ECLI:NL:RBGEL:2017:2868 Rechtbank Gelderland , 16-05-2017 / 05/840283-16

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840283-16

Datum uitspraak : 16 mei 2017

Verstek

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen


[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1993, in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 mei 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Apeldoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in/uit een winkel heeft weggenomen een broodje/croissant, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Apeldoorn, één of meerdere ambtenaar/ambetnaren, [slachtoffer 2] (politiefunctionaris) en/of [slachtoffer 3] (politiefunctionaris), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten het insluiten van een aangehouden verdachte, heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] éénmaal of meerdere malen, met kracht, met de vuist(en) in het gezicht, althans tegen het

hoofd te slaan en/of te stompen;

3.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Apeldoorn, opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 2] (politiefunctionaris), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (te weten het insluiten van een aangehouden verdachte), in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem éénmaal of meerdere malen, de woorden toe te voegen: "Kurwa Mac" (je moeder is een hoer), althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe gewezen op de aangifte namens [slachtoffer] en de verklaring van verdachte. Verdachte heeft het croissantje in de winkel van [slachtoffer] opgegeten. Het croissantje was daarmee uit de invloedsfeer van de winkel. Verdachte zegt dat hij het croissantje wilde betalen, maar dat is ongeloofwaardig. Daarnaast bleek verdachte niet in staat om het croissantje te betalen.

De beoordeling door de rechtbank

Niet ter discussie staat dat verdachte een croissant heeft opgegeten in een winkel van [slachtoffer] , terwijl hij nog niet voor die croissant had betaald. Door de croissant op te eten heeft hij de croissant, die toebehoorde aan [slachtoffer] , weggenomen. Hij heeft de croissant immers aan de feitelijke heerschappij van de [slachtoffer] onttrokken. Om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen, moet echter worden bewezen dat verdachte op het moment dat hij de croissant wegnam, het oogmerk had op wederechtelijke toe-eigening daarvan. Met andere woorden moet verdachte op dat moment van plan zijn geweest de croissant op te eten, zonder daarvoor bij de kassa te betalen.

Verdachte heeft verklaard dat hij twee croissants in een zakje heeft gedaan en de derde croissant heeft opgegeten omdat het zo lekker rook. Toen hij werd aangesproken door een winkelmedewerker, heeft hij aangegeven dat hij de drie croissants later zou afrekenen. Bij de kassa zou hij zeggen dat hij er één al opgegeten had. Verdachte heeft verder verklaard dat hij de intentie had om de opgegeten croissant te betalen, maar dat zijn betaalpas niet werkte. Verdachte dacht dat er geld op zijn rekening stond, maar dat bleek niet het geval. Dit was voor hem een verrassing.

[Aangever] heeft verklaard dat hij verdachte één van de drie croissants in de winkel zag opeten. [Aangever] is met verdachte meegelopen naar de kassa om hem de kans te geven voor de croissant te betalen. Verdachte heeft twee keer tevergeefs geprobeerd te betalen met zijn bankpas.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte de croissant in de winkel, in het zicht, heeft opgegeten. Hij heeft daarnaast verklaard dat hij de intentie had om voor de croissant te betalen en dat hem bij de kassa bleek dat hij onvoldoende saldo had. Op basis hiervan kan niet zonder meer worden aangenomen dat verdachte op het moment dat hij de croissant opat, het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening daarvan. Nu het dossier geen verdere aanknopingspunten biedt om te kunnen vaststellen dat verdachte op het moment van wegnemen van de croissant niet van plan was daarvoor te betalen, kan niet worden bewezen dat verdachte en ten laste gelegde heeft begaan. De omstandigheid dat verdachte bij de kassa over onvoldoende saldo bleek te beschikken, is daartoe onvoldoende. In dat opzicht bestaat er immers geen verschil tussen de opgegeten croissant en de croissants die verdachte in het zakje had gestopt. Verdachte zal daarom ten aanzien van feit 1 worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2
1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 11 maart 2016 heeft verdachte [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) met de vuist in het gezicht geslagen.2 [slachtoffer 2] voelde daardoor pijn bij de linkerzijde van zijn lip.3Door de klap heeft [slachtoffer 2] een dikke gezwollen lip en een bloeding aan de binnenkant van zijn lip opgelopen.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft mishandeld. [slachtoffer 2] is een verbalisant, maar niet kan worden bewezen dat hij in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. Hij heeft een geweldshandeling toegepast bij verdachte, terwijl daarvoor geen grond was. Daarom kan het strafverzwarende bestanddeel, te weten dat de mishandeling was gericht op een politiefunctionaris in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet worden bewezen. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte verbalisant [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) heeft mishandeld. De verklaring van [slachtoffer 3] vindt geen steun in andere bewijsmiddelen. Daarom is niet voldaan aan het bewijsminimum.

