ECLI:NL:RBDHA:2017:7794 Rechtbank Den Haag , 11-07-2017 / AWB-16_3402

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/3402 (beroep)

AWB 16/3403 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 juli 2017 in de zaak tussen


[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] ,

eiseres 1, verzoekster,

hierna te noemen: eiseres 1,

haar ouders:


[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 2] ,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen: eiser,


[eiseres 2] ,

Geboren op [geboortedatum 3] ,

eiseres 2, verzoekster,

hierna te noemen: eiseres 2,

allen van Russische nationaliteit,

samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. C. Chen, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigden: mr. J.P. Guérain en mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres 1 van 27 juni 2013 om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen. Het besluit heeft tevens betrekking op eiser en eiseres 2.

Bij besluit van 29 augustus 2014 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2015 (AWB 14/21727 en AWB 14/21729) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2014 vernietigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 10 mei 2016 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2016. Eiseres 1 en eiser zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P. Guérain. Tevens was aanwezig dr. [naam 1] , psychiater (hierna: “dr. [naam 1] ” of “de contra-expert”).

De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 23 juni 2016 en psychiater dr. [naam 2] , verbonden aan het DC Expertise Centrum, als deskundige ingeschakeld. Hij heeft op 24 november 2016 gerapporteerd. Verweerder heeft bij brief van 27 december 2016 gereageerd, en eisers bij brief van 24 januari 2017.

Bij brief van 31 januari 2017 heeft de rechtbank op verzoek van verweerder de behandeling van het beroep en de voorlopige voorziening aangehouden in verband met het arrest van 13 december 2016 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Paposhvili tegen België (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810) (hierna: het arrest Paposhvili).

Het onderzoek ter zitting is hervat op 4 mei 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Vrooman. Tevens was aanwezig dr. [naam 1] .

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

1.1

Eiser is op 11 oktober 2005 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor ‘arbeid in loondienst’ geldig tot 31 maart 2006. Eisers zijn daarna in het bezit gesteld van een gepriviligieerdendocument. Op 18 december 2008 zijn deze documenten in verband met beëindiging van eisers werkzaamheden in Nederland geretourneerd.

Eisers hebben op 20 oktober 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier voor het doel “medische behandeling” (eiseres 1), dan wel: “verblijf bij kind” (eiser en eiseres 2). Verweerder heeft de aanvragen bij besluiten van 17 juli 2009 afgewezen. Eisers hebben tegen de besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluiten van 13 december 2011 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld en hebben gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij hebben tevens verzocht verweerder te verbieden hen uit te zetten totdat op het beroep is beslist.

Bij uitspraak van 5 juli 2013 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken afgewezen (AWB 12/616, AWB 12/618, AWB 12/620, AWB 12/617, AWB 12/619 en AWB 12/622). Bij uitspraak van 17 oktober 2013 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep ongegrond verklaard (nr. 201306975).

1.2

Eiseres 1 heeft op 27 juni 2013 verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw mede ten behoeve van haar gezinsleden.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag – kort weergegeven – afgewezen, omdat uit het advies van Bureau Medische Advisering (het BMA) van 25 maart 2014 blijkt dat eiseres 1 in staat is om te reizen, mits zij begeleid wordt door een psychiatrisch geschoold verpleegkundige. Voorts is er bij terugkeer naar het land van herkomst geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten, omdat behandelmogelijkheden aanwezig zijn in het land van herkomst. Dit standpunt heeft verweerder gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 augustus 2014.

1.4

In haar uitspraak van 28 mei 2015 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het besluit van 29 augustus 2014 vernietigd omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De zienswijze van de contra-expert, niet zijnde de behandelaar, was niet meegewogen door, dan wel voorgelegd aan, het BMA, zodat niet door het BMA is onderzocht of het verbreken van de relatie met haar huidige behandelaars er in het geval van eiseres 1, gelet op de aard van haar klachten, toe leidt dat er geen effectieve behandeling voorhanden is voor haar in het land van herkomst.

