ECLI:NL:RBDHA:2017:6957 Rechtbank Den Haag , 26-06-2017 / AWB - 17 _ 3759

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/3759, 17/4023 en 17/4028

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2017 op het verzoek om een voorlopige voorziening van


[verzoeker 1] ,

(gemachtigde: mr. R.D. Maessen),

en


[verzoekster]
en [verzoeker 2],

(gemachtigde: mr. S.F.J. Bergmans),

gezamenlijk aan te duiden als: verzoekers,

tegen

de Burgemeester van [plaats] , verweerder,

(gemachtigden: mrs. A van Oostveen en J. van der Heijden).

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder gelast het bedrijfspand aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand) te [plaats] te sluiten voor de duur van achttien maanden, ingaande op 1 juni 2017.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij e-mail van 1 juni 2017 heeft verweerder medegedeeld dat het primaire besluit wordt opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2017. [verzoeker 1] en [verzoekster] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Namens [verzoeker 2] is mr. Bergmans verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens is verbalisant [persoon 1] verschenen.

Na de zitting heeft [verzoeker 1] de voorzieningenrechter een foto gemaild van een retourzending (inclusief verzendbewijs) alsmede de (voor ontvangst getekende) ontvangstbevestiging van 29 mei 2017. Hierop heeft verweerder schriftelijk gereageerd. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter acht spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gevraagde voorziening aanwezig.

3. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

3.1

[verzoekster] is 50% eigenaar van het bedrijfspand, en haar broer [verzoeker 1] is 50% eigenaar van het bedrijfspand. Volgens de Kamer van Koophandel is het bedrijfspand sinds 2012 het bezoekadres van [bedrijf] B.V. In het pand is tevens een kunsthandel gevestigd, [naam] . [naam] is een handelsnaam van [bedrijf] . [verzoeker 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf] B.V. Hij huurt het bedrijfspand sinds 1 maart 2000.

3.2

Uit de Bestuurlijke Rapportage van de politie eenheid Den Haag van 7 februari 2017 blijkt dat op dinsdag 4 oktober 2016 omstreeks 12.55 uur twee politieambtenaren over de [adres] reden. Zij zagen een persoon, later aangemerkt als verdachte [persoon 2] (hierna ook: [persoon 2] ) het bedrijfspand aan de [adres] verlaten. Bij het verlaten van het bedrijfspand droeg [persoon 2] een grote roze tas bij zich. [persoon 2] is na een korte achtervolging aangehouden. In de roze tas zat één kilogram gedroogde henneptoppen. Daarnaast heeft de politie op 23 januari 2017 het bedrijfspand doorzocht. Tijdens de doorzoeking zijn de volgende hennepgerelateerde goederen aangetroffen: een afzuigsysteem, afzuigslangen, flessen met alcohol, een gebruikte Cannolator, houten latten met haken aan het plafond, een weegschaal, een sealapparaat, sealbags, verdeeldozen, stukken elektriciteitskabel en een led-lamp.

3.3

Daarnaast zijn twee zeecontainers onderzocht die eigendom zijn van [verzoeker 1] . Hierin zijn ook hennepgerelateerde goederen aangetroffen: onder andere twee gebruikte cannacutters, één krat met een sealapparaat, elektriciteitskabels, gebruikte met hars bevuilde schaartjes en een gasfles en krat met chemicaliën volgens het etiket waterstopperoxide en salpeterzuur, voorschakelapparatuur, één krat met magneetschakelaars en één krat assimilatielampen.

4. Verweerder beveelt de sluiting van het bedrijfspand. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was het bedrijfspand te sluiten. Hieraan ten grondslag ligt dat het enkele feit dat de politie heeft geconstateerd dat een persoon met één kilogram hennep uit het bedrijfspand kwam verweerder bevoegd maakt om het bedrijfspand tijdelijk te sluiten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feiten en omstandigheden dermate ernstig zijn dat het bedrijfspand achttien maanden moet worden gesloten.

5. [verzoekster] en [verzoeker 1] voeren aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd nu slechts de bestuursrechtelijke rapportage aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Verweerder had een eigen onderzoek moeten verrichten naar alle relevante feiten en omstandigheden. [verzoekster] en [verzoeker 1] betwisten dat [persoon 2] in het pand aan de [adres] is geweest. Hij is er wel weggelopen, maar niet binnen geweest. Het pand was die dag dicht vanwege [omstandigheden] . De verdachte [persoon 2] verklaart zelf blijkens het proces-verbaal van verhoor van 5 oktober 2016 dat hij geen pand is uitgelopen. Hij stond voor de deur, maar er werd niet open gedaan. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [persoon 1] van 5 oktober 2016 kan niet meer worden afgeleid dat hij een man heeft zien weglopen bij het pand [adres] . Verweerder concludeert ten onrechte dat [persoon 2] met de zak henneptoppen in het bedrijfspand is geweest. Verweerder heeft geen beleidsregels opgesteld ten aanzien van overtredingen van artikel 13b van de Opiumwet, maar hanteert een vaste gedragslijn van sluiting voor een periode van zes maanden. Dat het pand voor achttien maanden wordt gesloten, is onvoldoende gemotiveerd. In 2012 en 2015 zouden zich incidenten hebben afgespeeld bij het bedrijfspand, echter er zijn toen geen verdovende middelen aangetroffen waardoor het nooit tot een sluiting is gekomen. Deze gebeurtenissen mogen niet meegewogen worden, omdat zij niet in relatie staan tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Een sluitingstermijn van achttien maanden is disproportioneel.