De beoordeling door de rechtbank


[slachtoffer 3]

Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij verbalisant [slachtoffer 3] in het gezicht heeft geslagen. [slachtoffer 3] heeft daar aangifte van gedaan. Deze aangifte vindt echter geen steun in andere bewijsmiddelen in het dossier. Zowel verdachte als [slachtoffer 2] hebben hierover niet verklaard en andere bewijsmiddelen ontbreken in het dossier. Ook het proces-verbaal uitkijken videobeelden dat zich in het dossier bevindt houdt niet in dat op de videobeelden die in de intakeruimte zijn gemaakt is te zien dat verdachte [slachtoffer 3] in het gezicht heeft geslagen. De rechtbank is er daarom onvoldoende van overtuigd dat door verdachte is geslagen zoals door [slachtoffer 3] in de aangifte is beschreven. Verdachte zal ten aanzien van dit deel van de ten laste legging worden vrijgesproken.


[slachtoffer 2]

Dat verdachte [slachtoffer 2] in het gezicht heeft geslagen staat niet ter discussie.

De rechtbank moet, gelet op de inhoud van de tenlastelegging, echter ook beoordelen of [slachtoffer 2] in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij de insluitingsfouillering is geslagen. Hij stelt dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen om zichzelf te verdedigen.

Uit het dossier volgt het volgende.Op 11 maart 2016 was [slachtoffer 2] werkzaam als arrestantenverzorger in [plaats] . Verdachte werd die dag binnengebracht in de intakeruimte zodat een insluitingsfouillering kon worden uitgevoerd. In de ruimte waren naast [slachtoffer 2] nog drie andere verbalisanten aanwezig. De camerabeelden die in de intakeruimte zijn gemaakt, zijn uitgekeken. Beschreven is dat op de beelden is te zien dat [slachtoffer 2] met zijn rechterhand een korte felle beweging tegen het achterhoofd van verdachte maakte en dat het hoofd/het lichaam van verdachte naar voren ging.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte zich provocerend opstelde door opvallend traag zijn spullen in een bak te deponeren. Omdat verdachte geen gehoor gaf aan het verzoek om zijn vest uit te doen, heeft [slachtoffer 2] geprobeerd het vest uit te trekken. Terwijl hij dat deed, hoorde hij verdachte de woorden ‘Kurwa Mac’ zeggen. Verdachte keek [slachtoffer 2] hierbij aan. [slachtoffer 2] vatte deze woorden op als ‘Je moeder is een hoer’. [slachtoffer 2] heeft vervolgens met wijd geopende rechterhand het gezicht van verdachte weggeduwd. Naar eigen zeggen is deze reactie bij [slachtoffer 2] ontstaan uit het feit dat zijn moeder is overleden. [slachtoffer 2] heeft verklaard het gezicht van verdachte uit emotie te hebben weggeduwd.

[slachtoffer 2] is werkzaam als verbalisant. Juist van een verbalisant mag worden verwacht dat hij een passende, proportionele, reactie geeft op gedragingen van verdachte. Dat [slachtoffer 2] zich, door zijn eigen interpretatie van de door verdachte gebezigde woorden, beledigd voelde, maakt in de hiervoor geschetste situatie niet zonder meer dat hij de hiervoor beschreven geweldshandeling mocht toepassen bij verdachte. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat [slachtoffer 2] ten tijde van het ten laste gelegde niet alleen was, maar werd versterkt door drie collega’s en dat verdachte op dat moment geen geweld had toegepast. De rechtbank is aldus van oordeel dat het gedrag van verdachte bij de insluitingsfouillering geen grond was voor [slachtoffer 2] om met zijn hand een korte felle beweging tegen het achterhoofd van verdachte te maken. Dit maakt dat sprake is van disproportioneel geweld. [slachtoffer 2] was daarom op het moment dat verdachte hem sloeg, niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Verdachte zal ten aanzien van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Voor zover de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij [slachtoffer 2] heeft geslagen om zich te verdedigen, moet worden gezien als een beroep op noodweer, overweegt de rechtbank als volgt. Een beroep op de strafuitsluitingsgrond noodweer kan slechts dan worden gedaan als op het moment van het handelen van verdachte nog sprake was van ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Wanneer de aanranding is geëindigd, is een beroep op noodweer niet (meer) mogelijk. Uit het dossier volgt dat verdachte zich heeft omgedraaid en met een gebalde vuist heeft uitgehaald in de richting van [slachtoffer 2] , nadat [slachtoffer 2] een korte felle beweging tegen het achterhoofd van verdachte had gemaakt. Op het moment dat verdachte zich omdraaide en uithaalde was de handeling van [slachtoffer 2] al gestopt. Daarom was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding geen sprake op het moment dat verdachte [slachtoffer 2] sloeg. Van een noodweersituatie is dan ook geen sprake.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] met de vuist in het gezicht heeft geslagen. [slachtoffer 2] heeft hierdoor pijn en letsel ondervonden.