1.5

Verweerder heeft het BMA verzocht een nieuw advies uit te brengen, hetgeen het BMA op 11 september 2015 heeft gedaan. Voorts zijn eisers op 1 december 2015 gehoord door verweerder. In reactie op het BMA-rapport van 11 september 2015 heeft de contra-expert van eisers, dr. [naam 1] , op 8 december 2015 een rapportage uitgebracht. Het BMA heeft bij nota van 28 december 2015 gereageerd. Dr. [naam 1] heeft daarop bij brief van 22 januari 2016 gereageerd, aangevuld bij brief van 10 mei 2016.

2. Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit het primaire besluit gehandhaafd, met inbegrip van het BMA-advies van 25 maart 2014. Het nadien verkregen BMA-advies van 11 september 2015 is herhaald en ingelast. In dit advies is vermeld dat eiseres 1 in staat wordt geacht te kunnen reizen, met de voorwaarden dat eiseres 1 tijdens de reis dient te worden begeleid door een psychiatrisch verpleegkundige en bij aankomst dient te worden overgedragen aan een behandelaar. Behandeling en de door eiseres gebruikte medicatie is in haar land van herkomst aanwezig. Er zal dus geen medische noodsituatie op korte termijn hoeven ontstaan.

3. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres 1 lijdt aan ernstige psychiatrische problematiek waardoor bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op korte termijn niet wordt uitgesloten. Partijen verschillen van opvatting over of gedurende de reis en (binnen drie maanden) na aankomst in Rusland een medische noodsituatie zal ontstaan doordat in Rusland geen adequate, dan wel effectieve behandeling van eiseres 1 mogelijk is.

4. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat eiseres 1 niet in staat is te reizen en dat er in het land van herkomst geen effectieve behandeling van eiseres 1 mogelijk is. Dr. [naam 1] heeft in zijn contra-expertise, samengevat, geconcludeerd dat het gedwongen afbreken van de langdurige psychotherapeutische behandelrelatie en het verbreken van de opgebouwde sociale contacten in Nederland gelet op de aandoeningen van eiseres 1, een dermate verhoogd risico op suïcide met zich brengt, dat dit vitaal gecontra-indiceerd is. Eisers, en de door hen ingeschakelde contra-expert, hebben gemotiveerd aangevoerd dat er aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies van 11 september 2015 en het aanvullende advies van 28 december 2015. Zij voeren daartoe onder meer aan dat de BMA-adviezen niet zijn opgesteld door een psychiater, en dat eiseres 1 niet in persoon door de adviserend arts is onderzocht. Dit in tegenstelling tot de behandelaars van eiseres 1 en de contra-expert, die hun rapportages mede hierop hebben gebaseerd. Daarnaast zijn de rapportages van de behandelaars en de contra-expert niet, althans onvoldoende (kenbaar), betrokken in de BMA-adviezen, aldus eisers. Verweerder en het BMA miskennen dat, gelet op de aard van de aandoeningen van eiseres 1, geen (effectieve) behandeling kan plaatsvinden in Rusland. Dit gegeven heeft geen betrekking op subjectieve gevoelens van eiseres 1 of (acting-out) gedrag als gevolg van de uitzetting zelf, die buiten de omvang van toetsing door het BMA vallen, maar houdt nauw verband met de aard van de aandoeningen van eiseres 1. Het BMA kan dit beoordelen, en had dit ook moeten doen, door middel van het bij de beoordeling betrekken van de rapportages van de contra-expert dan wel middels inschakeling van een onafhankelijke psychiater, zo stellen eisers, mede onder verwijzing naar de rapportages van de contra-expert.

4.1

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.1

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet verweerder zich er, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 Awb van vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Indien het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden.

