ECLI:NL:RBGEL:2017:2758 Rechtbank Gelderland , 18-05-2017 / 05/841170-16

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/841170-16

Datum uitspraak : 18 mei 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen


[verdachte]
,

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

Raadsman: mr. I. Vreeken, advocaat in Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 mei 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 november 2016 te Hengelo (Gld), gemeente Bronckhorst, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of gebroken oogkas(sen) en/of (nog onbekend) neurologisch letsel, heeft toegebracht door één of meerdere malen (met kracht) in/tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] te stompen en/of slaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 29 november 2016 te Hengelo (Gld), gemeente Bronckhorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meerdere malen (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 29 november 2016 te Hengelo (Gld), gemeente Bronckhorst, [slachtoffer] heeft mishandeld door één of meerdere malen (met kracht) in/tegen het gezicht en/of het hoofd van deze [slachtoffer] te stompen en/of te slaan;

2.

hij op of omstreeks 29 november 2016 te Hengelo (Gld), gemeente Bronckhorst, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair tenlastegelegde feit. Zij heeft in dat kader gewezen op de aangifte van [slachtoffer] , de getuigenverklaring van [getuige] en de bekennende verklaring van verdachte. Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat er een operatie nodig was om de neus van [slachtoffer] te herstellen. Om die reden is er naar het oordeel van de officier van justitie sprake van zwaar lichamelijk letsel. Nu [slachtoffer] geen kant op kon toen verdachte met zijn vuisten meerdere mokerslagen uitdeelde, heeft verdachte volgens de officier van justitie tenminste voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gehad.

Onder verwijzing naar de aangifte van [slachtoffer] , de foto’s van haar auto en telefoon en de bekennende verklaring van verdachte stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het onder 2 tenlastegelegde feit eveneens wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, omdat uit het dossier niet blijkt dat het letsel blijvend is. Uit het dossier blijkt evenmin dat het herstel ervan meer dan zes weken heeft geduurd. De raadsman heeft dan ook bepleit dat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Volgens de raadsman kan er wel een veroordeling volgen voor het onder 1 meer subsidiair of subsidiair tenlastegelegde feit. Dat geldt eveneens voor het onder 2 tenlastegelegde feit.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Vast staat dat verdachte op 29 november 2016 in Hengelo, gemeente Brockhorst, [slachtoffer] meerdere malen in dan wel tegen het gezicht en hoofd heeft gestompt dan wel geslagen en dat als gevolg van het geweld de neus van [slachtoffer] is gebroken.

De rechtbank baseert zich daarbij op:

- de aangifte van [slachtoffer] ;2

- de bekennende verklaring van verdachte.3

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of het door verdachte toegepaste geweld is te kwalificeren als een (poging tot) zware mishandeling of een eenvoudige mishandeling.

In het dossier zijn geen bewijsmiddelen opgenomen waaruit blijkt dat de oogkassen van [slachtoffer] zijn gebroken of dat sprake is van neurologisch letsel als gevolg van het geweld. Verdachte zal daarom van deze onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Wel staat vast dat de neus van [slachtoffer] is gebroken.

Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een gebroken neus niet zonder meer worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Dat is afhankelijk van de aard van de breuk, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Over de aard van de breuk is niet meer bekend dan dat er een communitieve fractuur is met dislocatie van de fractuurdelen. Op 7 december 2016, dus 8 dagen na het voorval, heeft een operatie aan de neus plaatsgevonden om de neus recht te zetten en een week later, op 14 december 2016, is het beschermende kapje van de neus verwijderd. Verder volgt uit het schadeonderbouwingsformulier dat de neus weer volledig is hersteld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het letsel juridisch niet als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken. Verdachte zal dan ook van het onder 1 primair tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit, de poging zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, overweegt de rechtbank dat [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte met zijn ene vuist echt hard sloeg en zij geen kans had om zich hiertegen te verdedigen, omdat zij in de gordel vastzat en hij haar met de andere hand bij de haren vasthield.4 Volgens getuige [getuige] ging het slaan van verdachte hard en met kracht. Het waren echt mokerslagen met zijn vuisten.5 Verdachte heeft verklaard dat hij denkt [slachtoffer] hard geslagen te hebben, omdat hij in zijn tienerjaren op boksen zat en toen al werd teruggefloten vanwege het erg harde slaan.6

Op grond van deze verklaringen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er door verdachte met veel kracht is gestompt dan wel geslagen, terwijl [slachtoffer] geen kant op kon. Wanneer iemand met kracht met een vuist meerdere malen in dan wel tegen het gezicht en hoofd stompt dan wel slaat dan is de kans dat die ander ten gevolge van het slaan dan wel stompen zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk te noemen. De rechtbank acht dit een feit van algemene bekendheid: iedereen weet dat en verdachte wist dat dus ook. Door met die wetenschap toch met zoveel kracht in dan wel tegen het gezicht en hoofd te stompen dan wel te slaan, terwijl hij [slachtoffer] met één hand bij haar haren vasthield en [slachtoffer] vastzat in haar autogordel en zij dus geen kant op kon, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank acht daarom het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit bewezen.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 1-3;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 61-64;

- de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 4 mei 2017.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiair

hij op of omstreeks 29 november 2016 te Hengelo (Gld), gemeente Bronckhorst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen één of meerdere malen (met kracht) in/tegen het gezicht en/of hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 29 november 2016 te Hengelo (Gld), gemeente Bronckhorst, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meerdere malen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en het verrichten van 150 uren werkstraf, te vervangen door 75 dagen hechtenis.

Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten volgens de officier van justitie de voorwaarden worden gekoppeld, zoals de Reclassering Nederland die voorstelt in haar adviesrapport van 24 april 2017, te weten: een meldplicht bij de Reclassering Nederland, een ambulante behandeling bij GGNet of een soortgelijke instelling en begeleiding voor verschillende delict gerelateerde (probleem)leefgebieden door nader te bepalen instanties, zoals Lindenhout en ZorgPlus.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat er geen gevangenisstraf moet worden opgelegd die langer is dan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De raadsman heeft als omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden bij de op te leggen straf genoemd dat verdachte al veel uren heeft gestoken in hulpverlening en dat verdachte daarmee wil doorgaan, dat verdachte de omgang met zijn kinderen is ontnomen in de eerste periode en dat verdachte zijn woning en werk is kwijtgeraakt. Verder refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling. Hij is [slachtoffer] , zijn ex-partner en tevens moeder van zijn twee kinderen, tegemoet gereden. Toen zij elkaar troffen, heeft hij eerst de linker portierruit van de auto van [slachtoffer] kapot geslagen om vervolgens meerdere harde klappen aan haar uit te delen. [slachtoffer] kon daarbij geen kant op, omdat zij in de gordel vastzat en door verdachte bij de haren werd vastgehouden. Het is geluk te noemen dat zij nog de kracht vond om op de claxon te drukken, waarna een omstander kwam aangelopen die verdachte aansprak op zijn gedrag en verdachte toen stopte met slaan. Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft [slachtoffer] flink pijn gedaan, zelfs een gebroken neus geslagen. [slachtoffer] is door het gebeuren angstig geworden, zoals ook blijkt uit de door haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Dat geldt ook voor het vernielen en beschadigen van de telefoon respectievelijk auto van [slachtoffer] . Vernieling en beschadiging leiden tot schade en overlast voor de rechthebbende.

In het voordeel van verdachte weegt mee dat hij niet eerder vanwege een geweldsdelict is veroordeeld en dat hij hulp heeft gezocht.

De reclassering heeft op 24 april 2017 een rapport over verdachte opgesteld. Uit dit rapport blijkt dat verdachte op sommige momenten moeite heeft om emoties en frustraties adequaat te reguleren. Zolang hij hier moeite mee heeft en zijn leefsituatie onstabiel en onrustig blijft, acht de reclassering de kans op recidive niet uitgesloten. Om die reden adviseert de reclassering om in ieder geval een voorwaardelijke gevangenis op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de Reclassering Nederland, een ambulante behandeling bij GGNet of een soortgelijke instelling en begeleiding voor verschillende delict gerelateerde (probleem)leefgebieden door nader te bepalen instanties zoals Lindenhout en ZorgPlus.

De rechtbank neemt dit advies over en acht, gelet op de aard en de ernst van het feit, een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse werkstraf geboden. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie een passend strafvoorstel heeft gedaan, zodat zij dit zal overnemen. De rechtbank acht weliswaar een minder ernstig feit bewezen dan de officier van justitie, maar nu de rechtbank om recidive te voorkomen een stevige ‘stok achter de deur’ nodig vindt, zal zij dezelfde straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist.

7a. De beoordeling van de civiele vordering en de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Zij heeft een bedrag van € 4.265,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 november 2016, gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit immateriële schade van € 2.000,00 en bestaat voor het overige deel uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij tot betaling van de materiële schade van € 2.265,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 32 dagen hechtenis. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. Het lijkt de officier van justitie zelf redelijk om hiervoor een bedrag van € 1.500,00 toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen. Hij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde immateriële schade.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft als gevolg van de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten schade geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Over de verschillende onderdelen van de schade overweegt de rechtbank als volgt.

Materiële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank zal de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2017, te weten de datum van de vordering, toewijzen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat [slachtoffer] als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht een bedrag van € 1.500,00 redelijk en zal dit vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2016 toewijzen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van de benadeelde partij, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 47 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten, zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat verdachte:

Meldplicht

- zich binnen vijf dagen na het vonnis meldt bij Reclassering Nederland. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

Behandeling

- zich zal laten behandelen bij GGNet of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling / behandelaar zullen worden gegeven;

- meewerkt aan diagnostisch (psychologisch) onderzoek;

- zich zal laten begeleiden op de delict gerelateerde (probleem)leefgebieden, genoemd in het reclasseringsadvies van 24 april 2017, door nader door de Reclassering Nederland te bepalen instanties, zoals Lindenhout en ZorgPlus.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderd en vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis;

beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de

werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in

mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht

2 uur in mindering wordt gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een totaalbedrag van € 3.765,00 (zegge: drieduizendzevenhonderdenvijfenzestig euro), waarbij de materiële schade van € 2.265,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2017 en de immateriële schade van € 1.500,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2016, tot aan de dag van volledige voldoening;

 legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] voornoemd totaalbedrag van € 3.765,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 47 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de

betalingsverplichting niet opheft, waarbij de materiële schade van € 2.265,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2017 en de immateriële schade van € 1.500,00 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 november 2016;

 bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan

de benadeelde partij [slachtoffer] vervalt en omgekeerd;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, mr. M.P. Bos en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.R. Mulder, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 mei 2017.

Voetnoten

1
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost- Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL0600-2016584893, gesloten op 4 december 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen

verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 1-3.
3
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 4 mei 2017.
4
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 1-3.
5
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 31-33.
6
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 65-68.