ECLI:NL:RBDHA:2017:7780 Rechtbank Den Haag , 13-07-2017 / UTL-I-2013029059

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: UTL-I-2013029059

Bevel opheffing vrijheidsbeneming

Beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2017, op vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 10 juli 2017, strekkende tot verlenging van de vrijheidsbeneming met een termijn van dertig dagen van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

thans gedetineerd in [P.I.] .

In de zaak van de opgeëiste persoon zijn twee uitleveringsverzoeken ontvangen van de

Moldavische autoriteiten met het oog op vervolging ter zake van mensenhandel. waarbij het

in het tweede uitleveringsverzoek gaat om andere slachtoffers van mensenhandel dan in het

eerste uitleveringsverzoek.

De rechtbank heeft met betrekking tot het eerste verzoek tot uitlevering op 13 december 2013 beslist dat deze uitlevering toelaatbaar is. Het tegen die uitspraak door de opgeëiste persoon ingestelde cassatieberoep is op 3 juni 2014 door de Hoge Raad verworpen. De opgeëiste persoon heeft in verband met het eerste uitleveringsverzoek van 26 juli 2013 tot en met 1 december 2016 in uitleveringsdetentie gezeten. De Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) heeft zijn beslissing op het eerste verzoek aangehouden omdat er op 19 september 2014 een tweede uitleveringsverzoek van Moldavië ten aanzien van de opgeëiste persoon was binnengekomen.

Aanvankelijk is die uitlevering bij uitspraak van 20 mei 2015 ontoelaatbaar verklaard. Nadat de Moldavische autoriteiten alsnog ontbrekende stukken hebben verstrekt heeft de rechtbank bij uitspraak van 20 januari 2016 de uitlevering toelaatbaar verklaard ten aanzien van de vervolging voor mensenhandel.

Het tegen laatstgenoemde uitspraak ingestelde cassatieberoep is bij arrest van 21 juni 2016 door de Hoge Raad verworpen.

De opgeëiste persoon zit sedert 1 december 2016 gehecht in verband met het tweede verzoek tot uitlevering.

De Minister heeft bij beschikking van 11 januari 2017 beslist dat de uitlevering van de opgeëiste persoon gedeeltelijk is toegestaan.

De Minister heeft Moldavië om specifieke garanties met betrekking tot de detentieomstandigheden gevraagd en op 16 december 2016 en 30 maart 2017 zijn door Moldavië garanties gegeven.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 9 juni 2017 verboden de opgeëiste persoon

aan Moldavië uit te wijzen.

Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat - in het licht van de in dat vonnis

aangehaalde rapporten over detentieomstandigheden in Moldavië en de zich op dit punt tot

algemeenheden beperkte garanties van de Moldavische autoriteiten - er zoveel twijfel is

gerezen over detentieomstandigheden waaraan de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld, dat er thans een “real risk” voor de opgeëiste persoon voor een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling in Moldavië is.

De officier van justitie heeft in raadkamer aangegeven dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2017 in kracht van gewijsde is gegaan en dat de Minister afwijzend op de uitleveringsverzoeken heeft beschikt. Het Openbaar Ministerie persisteert daarom niet bij de vordering en verzet zich niet tegen de opheffing van de uitleveringsdetentie.

De opgeëiste persoon en diens raadsvrouw mr. C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, zijn in raadkamer gehoord.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op voornoemde beslissing van de Minister de uitleveringsdetentie dient te worden opgeheven.

Beslissing :

Heft op de uitleveringsdetentie en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van de opgeëiste persoon.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 13 juli 2017 door mrs. M.T. Renckens, voorzitter, C.W. de Wit en V.J. de Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.A. van Iwaarden, griffier.

De officier van justitie gelast de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en brengt deze ter kennis van de opgeëiste persoon.

Den Haag, 13 juli 2017 de officier van justitie