4.1.2

Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege, hierna CTG, brengt de zorgvuldigheid die de BMA-arts jegens de aanvrager van een verblijfsvergunning verschuldigd is mee dat, indien in een individueel geval de gegevens in het dossier van de aanvrager voor de BMA-arts aanleiding moeten zijn gerede twijfel te hebben over de effectiviteit voor de aanvrager van de zorg in het land van herkomst, de BMA-arts zo mogelijk daarnaar nader onderzoek verricht, bijvoorbeeld door (nadere) raadpleging daaromtrent van een deskundige, die zou kunnen zijn een vertrouwensarts in dat land. Indien geen nader onderzoek wordt of kan worden verricht, dient de arts in zijn rapportage in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel. Het CTG realiseert zich dat de effectiviteit van een behandeling afhankelijk is van tal van factoren. Het CTG realiseert zich ook dat een BMA-arts omtrent diverse factoren geen (deugdelijk onderbouwde) uitspraak kan doen, reeds omdat de arts omtrent die factoren onvoldoende kennis of deskundigheid bezit. Dat neemt echter niet weg dat het tot de professionele verantwoordelijkheid van de BMA-arts behoort in de rapportage onder ogen te zien of er gerede twijfel kan bestaan over de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waaromtrent de arts wel geacht kan worden zich uit te laten (zie: ECLI:NL:TGZCTG:2015:83).

4.2

In de onderhavige BMA-adviezen hebben de BMA-artsen zich naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd uitgelaten over de vraag of en in hoeverre er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de effectiviteit van de behandeling van eiseres 1 in Rusland. De rechtbank heeft in dit verband met name van belang geacht de middels de contra-expertise onderbouwde stelling van eisers dat geen (effectieve) behandeling in Rusland mogelijk is, vanwege de aard van de aandoeningen van eiseres 1. Het betreft, aldus eisers, geen subjectieve gevoelens van eiseres 1 of (acting-out) gedrag als gevolg van de uitzetting zelf, die buiten de omvang van toetsing door het BMA vallen. De BMA-artsen hadden zich, gelet op de door de behandelaars en contra-expert gebezigde overwegingen en conclusies, naar het oordeel van de rechtbank zorgvuldiger en meer op de situatie van eiseres 1 toegespitst, uit dienen te laten over de vraag waarom voor eiseres 1 toch een effectieve behandeling mogelijk zou zijn in Rusland. Daarbij heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat de standpunten van de BMA-artsen dat eiseres eerder een andere behandelaar heeft gekregen en zij in het verleden in Rusland met enig succes behandeld is geweest, gemotiveerd zijn weersproken. De verwijzing zijdens verweerder in het verweerschrift naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:504) doet aan het voorgaande bovendien niets af, omdat in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak het geval is, niet nader geconcretiseerd is hoe de gebeurtenissen een effectieve voortzetting van de behandeling van de klachten van de vreemdeling onmogelijk maakten.

4.3

Eisers hebben, mede onderbouwd met expertiserapporten, naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat aanleiding bestond voor twijfel aan de zorgvuldigheid en inhoud van de BMA-advisering. Gelet op het arrest Korošec tegen Slovenië (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) en in het kader van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank aanleiding gezien het onderzoek te heropenen en een externe deskundige te benoemen, dr. [naam 2] (hierna: dr. [naam 2] ).

4.4

Deze concludeert – onder meer – het volgende in zijn rapportage van 24 november 2016:

“Ad 2.4 Zal door stopzetting van de medische behandeling door de huidige behandelaar(s) als gevolg van een voor betrokkene negatieve beslissing een medische noodsituatie ontstaan? Zo nee, welke (medische) voorwaarden dienen aan overname van de behandeling van eisers te worden gesteld?

De rapporteur meent dat de risico’s op ontstaan van een medische noodsituatie hoog zijn. Dat hangt samen met de volgende factoren.

1. De geschetste stoornissen gaan allen gepaard met een verhoogd risico’s op noodsituaties, waarbij de combinatie van de stoornissen dat risico dan nog weer verder verhogen.

2. Bij betrokkene is dat risico voortkomend uit deze stoornissen dan nog weer verder verhoogd. Betrokkene heeft een voorgeschiedenis met opnames, met impulsieve, agressieve suïcidepogingen en heeft ook in haar relatief stabielere periode op veel gebieden een zeer beperkt functioneren. Dat betekent dat bij betrokkene het risico op noodsituaties sterk verhoogd is.

3. Betrokkene zal vervolgens bij een negatieve beslissing in een toestand komen waarin zij met een zeer grote mate van onzekerheid, frustratie, krenking, verandering te maken krijgt, welke een zeer hoge mate van stress zal genereren. Die situatie zal zij niet goed kunnen hanteren. Iedere verandering vergt zeer veel van betrokkene, een verandering zoals in de vraagstelling wordt voorgelegd, betekent voor haar een verandering van buitengewoon ingrijpende aard. Betrokkene heeft eenvoudigweg niet het vermogen daarop adequaat, relatief adequaat of aangepast te reageren of te anticiperen, door de combinatie van de gegeven stoornissen.

