ECLI:NL:RBDHA:2017:7446 Rechtbank Den Haag , 23-06-2017 / AWB - 17 _ 10931

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/10931 V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juni 2017 in de zaak tussen


[naam] , eiseres,

gemachtigde mr. J.W. de Haan,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 mei 2017 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig D. Jitsang, tolk in de Tibetaanse taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Chinese nationaliteit te bezitten. Op 2 mei 2011 heeft zij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan die aanvraag ligt ten grondslag dat eiseres als boeddhistische non in een klooster in Tibet woonde en dat ze vanwege problemen met Chinese overheidsfunctionarissen is gevlucht. Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Omdat eiseres haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt wordt niet geloofd dat eiseres afkomstig is uit Tibet en daar als non in een klooster heeft gewoond. Bij uitspraak van 3 mei 2012 (AWB 11/29384) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het daartegen door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. In die uitspraak is onder meer overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat positieve overtuigingskracht ontbreekt. Verweerder heeft eiseres kunnen tegenwerpen dat ze niet weet aan welke landen Tibet grenst en dat ze geen grote plaatsen in de omgeving van haar dorp dan wel het klooster kan noemen. Verder is overwogen dat van eiseres verwacht mag worden dat ze meer over het boeddhistische geloof weet en dat ze meer over haar leven in het klooster en haar dagelijkse werkzaamheden kan vertellen, nu ze stelt daar bijna vijf jaar te hebben gewoond. Bij uitspraak van 22 maart 2013 (201205676/1/V3) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

  2. Op 28 februari 2013 heeft eiseres opnieuw een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan die aanvraag zijn foto’s uit Tibet ten grondslag gelegd. Bij besluit van 6 november 2013 heeft verweerder ook deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder tevens een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiseres opgelegd. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is ingetrokken.

  3. Op 17 mei 2017 heeft eiseres haar derde aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft zij de volgende documenten overgelegd: 1. Een ongedateerde verklaring van het lokale dorpshoofd, met vertaling; 2. Een verklaring van ‘The United Dra-Sog-Dri-Sum Association’, afgegeven op 25 januari 2017 waarin de herkomst van eiseres wordt bevestigd; 3. Een verklaring van de ‘Welfare Society’, afgegeven op 28 januari 2017; 4. Een e-mail van 14 maart 2017 van de regio vertegenwoordiger aan de gemachtigde van eiseres; 5. Een foto van het uithangbord van de regio vertegenwoordiger; 6. Een ongedateerd rapport van dr. B.K. Jansen, boeddholoog, gepromoveerd in 2015 aan de Universiteit Leiden.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat de overgelegde documenten niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe elementen of bevindingen. Uit het rapport van Bureau Documenten van 18 april 2017 blijkt dat wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen oordeel kan worden gegeven over de echtheid, opmaak/afgifte en inhoud van documenten 1, 2 en 3, zodat deze documenten reeds daarom niet kunnen worden aangemerkt als nova. Met betrekking tot document 4 stelt verweerder zich op het standpunt dat deze e-mail betrekking heeft op documenten 2 en 3, zodat deze e-mail reeds daarom geen novum is. Document 5 betreft een foto waar gelet op wat over document 2 en 3 is overwogen geen doorslaggevende waarde aan kan worden toegekend. Met betrekking tot document 6 stelt verweerder zich op het standpunt dat dit rapport het verblijf van eiseres in het klooster niet bevestigt. Van eiseres mag worden verwacht dat zij daar ten tijde van haar eerste asielaanvraag zelf overtuigend over had verklaard.

5. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, zal de rechtbank niet het ne bis-beoordelingskader toepassen maar het besluit tot afwijzing van de opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht toetsen in het licht van de daartegen door eiseres aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen.

