ECLI:NL:RBDHA:2017:6828 Rechtbank Den Haag , 22-06-2017 / AWB - 17 _ 11030

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/11030

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2017 in de zaak tussen


[eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer]

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2017.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts was aanwezig D. Hosseini, tolk.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij op [geboortedatum] 1993 is geboren en dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft. Op 16 december 2015 heeft hij de onderhavige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft hieraan, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Eiser heeft aangegeven dat hij, toen hij nog klein was, liever met jongens omging. Toen hij 18 jaar oud was realiseerde hij zich dat hij homoseksueel is.

Op een middag is eiser met zijn vriend [persoon 1] tijdens seks betrapt door de moeder van deze vriend in hun huis. Eiser is naar zijn vriend [persoon 2] gevlucht. Op het eind van de dag heeft eiser van zijn moeder vernomen dat familieleden van [persoon 1] , waaronder zijn vader die een kolonel van de nationale veiligheidsdienst is, bij eisers moeder langs waren geweest op zoek naar eiser. Eiser werd door zijn moeder verteld dat hij door deze mensen met de dood is bedreigd en niet naar huis moest komen.

De vader van eiser heeft zich van eiser afgekeerd en gezegd dat eiser zijn zoon niet meer is en dat de familie van [persoon 1] eiser mocht doden. [persoon 2] heeft eiser aangeraden om het land te verlaten en heeft hem geholpen om dit te doen. Eiser vreest bij terugkeer te worden vermoord vanwege zijn seksuele geaardheid.

Eiser heeft in Nederland een relatie met een Iraanse man, [persoon 3] .

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verweerder acht de volgende elementen uit het asielrelaas relevant voor de beoordeling van de aanvraag:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- de homoseksuele geaardheid van eiser.

Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst uit Kabul geloofwaardig, alsmede dat eiser Soennitisch moslim is en dat hij tot de Tadzieken behoort.

Verweerder acht echter de door eiser gestelde seksuele gerichtheid niet geloofwaardig.

3. Eiser heeft hiertegen, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft Werkinstructie 2015/9 onjuist toegepast en twijfelt ten onrechte aan de seksuele geaardheid van eiser. De interne worsteling is niet het uitgangspunt bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de homoseksualiteit. Verweerder werpt daarom ten onrechte aan eiser tegen dat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt welke gevoelens er nu precies in hem omgingen toen hij besefte dat hij op jongens viel. Verweerder acht ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser zonder enige moeite zijn seksuele geaardheid heeft geaccepteerd. Eiser heeft geen interne worsteling gehad, hij vond het normaal dat hij homoseksueel is en had daar tijdens zijn proces van bewustwording geen moeite mee. Eiser heeft wel verklaard dat hij zijn jeugd in relatie tot zijn homoseksualiteit als dubbel heeft ervaren, omdat seksualiteit en homoseksualiteit in Afghanistan een taboe zijn.

Verweerder heeft voorts eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij geen kennis van de situatie van homoseksuelen in Nederland of contact met homoseksuelen in Nederland heeft, nu eiser nog maar kort in Nederland verblijft. Ook speelt mee dat eiser wegens de taalbarrière maar zeer beperkt kan communiceren. Daarom heeft hij nog geen contact met het COC gelegd.

De verklaringen van eiser over het rechtssysteem met betrekking tot homoseksualiteit en de situatie van homoseksuelen in Afghanistan zijn in overeenstemming met de informatie uit het ambtsbericht van 2016.

Dat eiser weinig over zijn partners weet te verklaren, heeft te maken met de cultuur in Afghanistan, waarin het ongebruikelijk is om iemand naar persoonlijke informatie te vragen. Eiser heeft niet alle details kunnen herinneren omdat hij is mishandeld en sindsdien last van zijn geheugen heeft. Uit het medisch advies van FMMU blijkt dat eiser problemen aangeeft met het zich kunnen herinneren van gebeurtenissen en data. Zijn beperkingen en sociale achtergrond zijn onvoldoende betrokken bij de beoordeling van de aanvraag. Uit de brief van de behandelaar van eiser bij Equator blijkt bovendien dat het langetermijngeheugen van eiser beschadigd is. Deze brief is ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling en niet voorgelegd aan het Bureau Medische Advisering (BMA). Het bestreden besluit is dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen.

Eiser verzoekt om verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eiser wegens het behoren tot een sociale groep te vrezen heeft voor zijn leven.

Subsidiair verzoekt eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij bij uitzetting naar Afghanistan onderworpen zal worden aan een onmenselijke behandeling wegens zijn homoseksuele geaardheid en omdat hij als gevolg van gebeurtenissen in zijn land van herkomst getraumatiseerd is.

Eiser kan voorts niet naar Afghanistan terugkeren omdat daar, en met name in Kabul, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG.