4. Daarmee zal betrokkene dan in een situatie komen dat haar depressie toeneemt, haar dwangklachten zullen toenemen, en haar persoonlijkheidsstoornis tot een nog grotere mate van disfunctioneren zal gaan leiden, met toename van zwart-wit denken, toename van impulsieve gedragskeuzes, versterkt door de depressie en de dwangklachten.

5. Dit wordt bovendien versterkt doordat betrokkene bij een gedwongen terugkeer, haar behandelrelatie zal verliezen, een behandelrelatie waarmee zij voorzichtige stappen op de weg van stabilisatie heeft gezet. Die behandelrelatie en de grote betekenis ervan, is niet vervangbaar, zeker ook tegen de achtergrond dat betrokkene in Rusland met psychiaters diverse, teleurstellende ervaringen heeft opgedaan en zij weinig vertrouwen heeft in de kwaliteit van de zorg op dit gebied in Rusland.

6. Verder wordt dit versterkt door dat betrokkene bij een terugkeer haar opgebouwde kring van wat werk en vrienden zal gaan verliezen. Juist die huidige vriendenkring en werk haalt haar uit het isolement van depressie en maakt dat zij stappen zet op weg naar separatie en zelfstandigheid. Wanneer dit wegvalt, in een omgeving waarin zij die omgeving als hard ervaart, zal zij weer volledig op haarzelf en de ouders worden teruggeworpen, wat tot een toename van depressie, dwang en alle andere problemen zal leiden.

7. Het is aannemelijk dat zij door de combinatie van bovengenoemde factoren onder 1 tot en met 6 dan in een toestand komt waarin het risico op zowel gedwongen opname, suïcidaliteit, suïcidepogingen, en daadwerkelijke suïcide zeer hoog zal zijn.”

(..)

Ad 3.1 Indien eiseres gaat reizen als gevolg van een voor betrokkene negatieve beslissing, gebeurt dit in de regel per vliegtuig, trein, auto, en vliegtuig. Kan eiseres reizen, met bovengenoemde vervoersmiddelen, met of zonder medische reisvoorwaarden? (Kunt u hierbij aangeven welke medische voorwaarden bij de reis vooraf, tijdens en of direct na de reis noodzakelijk zijn?)

Wanneer betrokkene in een situatie van gedwongen, niet door haar gewenste terugkeer komt, ontstaat een situatie van zeer veel stress, met een zeer hoog risico op het ontstaan van medische noodsituaties. Het risico op deze noodsituaties zal ook tijdens een reis in de geschetste vervoersmiddelen zich voordoen. Het risico op deze medische noodsituaties is zeer hoog, met onvoorspelbare, impulsieve gedragingen, suïcidepogingen en een zeer hoog risico op suïcide. Het is niet goed voorstelbaar met welke maatregelen deze risico’s zijn weg te nemen. Betrokkene zal zeer waarschijnlijk dan in een zo hoge mate van stress, depressie, dwang en impulsieve gedragskeuzes terechtkomen, dat bijvoorbeeld ook een psychiatrisch verpleegkundige niet in staat in zal zijn een dergelijke situatie te managen met als doel risico’s te verminderen. Betrokkene zal geen vertrouwen in die tijdelijke behandelrelatie vinden, om in een situatie van nood zich te laten overtuigen andere keuzes te maken. Daarmee is de rapporteur van mening dat gegeven bovenstaande en het geschetste onder de overige vraagstellingen, reizen met of zonder medische reisvoorwaarden niet mogelijk is, zonder dat een zeer hoog risico op een medische noodsituatie zal ontstaan.

Ad 3.2 Indien u de medische reisvoorwaarde van fysieke overdracht aan een medische instelling c.q. behandelaar voorschrijft, kunt u aangeven voor welke behandeling de fysieke overdracht noodzakelijk is?