7. De rechtbank overweegt ten aanzien van documenten 1, 2 en 3 als volgt. Zoals uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB5763) volgt, ligt het op de weg van eiseres om de authenticiteit van de aan de herhaalde asielaanvraag ten grondslag gelegde documenten aan te tonen. Verweerder kan eiseres daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, zonder daarmee afbreuk te doen aan de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling. Uit de onder 4 genoemde verklaring van Bureau Documenten blijkt dat de authenticiteit van deze documenten vanwege het ontbreken van voldoend referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is een document geen nieuw gebleken feit of omstandigheid indien de authenticiteit niet kan worden vastgesteld. Als, zoals in het onderhavige geval, niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan dat sprake is van een authentiek document, is het aan de vreemdeling om dit in beroep alsnog te doen. Dat is niet gebeurd. Nu eiseres geen contra-expertise heeft overgelegd of op een andere manier de authenticiteit heeft aangetoond, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. De in beroep overgelegde brief van Migmar Tsering van de Welfare Society kan niet tot een ander oordeel leiden, nu ook daarmee de authenticiteit van documenten 2 en 3 niet is aangetoond. De ongedateerde en niet ondertekende brief heeft alleen betrekking op de inhoud van de documenten, zodat ook hiermee de authenticiteit niet kan worden aangetoond. Uit het voorgaande volgt dat ook documenten 4 en 5 niet als nova kunnen worden aangemerkt, nu deze, zoals verweerder terecht heeft gesteld, zien op documenten 1, 2 en 3.

8. Ook met betrekking tot document 6 - waarin wordt geconcludeerd dat de beschrijvingen die eiseres geeft van haar leven in het klooster zeer aannemelijk zijn - is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een novum. Daartoe is van belang dat niet is gebleken dat eiseres niet eerder een deskundigenbericht had kunnen overleggen. Vanaf het eerste afwijzende besluit van 16 augustus 2011 was bij eiseres bekend dat verweerder niet geloofwaardig acht dat zij als non in een klooster in Tibet heeft gewoond. Van eiseres had mogen worden verwacht dat zij reeds toen – en niet pas bij haar derde asielaanvraag in 2017 - een deskundigenrapport zou overleggen om het standpunt van verweerder te betwisten. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat dat niet mogelijk was omdat [naam 2] pas in 2015 is gepromoveerd. Echter niet gebleken is dat er geen andere deskundigen op dit gebied zijn.

9. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij in de onderhavige procedure beoogt te bereiken dat verweerder haar een taalanalyse aanbiedt, waaraan zij graag zou willen meewerken. De twijfel van verweerder over de herkomst van eiseres kan met een taalanalyse eenvoudig worden weggenomen nu eiseres een zeer specifiek dialect (Khambe) spreekt (waarbij van belang is dat eiseres tijdens de eerste procedure niet in die taal is gehoord). Verweerder heeft zich hieromtrent ter zitting op het standpunt gesteld dat bij een herhaalde asielaanvraag geen taalanalyse wordt aangeboden. Ook in dit geval ziet verweerder daarvoor geen aanleiding, nu het onder 1 vermelde oordeel over het asielrelaas in rechte vaststaat. De rechtbank acht dat standpunt juist en verwijst naar hetgeen hiervoor over de bewijslastverdeling is overwogen.

10. Ook de grond dat de combinatie van de overgelegde documenten en de foto’s die reeds in de tweede asielprocedure zijn overgelegd, volgens eiseres voldoende zijn voor verlening van een verblijfsvergunning asiel faalt, gelet op wat hierover onder 7 en 8 is overwogen.

10. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en verwezen naar een drietal nareiszaken, waarin verklaringen van de Welfare Society zijn overgelegd en als bewijs zijn geaccepteerd. Daarbij zijn V-nummers genoemd van de betreffende zaken en de datum van de positieve beslissing. Volgens eiseres is op grond van een dergelijke verklaring DNA-onderzoek aangeboden en zou verweerder in de onderhavige zaak moeten overgaan tot het aanbieden van een taalanalyse. Verweerder heeft deze grond ter zitting gemotiveerd weersproken en meegedeeld dat in die zaken de identiteit van de vreemdelingen vaststond, zodat reeds daarom geen sprake was van gelijke gevallen. Nu deze beslissingen noch andere onderliggende stukken zijn overgelegd, kan de rechtbank niet beoordelen of er sprake is van vergelijkbare zaken en wordt deze grond als onvoldoende onderbouwd verworpen.

10. De rechtbank concludeert dat verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het ontbreken van nieuwe elementen of bevindingen.

10. Tot slot stelt de rechtbank vast dat aan eiseres bij besluit van 6 november 2013 een inreisverbod is opgelegd. Nu eiseres haar beroep tegen dat besluit heeft ingetrokken, staat dat besluit en daarmee het inreisverbod in rechte vast. Omdat de opvolgende asielaanvraag van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard, heeft verweerder het reeds opgelegde inreisverbod terecht gehandhaafd. Wat eiseres in de onderhavige procedure heeft aangevoerd omtrent het risico dat zij zich aan het toezicht zal onttrekken, behoeft daarom geen bespreking.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden aan partijen op: