ECLI:NL:RBDHA:2017:6827 Rechtbank Den Haag , 22-06-2017 / AWB - 17 _ 9589 en AWB - 16_27979

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/9589 (beroep) en AWB 16/27979 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2017 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] , verzoeker, geboren op [geboortedatum 1] 2002, V-nummer [vreemdelingennummer 1]


[verzoekster 1]
, verzoekster 1, geboren op [geboortedatum 2] 1973, V-nummer [vreemdelingennummer 2]


[verzoekster 2]
, verzoekster 2, geboren op [geboortedatum 3] , V-nummer [vreemdelingennummer 3]


[verzoekster 3]
, verzoekster 3, [geboortedatum 4] 2009, V-nummer [vreemdelingennummer 4]


[verzoekster 4]
, verzoekster 4, geboren op [geboortedatum 5] 2012, V-nummer [vreemdelingennummer 5]

gezamenlijk te noemen verzoekers,

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: F. Gerritsen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de Definitieve Regeling Langdurig Verblijvende Kinderen’ (kinderpardonregeling) buiten behandeling gesteld.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 2 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers kennelijk ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar gelijkgesteld met een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017. Verzoekster 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was E.O. Tackey als tolk ter zitting aanwezig.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Verzoekster 1 is de moeder van verzoeker en verzoekster 2, 3 en 4 zijn de zusjes van verzoeker. Allen bezitten zij de Nigeriaanse nationaliteit. Op 2 september 2014 hebben verzoekers de onderhavige aanvraag ingediend.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit de aanvraag van verzoekers buiten behandeling gesteld wegens het niet voldoen aan het legesvereiste ex artikel 2n, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Rijkswet op de Consulaire tarieven en artikel 7, eerste lid, van deze Rijkswet. Een brief van verzoekster 1 met daarin enkel de mededeling dat de leges niet kunnen worden betaald, omdat de middelen ontoereikend zijn, is onvoldoende bewijs om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de leges blijkens paragraaf B1/8.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en aangevuld in de zin dat niet is gebleken dat verzoekers behoren tot één van de categorieën vreemdelingen die ingevolge artikel 3.34a, onder j, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van de legesverplichting. Voorts overweegt verweerder dat verzoekers geen inhoudelijke behandeling van een op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) gebaseerde claim wordt onthouden. De kinderpardonregeling is begunstigend beleid dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is en waarbij verweerder derhalve een grote mate van beleidsvrijheid toekomt. Voor zover verzoekers van mening zijn dat zij op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf in aanmerking komen, kunnen zij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Het niet vrijstellen van de legesverplichting leidt er derhalve niet toe dat verzoekers een effectief nationaal rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM wordt onthouden.

4. Verzoekers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en hebben daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoekers zijn van mening dat onbetwist is dat zij de leges niet kunnen betalen, omdat verweerder in het bestreden besluit niet heeft weerlegd dat zij niet zodanig vermogend zijn. Daarnaast menen verzoekers dat de omstandigheid dat zij niet vrijgesteld worden van het betalen van leges, hoewel er in artikel 3.34a, onder j, van het VV 2000 geen expliciete vrijstellingsgrond is opgenomen voor aanvragers op grond van de kinderpardonregeling, evenwel in strijd is met artikel 13 van het EVRM. Verzoekers wordt een effectieve rechtsingang onthouden om een arguable claim op basis van artikel 8 van het EVRM inhoudelijk ter beoordeling voor te leggen. Verzoekers zijn voorts van mening dat het aantonen van het niet beschikken over middelen om aan de legesverplichting te voldoen, blijk geeft van excessief formalisme, in welk verband ze verwijzen naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 januari 2012, zaaknummer 22251/07, G.R. tegen Nederland, beschikbaar op www.echr.coe.int (het arrest G.R. tegen Nederland). Ten aanzien van het overleggen van bewijsmiddelen, voeren verzoekers aan dat zij geen inkomensverklaring van de Raad voor de Rechtsbijstand ten behoeve van referent kunnen overleggen omdat er geen referent is. Gedurende de hele procedure hebben verzoekers bovendien uitvoerig bewijs geleverd en ook beschikt verweerder ambtshalve over kennis van de financiële situatie van verzoekers. Verweerder hanteert een te streng toetsingskader met betrekking tot de leencapaciteit van vreemdelingen. Leencapaciteit is geen inkomen of vermogen en moet derhalve buiten de berekening blijven. Het leveren van een dergelijk bewijs wordt alleen van vluchtelingen verlangd en is een discriminatoir onderscheid naar status. Verzoekers wijzen erop dat het invoeren van de hoge leges en het onthouden van een vrijstelling bedoeld is om te ontmoedigen dat vreemdelingen een beroep doen op de kinderpardonregeling en een arguable claim op grond van het EVRM inhoudelijk ter beoordeling voor kunnen leggen. Dit is in strijd met artikel 13 van het EVRM alsook met artikel 4:88 van de Awb. Het betalen van leges is net als het heffen van griffierecht een financiële belemmering die in de weg staat van een effectief rechtsmiddel. Blijkens het arrest G.R. tegen Nederland maakt de vorm van de financiële drempel niet uit. Naar algemeen aanvaarde maatstaven is het voor verzoekers niet mogelijk of op zijn minst uiterst moeilijk om de leges te betalen en moeten ze hiervan vrijgesteld worden. Ter onderbouwing verwijzen verzoekers naar de norm die gehanteerd wordt door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282), waarin de betalingsverplichting ongeveer vijf maal lager en de inkomensgrens ongeveer acht maal hoger lag. Verzoekers benadrukken dat de leges voor elk van de gezinsleden betaald moet worden en dat zij stelselmatig vrijgesteld worden van griffierechten en eigen bijdragen. Derhalve valt niet in te zien dat leges wel aan hen kunnen worden opgelegd. Er zijn geen derden die bereid zijn om de leges te betalen, aangezien verzoekers anders niet in een opvangcentrum zouden wonen. Het bewijs van verstrekkingen is geldig en deugdelijk bewijs, omdat men niet zomaar in aanmerking komt voor opvang. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:354).

