ECLI:NL:RBGEL:2017:3087 Rechtbank Gelderland , 17-05-2017 / 307397

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/307397 / HA ZA 16-429

Vonnis van 17 mei 2017

in de zaak van

vennootschap naar buitenlands recht ONTAD GIDA INSAAT SAN. VE LTD.STI,

gevestigd te Izmir, Turkije,

eiseres,

advocaat mr. P. Celikkal te 's-Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLIVA B.V.,

gevestigd te Millingen aan de Rijn,

gedaagde,

advocaat mr. W. van de Velde te Rhenen.

Partijen zullen hierna Ontad en Oliva worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

het tussenvonnis van 26 oktober 2016

-

het verkort proces-verbaal van comparitie van 4 april 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Ontad produceert en exploiteert mediterrane voedingsmiddelen, waaronder ‘theesticks’ in verschillende aromatische smaken. De heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) is aandeelhouder en bestuurder van Ontad.

2.2.

Oliva exploiteert een handel in onder meer mediterrane producten. De heer [persoon B] (hierna: [persoon B] ) is enig aandeelhouder en bestuurder van Oliva.

2.3.

Op 13 augustus 2014 heeft Oliva een bedrag van € 28.000,00 voldaan op de bankrekening van Ontad onder vermelding van ‘machine’.

2.4.

Bij factuur van 28 augustus 2014 heeft Ontad € 88.298,76 bij Oliva in rekening gebracht onder vermelding van ‘verpakkingsmateriaal’.

2.5.

Bij factuur van 4 september 2014 heeft Ontad € 81.564,36 bij Oliva in rekening gebracht onder vermelding van ‘machines’.

2.6.

Bij akte van 27 november 2014 is de besloten vennootschap [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ) opgericht. Mevrouw [persoon C] , de echtgenote van [persoon B] , is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf A] .

2.7.

Bij e-mailberichten van 21 juli 2015 en 6 augustus 2015 heeft [persoon A] namens Ontad aan Oliva verzocht om het probleem van de openstaande facturen op te lossen.

2.8.

In januari 2016 heeft [persoon B] de domeinnaam ‘www. [bedrijf A] .com’ gekocht.

2.9.

Bij e-mailbericht van 9 maart 2016 heeft [persoon A] het verzoek tot oplossing van het probleem aan Oliva herhaald.

2.10.

Op 21 oktober 2016 heeft mevrouw [persoon D] schriftelijk het volgende verklaard:

Hierbij verklaar ik dat de heer H.B.N. [persoon B] namens mij, Mevrouw [persoon D] , heeft gehandeld in Turkije. Ik heb hem gevraagd om me te helpen met de aanschaf van een thee machine. Hij heeft met mijn goedkeuring gehandeld.

Deze verklaring is ondertekend door [persoon D] en [persoon B] .

3 De vordering

3.1.

Ontad vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Oliva zal veroordelen tot betaling van € 141.863,12 ter zake van de onbetaald gelaten facturen, te vermeerderen met de wettelijke rente naar Turks recht van 12,75 % per jaar, althans te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, vanaf de data dat Oliva in verzuim is de facturen van 28 augustus 2014 en 4 september 2014 te betalen, alsmede tot betaling van € 2.193,63 ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van Oliva in de proceskosten.

3.2.

Ontad legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in 2014 een mondelinge handelsovereenkomst met Oliva heeft gesloten, waarbij zij aan Oliva machines en verpakkingsmateriaal ten behoeve van het produceren van theesticks heeft verkocht en geleverd. In verband daarmee heeft zij aan Oliva de facturen van 28 augustus 2014 en

4 september 2014 van in totaal € 169.863,12 gezonden. Oliva heeft slechts een bedrag van € 28.000,00 aanbetaald en heeft de facturen voor het overige, ondanks aanmaning, onbetaald gelaten, zodat zij thans € 141.863,12 van Oliva te vorderen heeft, aldus Ontad.

3.3.