Dit sluit aan bij ad 3.1 en vooral datgene wat onder ad 2.4 is geschetst en in zijn samenhang beschouwd moet worden. Een gedwongen terugkeer genereert zeer veel stress, met een breuk in een behandelrelatie waarmee zij stabiliteit heeft verkregen, en die niet door een behandelrelatie in het beoogde land van terugkeer kan worden hervonden. Betrokkene heeft geen vertrouwen in de behandelingen door psychiaters aldaar en ook de nodige negatieve ervaringen doorgemaakt. Dit betekent dat terugkeer en fysieke overdracht aldaar zeer veel stress zal genereren, depressie, dwang, impulsieve gedragskeuzes, waardoor alles afwegende reizen een zeer hoog risico op een medische noodsituatie zal genereren en een fysieke overdracht aldaar nog weer meer stress, met alle risico’s van dien.”

Bij brief van 24 januari 2017 en ter zitting van 4 mei 2017 hebben eisers hun beroep bovendien aangevuld. Het expertiserapport bevestigt volgens eisers dat eiseres 1 niet kan reizen en dat er geen effectief beschikbare behandeling in het land van herkomst voor handen is. Een negatief besluit, het verlies van behandelrelaties, vriendschappelijke en collegiale relaties zal resulteren in een onmenselijke behandeling en uiteindelijk haar dood. Eisers menen daarom dat met het bestreden besluit sprake is van schending van artikel 2 en 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Voorts hebben eisers een beroep op het arrest Paposhvili gedaan, met name overweging 189. Zij voeren aan dat hieruit volgt dat per geval beoordeeld dient te worden of een ‘sufficient and appropriate’ behandeling plaats kan vinden in het land van herkomst. Eisers stellen dat in het geval van eiseres 1 in Rusland geen adequate behandeling beschikbaar is.

Tevens stellen zij dat het vervoeren van eiseres 1, vastgebonden en/of zwaar gesedeerd, en een gedwongen opname bij aankomst ter voorkoming van suïcide, niet humaan is.

4.5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de deskundigenrapportage van 24 november 2016 van dr. [naam 2] geen concreet aanknopingspunt vormt voor twijfel aan de juistheid van het BMA-advies van 11 september 2015 en het aanvullende advies van 28 december 2015. Verweerder meent dat de door dr. [naam 2] aangehaalde omstandigheden niet vallen binnen het beoordelingskader van artikel 64 Vw. De vraag ziet er in dat geval immers op of de vreemdeling, gelet op zijn medische situatie, kan reizen naar zijn land van herkomst, en zo ja, of daarbij nog medische reisvoorwaarden noodzakelijk zijn. Verweerder wijst erop dat artikel 64 Vw niet op het behandeltraject in Nederland ziet. Het risico op een suïcidepoging heeft het BMA in zijn advies betrokken door reisvoorwaarden en begeleiding tijdens de reis door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige én fysieke overdracht aan een arts of psychiater bij aankomst op te nemen. Verweerder verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling van 28 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3215.

4.5.2

Voorts heeft verweerder aangevoerd dat de deskundige niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke (objectieve) gegevens hij de conclusie heeft gebaseerd dat het aangaan van een nieuwe behandelrelatie onmogelijk is. Eiseres 1 is immers twee maal in Rusland ambulant behandeld met medicatie, waarna zij zich beter voelde. Ook is zij een korte periode klinisch opgenomen geweest, waarna zij zich iets beter voelde. Zij is relatief kort behandeld in Rusland en heeft niet enkel negatieve ervaringen gehad. Verweerder vermag niet in te zien dat het op voorhand onmogelijk zou zijn voor eiseres 1 om (opnieuw) behandeld te worden in haar land van herkomst, dan wel dat het onmogelijk zou zijn om een behandelrelatie op te bouwen met een behandelaar. Het kan immers in Nederland ook voorkomen dat zij van behandelaar dient te veranderen. Verweerder acht de overwegingen en conclusies van de deskundige in hoge mate speculatief, onder meer omdat niet medisch gezien te objectiveren is hoe iemand zich na een eventuele terugkeer zal gaan voelen. Uitspraken over effectiviteit van de behandeling zullen dan ook een overwegend speculatief karakter hebben.

