bewustwording van de seksuele gerichtheid, proces van zelfacceptatie), relaties (kennis van sociale en politieke aspecten van een homoseksuele gemeenschap in het land van herkomst), contact met homoseksuele in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie, vervolging in het land van herkomst en de toekomst (toekomstbeeld bij terugkeer). Er zijn open vragen gesteld, eiseres is uitgenodigd over haar gevoelens te praten (bijvoorbeeld op pagina 7 van het rapport van nader gehoor: ‘wanneer werd u zich er bewust van dat u op vrouwen valt, hoe merkte u dat, kunt u daar wat meer over vertellen, wat dacht u doen, wat voelde u toen, wist u dat dat niet gewaardeerd werd in uw land’) en er is indien nodig steeds om verduidelijking, aanvulling of bevestiging van de gegeven antwoorden gevraagd. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende met eiseres in gesprek is gegaan. Eiseres heeft voldoende de gelegenheid gehad verklaringen over de in WI2015/9 genoemde thema’s af te leggen om haar gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. De verwijzing naar horen in bekeringszaken kan eiseres daarom niet baten. Ook wat eiseres overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

8. Ten aanzien van de grond dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming omdat het gehoor voortijdig is afgebroken, overweegt de rechtbank als volgt. Op het in beroep overgelegde stuk van de medewerker van VWN is vermeld “Ingreep door mij. Gaat fouten maken in verklaringen en vraag of ze pauze wil. Ik leg dit uit en de laatste vragen worden weggehaald”. Ter zitting is verklaard dat de medewerker van VWN tegen de gemachtigde van eiseres heeft verklaard dat vragen en antwoorden zijn weggehaald. De rechtbank overweegt dat uit het rapport van nader gehoor niet blijkt dat vragen en/of antwoorden zijn weggehaald. Op pagina 23 (van 26) van het rapport van nader gehoor is vermeld “Mevrouw zegt dat ze moe is. Ik zeg dat we bijna klaar zijn”. Vervolgens wordt nog een aantal vragen gesteld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat gehoren over homoseksuele gerichtheid altijd - zoals hier ook het geval is - eindigen met vragen over vrouwenbesnijdenis. Nu uit het verslag van gehoor blijkt dat eiseres over alle in WI 2015/9 genoemde thema’s is bevraagd en daaruit niet blijkt dat relevante vragen (en antwoorden) zijn geschrapt of informatie is weggelaten, en niet concreet is gemaakt welke (relevante) informatie is weggelaten, leidt deze grond niet tot de conclusie dat het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig is voorbereid. De grond faalt.

9. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2017.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.