Eiser kampt met veel problemen zoals alcoholmisbruik en depressie. Hij wordt in het asielzoekerscentrum lastiggevallen en heeft hiervan een aangifte gedaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

Verweerder heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2170) de manier waarop hij een gestelde seksuele gerichtheid onderzoekt en beoordeelt neergelegd in de Werkinstructie 2015/9 (www.ind.nl).

Op 15 juni 2016 heeft de Afdeling een uitspraak met betrekking tot de totstandkoming en de inhoud van Werkinstructie 2015/9 gedaan (ECLI:NL:RVS:2016:1630). De Afdeling heeft overwogen dat de Werkinstructie 2015/9 op een zorgvuldige manier tot stand is gekomen en dat verweerder aan de hand van de daarin weergegeven vaste onderzoeksmethode op een zorgvuldige manier onderzoek naar een gestelde seksuele gerichtheid als asielmotief verricht. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat verweerder met Werkinstructie 2015/9 de systematiek aan de hand waarvan hij antwoorden op vragen over een seksuele gerichtheid beoordeelt, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt.

4.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid van eiser de Werkinstructie 2015/9 heeft gevolgd. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met het daarin vastgelegde beleid het relaas van eiser heeft beoordeeld. Ingevolge paragraaf 3 van de Werkinstructie 2015/9 mag verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen over de seksuele geaardheid, in het algemeen het zwaartepunt leggen op de antwoorden van de vreemdeling op vragen over de eigen ervaring, onder andere bewustwording en zelfacceptatie met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie voor personen met die gerichtheid in het land van herkomst is en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Dit geldt te meer als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar homoseksualiteit maatschappelijk onacceptabel of strafbaar gesteld is.

Verweerder beziet de verklaringen van de vreemdeling over zijn gestelde seksuele gerichtheid steeds in hun onderlinge samenhang.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder niet ten onrechte meer gewicht toegekend aan de verklaringen van eiser over het proces van bewustwording en acceptatie van zijn geaardheid. Dat verweerder ingevolge de Werkinstructie 2015/9 niet als uitgangspunt hanteert dat in alle gevallen een interne worsteling moet hebben plaatsgevonden, neemt niet weg dat verweerder ingevolge voornoemd beleid in redelijkheid mag verwachten dat eiser meer kan verklaren over het proces van de ontdekking en acceptatie van zijn geaardheid en de wijze waarop hij hiermee is omgegaan. In dit verband mag verweerder betekenis toekennen aan de verklaringen van eiser op de vraag welke gevoelens er nu precies in hem omgingen toen hij besefte dat hij op jongens viel. Verweerder heeft daartoe niet ten onrechte overwogen dat van eiser, die stelt zich sinds zijn achttiende jaar bewust te zijn geworden van zijn seksuele identiteit en die in zijn omgeving en land van herkomst niet wordt geaccepteerd, in redelijkheid mag worden verwacht dat hij hierover consistent en uitvoerig kan verklaren.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij omtrent de bewustwording en acceptatie van zijn homoseksualiteit slechts summier heeft verklaard en niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de ontdekking van zijn gevoelens voor jongens met hem persoonlijk heeft gedaan. Verweerder heeft daartoe in redelijkheid onvoldoende kunnen achten de verklaring van eiser dat hij zich van jongs af aan heeft gerealiseerd dat hij graag met jongens optrekt en dat dat besef met de jaren sterker is geworden. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij zijn homoseksuele gevoelens als volstrekt normaal heeft ervaren en helemaal niet verbaast heeft gestaan over de aanwezigheid van deze gevoelens onvoldoende overtuigend is, nu eiser hiermee afweek van wat gangbaar is in zijn directe omgeving en de restrictieve Afghaanse maatschappij.

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser ten tijde van de gehoren geen kennis omtrent de LHBT-gemeenschap in Nederland had. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat niet kan worden ingezien dat eiser – die stelt dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst voor zijn leven vreest vanwege zijn geaardheid en op grond hiervan een asielaanvraag indient – gedurende de procedure en na verblijf van ruim zes maanden in Nederland, geen enkele informatie over de LHBT- gemeenschap kan verschaffen, noch moeite ondernomen heeft om informatie daarover te vergaren.

Verweerder heeft voorts niet ten onrechte overwogen dat van eiser redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij over de wetgeving en het rechtssysteem met betrekking tot homoseksualiteit in Afghanistan meer en gedetailleerd kan verklaren. Dit geldt te meer nu eiser in Afghanistan middelbaar onderwijs heeft gevolgd en een begin met een universitaire opleiding heeft gemaakt.