Aangezien niet bestreden wordt dat behandeling voor eiseres 1 in Rusland (feitelijk) toegankelijk is, kan voorts geen geslaagd beroep worden gedaan op het arrest Paposhvili. Dit arrest ziet op de toegankelijkheid en niet op de effectiviteit van de behandeling, zoals ook blijkt uit overweging 189 van het arrest. Uit de BMA-adviezen blijkt dat eiseres 1 behandeld kan worden in Rusland, dat de haar voorgeschreven medicatie aanwezig is, en dat zij kan reizen onder bepaalde voorwaarden, aldus verweerder.

4.6

De rechtbank overweegt als volgt. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Dat is hier het geval. Het deskundigenrapport geeft naar het oordeel van de rechter blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.

4.6.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft dr. [naam 2] concreet en gemotiveerd verklaard dat eiseres 1 door stopzetting van de medische behandeling door de huidige behandelaar(s) in een toestand komt waarin het risico op zowel gedwongen opname, suïcidaliteit, suïcidepogingen, en daadwerkelijke suïcide zeer hoog zal zijn. Hij acht eiseres 1 niet in staat te reizen met of zonder medische reisvoorwaarden. Voorts heeft de deskundige geconcludeerd dat een gedwongen terugkeer zeer veel stress genereert, met een breuk in een behandelrelatie waarmee zij stabiliteit heeft verkregen, en die niet door een behandelrelatie in het beoogde land van terugkeer kan worden hervonden. Hij concludeert dat terugkeer en fysieke overdracht zeer veel stress zal genereren, depressie, dwang en impulsieve gedragskeuzes, waardoor alles afwegende reizen een zeer hoog risico op een medische noodsituatie zal genereren en een fysieke overdracht aldaar tot nog meer stress, met alle risico’s van dien.

4.6.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn reactie van 27 december 2016, met zijn weergave van de procedure voorafgaand en gedurende de reis en de weergave van het standpunt van de deskundige, niet inhoudelijk heeft gereageerd op de overwegingen en conclusies van de deskundige ten aanzien van de onmogelijkheid te reizen. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de (inhoudelijke) standpunten van verweerder naar aanleiding van het deskundigenrapport niet opgaan. Gelet op de deskundigheid van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, deze is immers psychiater, en het feit dat deze zowel de informatie van de behandelaars als de contra-expertiserapporten kenbaar bij zijn rapportage heeft betrokken, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder niet dat de rapportage speculatief is op het punt van de onmogelijkheid een nieuwe behandelrelatie aan te gaan. Zoals in het voorgaande is overwogen, hebben zowel de behandelaars als de contra-expert, en inmiddels ook de deskundige, gemotiveerd gereageerd op de reeds eerder door verweerder ingenomen stellingen dat eiseres in het verleden (dat wil zeggen tien jaar geleden) met enig succes in Rusland zou zijn behandeld en dat zij eerder een nieuwe behandelaar heeft gekregen. Verweerder heeft aangegeven dat de vraagstelling aan de deskundige en de rapportage het beoordelingskader van artikel 64 Vw te buiten gaan. Nog los van het feit dat de vraagstelling op voorhand aan verweerder is toegezonden, en verweerder dit dan ook eerder kenbaar had kunnen maken, is de rechtbank van oordeel dat de aan de deskundige gestelde vragen wel degelijk zien op een beoordeling in het kader van artikel 64 Vw. Immers, gevraagd en beoordeeld is of in dit geval in objectieve, medische zin een reis mogelijk is. De ingeschakelde deskundige psychiater is van oordeel dat dit niet het geval is. Dat dit oordeel in dit geval wellicht subjectief of, zoals verweerder stelt speculatief, voorkomt omdat het mede betrekking heeft op gevoelens, goeddeels is gestoeld op een anamnese en gesprekken met eisers en voor het overige mogelijk moeilijk meetbaar is, is verklaarbaar door de aard van de aandoeningen van eiseres 1. Het betreft immers psychiatrische problematiek. En juist gelet op de aard van de psychiatrische problematiek van eiseres 1, spelen externe factoren zoals het verbreken van de behandelrelatie, het verbreken van relaties met vrienden en kennissen, werk en het verplicht moeten terugkeren naar Rusland kennelijk een doorslaggevende rol. Een en ander maakt echter niet dat niet langer sprake is van een objectief medisch oordeel over het reizen en het uitblijven van een medische behandeling in Rusland.