Oliva voert gemotiveerd verweer. Zij betwist dat zij een overeenkomst met Ontad heeft gesloten. Zij voert aan dat [persoon B] door zakelijke kennissen, de heren [persoon E] en [persoon F] , erop is geattendeerd dat een bedrijf van een familielid van hen, [persoon A] , dat beschikte over machines voor het vervaardigen van verpakkingsmaterialen voor thee, in financieel zwaar weer was terechtgekomen. Deze machines waren mogelijk bruikbaar voor de door de echtgenote van [persoon B] op te richten vennootschap [bedrijf A] . [persoon B] is daarom in 2014, als gevolmachtigde van de nog op te richten vennootschap [bedrijf A] , samen met [persoon E] naar Turkije gereisd om te onderzoeken of de machines en de bijbehorende materialen bruikbaar waren en eventueel konden worden aangekocht. Volgens Oliva is afgesproken dat de machines en de bijbehorende materialen voor in totaal € 28.000,00 in eigendom zouden worden overgedragen aan [bedrijf A] . Het bedrag van € 28.000,00 is door Oliva aan Ontad voldaan, uit hoofde van een geldlening tussen Oliva en [bedrijf A] , en in oktober 2014 zijn de machines en bijbehorende materialen in ontvangst genomen. Oliva betwist dat Ontad heeft aangemaand tot betaling. [persoon A] heeft in zijn e-mailberichten slechts gemeld dat hij tot een oplossing wil komen. Oliva stelt dat op de e-mailberichten van [persoon A] namens haar door [persoon F] is gereageerd en dat daarbij is meegedeeld dat Oliva het niet eens is met de door Ontad aan haar verzonden facturen. Oliva stelt voorts dat de door Ontad geleverde machines niet bruikbaar zijn en door de hoge reparatiekosten niet werkbaar te maken zijn. [bedrijf A] heeft hierdoor geen theesticks kunnen produceren en heeft niets aan de geleverde zaken gehad.

3.4.

Hierna zal op de stellingen van partijen, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 4 van de EEX-verordening bis (Verordening (EU) nr. 1215/2012) is de Nederlandse rechter bevoegd, nu Oliva in Nederland is gevestigd. Dat Turkije geen partij is bij de EEX-verordening bis, doet daaraan niet af, nu de woonplaats van de verweerder bepalend is en niet die van de eiser.

4.2.

Tussen partijen is in geschil wie de wederpartij van Ontad is bij de overeenkomst en wat de inhoud is van de overeenkomst.

4.3.

Oliva stelt dat [persoon B] als gevolmachtigde van [bedrijf A] . in oprichting heeft gehandeld, zodat niet zij maar [bedrijf A] partij is bij de overeenkomst met Ontad. Ontad heeft dat weersproken.

4.4.

Op vertegenwoordiging is het recht van toepassing dat wordt bepaald door het op 14 maart 1978 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging (hierna: Haags Vertegenwoordigingsverdrag) (zie artikel 10:125 BW). Ingevolge artikel 11 en artikel 15 van dat verdrag wordt zowel de verhouding tussen de vertegenwoordigde en de derde als de verhouding tussen de vertegenwoordiger en de derde beheerst door het recht van de staat waar de vertegenwoordiger heeft gehandeld, indien de derde zijn kantoor in die staat heeft.

[persoon B] heeft gehandeld in Turkije, zodat op grond van artikel 11 sub b. van het Haags Vertegenwoordigingsverdrag het Turkse recht van toepassing is op het oordeel of [persoon B] al dan niet als gevolmachtigde heeft gehandeld voor [bedrijf A] dan wel voor Oliva.

4.5.

Partijen hebben zich nog niet uitgelaten over de wijze waarop naar het Turkse recht moet worden beoordeeld voor wie [persoon B] geacht moet worden als vertegenwoordiger te hebben opgetreden. De rechtbank zal hen daartoe nog in de gelegenheid stellen.

4.6.

Indien op grond van het Turkse recht mocht blijken dat [persoon B] als gevolmachtigde van Oliva heeft gehandeld, zal moeten komen vast te staan wat de inhoud is van de overeenkomst.

4.7.

Nu het gaat om een koopovereenkomst van roerende zaken en zowel Turkije als Nederland partij zijn bij het Weens Koopverdrag, is hetgeen in dat verdrag is bepaald van toepassing op de overeenkomst. Op grond van artikel 23 van het Weens Koopverdrag komt een overeenkomst tot stand op het tijdstip waarop een aanvaarding van een aanbod van kracht wordt in overeenstemming met het bepaalde in het verdrag. Vastgesteld zal moeten worden welk aanbod van Ontad door [persoon B] is aanvaard. Nu Ontad zich beroept op het rechtsgevolg van haar stelling dat zij de machines en het verpakkingsmateriaal te koop heeft aangeboden voor € 169.863,12 en [persoon B] dit aanbod heeft aanvaard, hetgeen door Oliva wordt betwist, rust op Ontad de bewijslast van die stelling. Ontad zal, indien komt vast te staan dat Oliva partij is bij de overeenkomst, tot bewijslevering daarvan worden toegelaten.

4.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 juni 2017 voor het nemen van een akte door beide partijen over hetgeen is vermeld onder 4.5.,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.