Verweerder heeft eveneens in het nadeel van eiser kunnen meewegen dat eiser weinig informatie over zijn vriend [persoon 2] en [persoon 4] , de jongen die eiser via [persoon 2] heeft leren kennen en met wie hij zijn eerste homoseksuele ervaringen heeft opgedaan, kan verstrekken. Eiser heeft met zijn verklaringen niet inzichtelijk gemaakt hoe hij erachter is gekomen dat [persoon 2] op jongens viel. Eiser weet niet de leeftijd of geboortedatum van [persoon 4] , zijn geboorteplaats, de namen van zijn ouders en of [persoon 4] broers en zussen had. Voorts heeft eiser niet kunnen vertellen wanneer hij voor het eerst seksueel contact met [persoon 4] heeft gehad. Op grond hiervan heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de verklaringen van eiser dat hij een seksuele relatie met [persoon 4] heeft gehad niet overtuigend zijn.

Ook over [persoon 1] , met wie eiser naar zijn zeggen gedurende een jaar relatie heeft gehad, heeft eiser summier en niet overtuigend verklaard. Eiser heeft weinig informatie over de persoon [persoon 1] en zijn leven verstrekt en heeft niet kunnen aangeven wanneer hun seksuele relatie begonnen is. Eiser weet voorts niet wanneer hij met [persoon 1] door zijn moeder is betrapt. Verweerder heeft zich gezien het vorenstaande niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet heeft kunnen overtuigen dat hij met [persoon 1] een seksuele relatie heeft gehad. Op grond hiervan heeft verweerder de daaruit voortvloeide problemen eveneens niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

Verweerder heeft voorts ook de huidige relatie van eiser met [persoon 3] niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Ook over deze jongen heeft eiser summier en vaag verklaard en weet hij over hem geen persoonlijke informatie te verstrekken. Verweerder heeft in redelijkheid niet toereikend kunnen achten de niet nader onderbouwde stelling van eiser dat hij over geen van zijn relaties veel kan vertellen omdat het bij Afghanen nu eenmaal niet gebruikelijk is om persoonlijke vragen te stellen.

4.3

Verweerder heeft de stelling van eiser dat hij vanwege een mishandeling in het verleden, thans last van zijn geheugen heeft, in redelijkheid niet verschoonbaar kunnen achten voor het gebrek aan kennis over belangrijke elementen van zijn relaas. Uit de adviezen van FMMU van 8 juni 2016 en 10 juni 2016 blijkt dat eiser gehoord kon worden, onder voorwaarde dat er korte en duidelijke vragen worden gesteld en pauzes worden ingelast. Uit de gehoorverslagen blijkt dat hiermee voldoende rekening is gehouden en valt niet af te leiden dat aan eiser onvoldoende gelegenheid geboden is om de gestelde vragen te beantwoorden. Dat in het advies van FMMU van 8 juni 2016 is vermeld dat eiser problemen met het terughalen van zowel gebeurtenissen als data aangeeft, is daarom onvoldoende.

Dit geldt eveneens met betrekking tot de informatie van zijn behandelaar bij Equator, nu daaruit niet blijkt dat eiser in het geheel niet in staat is om consistent en uitgebreid te vertellen over zijn seksuele geaardheid. Hierbij is van belang dat het oordeel van verweerder over de ongeloofwaardigheid van het relaas, in zijn essentie niet op het gebrek aan kennis over data en namen is gebaseerd, maar op het feit dat eiser onvoldoende heeft verklaard met betrekking tot zijn (seksuele) relaties op diverse momenten van zijn leven.

4.4

In hetgeen eiser over zijn medische situatie naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen omdat verweerder recent, alvorens op de aanvraag te beslissen, geen advies aan het BMA heeft gevraagd. Ten aanzien van eiser is op 3 november 2016 een advies door het BMA uitgebracht, waarin is geconcludeerd dat eiser relatief onschuldige, niet levensbedreigende klachten heeft, te weten rug-, hoofd-, en maagpijn, en het niet goed kunnen slapen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat gelet op deze klachten bij uitzetting van eiser geen situatie zal ontstaan die schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) zou kunnen opleveren.

De medische informatie die eiser na dit BMA-advies heeft overgelegd bevat geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Uit het verslag van het intakegesprek van 8 maart 2017 bij Equator blijkt dat eiser problemen van alcoholgebruik, slaapproblemen en depressieve klachten heeft gemeld, maar dat de symptomen op dit moment niet bij een PTSS passen. Verweerder hoefde naar aanleiding van deze informatie in redelijkheid geen aanleiding te zien om het BMA opnieuw om een advies te vragen.

4.5

In het licht van het voorgaande heeft verweerder zich op grond van de verklaringen van eiser in de gehoren, in onderling samenhang bezien, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gestelde homoseksuele geaardheid en relaties van eiser, en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn.

5. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden zijn die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2731) en 30 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3513), waarin is geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld. Uit de door eiser aangehaalde stukken blijkt niet dat de algehele situatie dusdanig verslechterd is dat er gesproken kan worden van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Richtlijn 2004/83/EG. De mate van willekeurig geweld is in Afghanistan, in het bijzonder in Kaboel, niet dermate hoog dat een burger die daar naartoe terugkeert, alleen door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade.

7. Verweerder heeft gelet op het voorgaande op goede gronden geconcludeerd dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.