Dat de deskundige kennis ontbeert van de vreemdelingrechtelijke context bij de beoordeling van de reismogelijkheden en -voorwaarden, zoals verweerder voorts heeft aangevoerd, doet naar het oordeel van de rechtbank evenmin afbreuk aan de rapportage. De beantwoording van de vraag of iemand objectief medisch gezien in staat is te reizen en elders effectief behandeld kan worden, is immers niet exclusief voorbehouden aan het vreemdelingenrecht.

4.6.3

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de BMA-advisering voorafgaand aan het in beroep bestreden besluit niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen voor wat betreft zorgvuldigheid en motivering. Verweerder heeft daarom in onvoldoende mate voldaan aan zijn vergewisplicht. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en gemotiveerd in het licht van de door de behandelaars van eiseres 1 en de contra-expert gegeven concrete informatie. Aan het bestreden besluit kleeft dan ook een gebrek wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Reeds hierom dient het besluit te worden vernietigd.

5. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank wel de overige beroepsgronden bespreken. Deze richten zich op het arrest Paposhvili en vormden voor verweerder aanleiding om het beroep nogmaals ter zitting te behandelen.

In het arrest Paposhvili heeft het EHRM (onder meer) het volgende overwogen:

“180. However, in its judgment in Aswat v. the United Kingdom (no. 17299/12, § 49, 16 April 2013), the Court reached a different conclusion, finding that the applicant’s extradition to the United States, where he was being prosecuted for terrorist activities, would entail ill‑treatment, in particular because the conditions of detention in the maximum security prison where he would be placed were liable to aggravate his paranoid schizophrenia. The Court held that the risk of significant deterioration in the applicant’s mental and physical health was sufficient to give rise to a breach of Article 3 of the Convention (ibid., § 57).

(…)

185. Accordingly, in cases of this kind, the authorities’ obligation under Article 3 to protect the integrity of the persons concerned is fulfilled primarily through appropriate procedures allowing such examination to be carried out (see, mutatis mutandis, El-Masri v. the former Yugoslav Republic of Macedonia [GC], no. 39630/09, § 182, ECHR 2012; Tarakhel, cited above, § 104; and F.G. v. Sweden, cited above, § 117).

186. In the context of these procedures, it is for the applicants to adduce evidence capable of demonstrating that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, they would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). In this connection it should be observed that a certain degree of speculation is inherent in the preventive purpose of Article 3 and that it is not a matter of requiring the persons concerned to provide clear proof of their claim that they would be exposed to proscribed treatment (see, in particular, Trabelsi v. Belgium, no. 140/10, § 130, ECHR 2014 (extracts)).

187. Where such evidence is adduced, it is for the authorities of the returning State, in the context of domestic procedures, to dispel any doubts raised by it (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). The risk alleged must be subjected to close scrutiny (see Saadi, cited above, § 128; Sufi and Elmi v. the United Kingdom, nos. 8319/07 and 11449/07, § 214, 28 June 2011; Hirsi Jamaa and Others, cited above, § 116; and Tarakhel, cited above, § 104) in the course of which the authorities in the returning State must consider the foreseeable consequences of removal for the individual concerned in the receiving State, in the light of the general situation there and the individual’s personal circumstances (see Vilvarajah and Others, cited above, § 108; El-Masri, cited above, § 213; and Tarakhel, cited above, § 105). The assessment of the risk as defined above (see paragraphs 183-84) must therefore take into consideration general sources such as reports of the World Health Organisation or of reputable non-governmental organisations and the medical certificates concerning the person in question.

188. As the Court has observed above (see paragraph 173), what is in issue here is the negative obligation not to expose persons to a risk of ill‑treatment proscribed by Article 3. It follows that the impact of removal on the person concerned must be assessed by comparing his or her state of health prior to removal and how it would evolve after transfer to the receiving State.