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De voorzieningenrechter overweegt omtrent het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht als volgt.

6.1.

Verzoekers hebben een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht en hebben hiertoe een opgave inkomen en vermogen van verzoekster 1 en een inkomensoverzicht van het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers betreffende verzoekster 1 overgelegd. Gelet op deze documenten is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat verzoekers vrijgesteld zijn van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

7. De voorzieningenrechter overweegt omtrent de overige gronden als volgt.

7.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoekers geen leges hebben betaald. De vraag die ter beoordeling voorligt is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekers niet in aanmerking komen voor vrijstelling van de legesverplichting. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekers ook op 3 september 2014 een aanvraag hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning op grond van de kinderpardonregeling, die door verweerder bij besluit van 27 januari 2016 niet in behandeling is genomen vanwege het niet betalen van de verschuldigde leges. Het hiertegen ingestelde beroep van verzoekers is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag op 3 mei 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:4864) ongegrond verklaard. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers geen verklaring gegeven waarom verzoekers ervoor hebben gekozen een opvolgende aanvraag een dag na de indiening van de eerdere aanvraag in te dienen.

7.2.

Uit artikel 3.34 van het VV 2000 volgt dat ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier een vreemdeling leges is verschuldigd. In artikel 3.34a van het VV 2000 worden categorieën vreemdelingen genoemd die in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van de legesverplichting. Niet in geschil is dat verzoekers niet behoren tot de categorie die genoemd wordt in artikel 3.34a, onder j, van het VV 2000. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekers niet in aanmerking komen voor vrijstelling van de legesverplichting.

7.3.

Ten aanzien van de grond dat handhaving van de legesverplichting een schending van artikel 13 van het EVRM inhoudt, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2686 en ECLI:NL:RVS:2013:2699) heeft de Afdeling geoordeeld dat het beleid van verweerder inzake de vrijstelling van leges niet onredelijk is en dat verweerder met toepassing van dit beleid niet de toegang tot een effectief rechtsmiddel voor de vreemdeling als bedoeld in artikel 13 van het EVRM heeft ontnomen. De Afdeling overweegt dat het arrest G.R. tegen Nederland niet tot een ander oordeel leidt. De desbetreffende vreemdeling in dit arrest had een aanvraag gedaan om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn gezin, hetgeen direct verband houdt met de rechten die ontleend worden aan artikel 8 van het EVRM. De kinderpardonregeling is niet te herleiden tot één van de artikelen van het EVRM. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:3275) is de kinderpardonregeling begunstigend beleid, zodat aan verweerder een grote mate van beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de bepaling welke groepen van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers, voor zover zij menen dat artikel 8 van het EVRM noopt tot aanvaarding van hun verblijf in Nederland, een daartoe strekkende aanvraag kunnen doen, waarbij ingevolge artikel 3.34a, onder j, van het VV 2000 de mogelijkheid bestaat te verzoeken om vrijstelling van de legesverplichting. Gelet daarop is van een ontneming van een effectief nationaal rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeven de overige gronden geen bespreking meer.

9. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb ongegrond verklaard.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

10. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.