Tot slot menen [verzoekster] en [verzoeker 1] dat het bestreden besluit niet in werking is getreden nu verweerder heeft nagelaten de huurder, [verzoeker 2] , in de besluitvorming te betrekken.

Daarnaast heeft verweerder het bestreden besluit niet naar het juiste adres van mede-eigenaar [verzoeker 1] gezonden.

6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6.1

Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Voor het ontstaan van deze bevoegdheid is niet vereist dat daadwerkelijk sprake is van handel in drugs (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1764). Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid (soft- of hard)drugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 0,5 gram bij harddrugs, 5 gram bij softdrugs en 5 wiet- of hennepplanten, overschrijdt.

6.2

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat verweerder de op ambtsbelofte opgemaakte Bestuurlijke Rapportage van 7 februari 2017 aan het bestreden besluit ten grondslag mag leggen. Verweerder mag voorts uitgaan van de juistheid van de inhoud van de Bestuurlijke Rapportage tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor het tegendeel. Van dergelijke concrete aanknopingspunten is de voorzieningenrechter niet gebleken. De voorzieningenrechter volgt verzoekers [verzoekster] en [verzoeker 1] niet in het betoog dat [persoon 2] niet in het pand binnen is geweest maar slechts bij de voordeur en daarna is weggelopen. Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is voldoende vast komen te staan dat [persoon 2] het bedrijfspand aan de [adres] heeft betreden en met een plastic zak met één kilo henneptoppen het pand heeft verlaten. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat uit het ter zitting overgelegde op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van verbalisant [persoon 1] van 4 oktober 2016, voor zover hier relevant, het volgende is gerelateerd:

“Toen wij, verbalisanten, langs het genoemde pand reden zagen wij net een manspersoon via de voordeur het pand verlaten. Het viel ons meteen op dat de man een roze grote tas bij zich droeg.”

Ter zitting is verbalisant [persoon 1] als getuige gehoord. Hij heeft onder ede verklaard - zakelijk weergegeven - dat hij op 4 oktober 2016 met een collega op surveillance was en dat hij de voordeur van het pand aan de [adres] zag open gaan en de verdachte met een roze tas uit het pand zag stappen.

Onbetwist is dat in de roze tas één kilo gedroogde henneptoppen zat. Met hetgeen verbalisant [persoon 1] onder ede heeft verklaard, het proces-verbaal van aanhouding en de Bestuurlijke Rapportage, is voldoende vast komen te staan dat op 4 oktober 2016 in het bedrijfspand één kilogram henneptoppen aanwezig was. De hoeveelheid aangetroffen henneptoppen overschrijdt ruimschoots de hoeveelheid die volgens de richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor eigen gebruik wordt aangemerkt, te weten 5 gram softdrugs, zodat de aangetroffen henneptoppen in de roze tas kan worden aangemerkt als handelshoeveelheid. Gelet hierop was verweerder op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot sluiting van het bedrijfspand.

7. De voorzieningenrechter volgt [verzoekster] en [verzoeker 1] niet in hun betoog dat het bestreden besluit niet geëffectueerd mag worden omdat huurder [verzoeker 2] niet als belanghebbende is aangemerkt en geen besluit van verweerder heeft ontvangen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat het enkele feit dat de huurder in de voorfase niet als belanghebbende is aangemerkt, niet maakt dat verweerders bevoegdheid om het bedrijfspand te sluiten, reeds daardoor komt te vervallen. Voorts wijst de 7voorzieningenrechter op het feit dat [verzoeker 2] reeds op 13 juni 2017, derhalve tijdig, via zijn gemachtigde een bezwaarschrift tegen het besluit tot sluiting over te gaan heeft ingediend. In dit bezwaarschrift stelt [verzoeker 2] dat hij indirect op de hoogte is geraakt van het bestreden besluit. Voorts heeft [verzoeker 2] zelfstandig een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, welk verzoek gelijktijdig met onderhavig verzoek is behandeld. Nu [verzoeker 2] zelfstandig een rechtsmiddel tegen het bestreden besluit heeft ingediend, kan verweerder in de bezwaarfase zijn belangen mede in overweging nemen.

Wat er ook zij van de stelling dat verweerder het besluit niet naar het juiste adres van [verzoeker 1] heeft verzonden, stelt de voorzieningenrechter vast dat [verzoeker 1] tijdig een bezwaar heeft ingediend tegen het bestreden besluit en eveneens heeft verzocht een voorlopig voorziening te treffen. [verzoeker 1] is derhalve tijdig op de hoogte geraakt van het besluit en door een mogelijke verkeerde verzending niet in zijn belangen geschaad.

8. Evenmin is het betoog dat de sluiting van achttien maanden disproportioneel is, een grond om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen. Gelet op de wettelijke beslistermijnen gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verweerder binnen zes maanden beslist op de bezwaarschriften. De vraag of de situatie zo ernstig is dat een sluiting van meer dan zes maanden gerechtvaardigd is, kan derhalve in de bezwaarprocedure aan de orde komen.

9. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande voorlopig van oordeel dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand kan houden. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij afweging van alle betrokken belangen het belang van verweerder om het bestreden besluit onmiddellijk te effecturen, prevaleert boven het belang van verzoekers om het bestreden besluit te schorsen in afwachting van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter wijst derhalve de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.