189. As regards the factors to be taken into consideration, the authorities in the returning State must verify on a case-by-case basis whether the care generally available in the receiving State is sufficient and appropriate in practice for the treatment of the applicant’s illness so as to prevent him or her being exposed to treatment contrary to Article 3 (see paragraph 183 above). The benchmark is not the level of care existing in the returning State; it is not a question of ascertaining whether the care in the receiving State would be equivalent or inferior to that provided by the health-care system in the returning State. Nor is it possible to derive from Article 3 a right to receive specific treatment in the receiving State which is not available to the rest of the population.

190. The authorities must also consider the extent to which the individual in question will actually have access to this care and these facilities in the receiving State. The Court observes in that regard that it has previously questioned the accessibility of care (see Aswat, cited above, § 55, and Tatar, cited above, §§ 47-49) and referred to the need to consider the cost of medication and treatment, the existence of a social and family network, and the distance to be travelled in order to have access to the required care (see Karagoz v. France (dec.), no. 47531/99, 15 November 2001; N. v. the United Kingdom, cited above, §§ 34-41, and the references cited therein; and E.O. v. Italy (dec.), cited above).

191. Where, after the relevant information has been examined, serious doubts persist regarding the impact of removal on the persons concerned – on account of the general situation in the receiving country and/or their individual situation – the returning State must obtain individual and sufficient assurances from the receiving State, as a precondition for removal, that appropriate treatment will be available and accessible to the persons concerned so that they do not find themselves in a situation contrary to Article 3 (on the subject of individual assurances, see Tarakhel, cited above, § 120).”

5.1

Eisers hebben, naar het oordeel van de rechtbank, aannemelijk gemaakt dat verwijdering van eiseres 1 uit Nederland een reëel en bewezen risico zal inhouden op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiseres 1. Daarmee ligt het, gelet op overweging 187 van het arrest Paposhvili, op de weg van verweerder om de opgeworpen twijfels over een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM weg te nemen. In het rapport van de deskundige is beschreven dat eiseres 1 bij verwijdering naar haar land van herkomst vanwege het gedwongen verlies van de behandelrelatie, en haar opgebouwde kring van vrienden en werk, in een medische noodsituatie gaat verkeren, omdat zij eenvoudigweg niet het vermogen heeft daarop adequaat, relatief adequaat of aangepast te reageren of te anticiperen, door de combinatie van de gegeven stoornissen. De deskundige acht die behandelrelatie en de grote betekenis ervan, niet vervangbaar, zeker ook tegen de achtergrond dat betrokkene in Rusland met psychiaters diverse, teleurstellende ervaringen heeft opgedaan en zij weinig vertrouwen heeft in de kwaliteit van de zorg op dit gebied in Rusland. Verweerder heeft de conclusie van de medisch deskundige dat de behandelrelatie niet vervangbaar is weliswaar weersproken, maar niet onderbouwd door middel van medische stukken. Daarmee volstaat het standpunt van verweerder, dat door het stellen van de reisvoorwaarden en fysieke overdracht aan een medisch deskundige in Moskou een medische noodtoestand wordt voorkomen, naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit overweging 189 volgt immers dat niet alleen op individuele basis moet worden bekeken of een behandeling feitelijk toegankelijk is, hetgeen door eisers niet wordt betwist, maar ook of deze ‘sufficient and appropriate’ (toereikend en geschikt/adequaat) is. Nu er reële twijfels bestaan over de mogelijkheid van een behandeling in het land van herkomst, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Dit gelet op de eisen die het arrest Paposhvili daaraan stelt. Daarbij wijst de rechtbank er nadrukkelijk op dat het oordeel van het BMA, niet zijnde een psychiater, in tegenspraak is met het oordeel van de medisch deskundige, de contra-expert en de behandelaars van eiseres 1, allen psychiaters.

6. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het bestreden besluit kan geen stand houden wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 7:12 Awb). Het besluit wordt vernietigd. Gelet op de aard van de gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen dan wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De grond dat sprake is van strijd met artikel 2 EVRM behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

7. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.732,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de schriftelijke zienswijzen op het deskundigenrapport en het arrest Paposhvili, 1,5 punten voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 495,-, wegingsfactor 1).

8. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 495,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

12. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op € 168,- te betalen aan eisers als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.732,50 te betalen aan eisers.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op € 168,- te betalen aan eisers als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 495,- te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.