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Anders dan [slachtoffer 2] heeft aangenomen, betekenen de woorden ‘Kurwa Mac’ niet ‘Je moeder is een hoer’. Omdat deze woorden wat anders inhouden dan [slachtoffer 2] dacht, kan hij niet door deze woorden zijn beledigd.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van belediging. Hij heeft verklaard dat verdachte de woorden ‘Kurwa Mac’ heeft gebezigd en dat hem ambtshalve bekend is dat dit ‘Je moeder is een hoer’ betekent. Uit het dossier volgt echter niet op welke manier dit [slachtoffer 2] bekend is.

Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij wel zoiets als ‘Kurwa Mac’ heeft gezegd, maar dat deze woorden een andere betekenis hebben dan ‘Je moeder is een hoer’. Ter terechtzitting is een tolk in de Poolse taal als deskundige beëdigd. Zij heeft verklaard dat ‘Kurwa Mac’ niet ‘Je moeder is een hoer’ betekent, maar een soort vloekwoord is dat zoiets betekent als ‘gatverdamme’.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de door verdachte gebruikte woorden in het Nederlands kunnen worden vertaald naar ‘Je moeder is een hoer’. Nu de woorden een andere betekenis hebben dan [slachtoffer 2] meende, kan niet worden bewezen dat [slachtoffer 2] door de door verdachte gebruikte woorden is beledigd. Verdachte zal ten aanzien van feit 3 worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij op of omstreeks 11 maart 2016 te [plaats] , één of meerdere ambtenaar/ambtenaren, [slachtoffer 2] (politiefunctionaris) en/of [slachtoffer 3] (politiefunctionaris), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten het insluiten van een aangehouden verdachte, heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] éénmaal of meerdere malen, met kracht, met de vuist(en) in het gezicht, althans tegen het

hoofd te slaan en/of te stompen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 dagen, met aftrek. Dit betekent dat de geëiste hoeveelheid dagen gevangenisstraf gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van de eis rekening gehouden met het feit dat verdachte in korte tijd voor veel strafbare feiten is veroordeeld en het feit dat verdachte zich bij de politie vervelend heeft gedragen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 maart 2017; en

- een beknopt reclasseringsadvies zonder diagnose-instrument van het Leger des Heils, gedateerd 25 april 2016 (retourzending).

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft [slachtoffer 2] met gebalde vuist in het gezicht geslagen. [slachtoffer 2] heeft daardoor pijn en letsel aan zijn lip ondervonden.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het oriëntatiepunt voor mishandeling met enig letsel als gevolg is een geldboete van € 750,--. De rechtbank houdt echter ook rekening met de justitiële documentatie van verdachte. Verdachte is eerder ten aanzien van mishandeling veroordeeld. Aan verdachte is toen een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Ten tijde van het ten laste gelegde liep verdachte nog in de proeftijd. Het feit dat sprake is van recidive, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een hogere straf dan het hiervoor genoemde oriëntatiepunt. Daarnaast heeft de eerder opgelegde deels voorwaardelijke gevangenisstraf verdachte er (kennelijk) niet van weerhouden om opnieuw in de fout te gaan. De rechtbank acht daarom een andere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf niet aan de orde. Een geldboete van € 750,-- is omgerekend 15 dagen gevangenisstraf. Verdachte heeft 18 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank acht dit, rekening houdend met de hiervoor genoemde recidive, een passende straf. Zij zal verdachte daarom veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 dagen. De tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht.

De officier van justitie heeft ten aanzien van 2 feiten een gevangenisstraf van 18 dagen geëist. De rechtbank legt deze straf voor één feit op. Zij ziet in het voorgaande reden om te komen tot een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 330,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Ook heeft benadeelde partij [slachtoffer 3] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 330,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van [slachtoffer 2] moet worden gematigd tot een bedrag van € 150,--, nu [slachtoffer 2] niet handelde in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en daarom sprake is van een eenvoudige mishandeling. Ook moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Nu de officier van justitie vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 3] , moet [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De beoordeling door de rechtbank


[slachtoffer 2]

Benadeelde partij [slachtoffer 2] zal niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering. [slachtoffer 2] heeft als eerste een geweldshandeling toegepast en handelde daardoor niet in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. Naar het oordeel van de rechtbank is onduidelijk of (en in hoeverre) de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Het onderzoek dat nodig is voor beantwoording van die vraag, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.


[slachtoffer 3]

Benadeelde partij [slachtoffer 3] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu verdachte is vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer 3] . De benadeelde partij kan zijn vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) dagen;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

 De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

 De rechtbank verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors (voorzitter), mr. T. Bertens en mr. W.J. Koops, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 mei 2017.

mr. W.J. Koops is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, [dossiernummer] , gesloten op 28 maart 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 27 en proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 19 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 48.
3
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 27.
4
Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 27.