ECLI:NL:RBGEL:2017:3330 Rechtbank Gelderland , 31-05-2017 / 312181

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/312181 / HA ZA 16-611 / 357/871

Vonnis in incident van 31 mei 2017

in de zaak van

MR. CATHARINUS ADRIANUS HAGE in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam 1] en [naam 2],

kantoorhoudende te Ede (Gld),

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. I.J.G.H. Hage te Ede (Gld),

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. M.F.H. van Delft te Leusden.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding van 29 november 2016 met producties 1 tot en met 7

-

de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 5

-

de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Bij dagvaarding vordert de curator, kort gezegd, om voor recht te verklaren dat de rechtshandeling waarbij door de faillieten [eiser en eiseres] op 10 november 2015 aan (de kinderen) [gedaagden] de (blote) eigendom is geschonken van de woning in Portugal, nietig is, almede dat [gedaagden] wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het (terug)leveren van de blote eigendom van de woning, zulks op straffe van een dwangsom, dan wel dat het vonnis voor de benodigde medewerking in de plaats zal treden, een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

2.2.

[gedaagden] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart, kort gezegd omdat de woning in Portugal is gelegen zodat daarover alleen in Portugal geprocedeerd kan worden. Hage q.q. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3.

Beoordeeld dient te worden of de rechtsmacht in kwesties als de onderhavige, een zogeheten faillissementspauliana, dient te worden vastgesteld aan de hand van de (oude) EG Insolventieverordening van 29 mei 2000 (IVO), zoals de curator stelt, of aan de hand van artikel 16 van het EEX-Verdrag en de nieuwe EU Insolventieverordening van 20 mei 2015, zoals [gedaagden] stelt.

2.4.

Anders dan [gedaagden] lijkt te betogen heeft het EEX-Verdrag voor rechtsvorderingen die op of na 1 maart 2002 zijn ingesteld geen werking meer door de inwerkingtreding van de EEX-Verordening 44/2001 op die datum, welke verordening op 10 januari 2015 overigens weer is opgevolgd door de Verordening (EU) 1215/2012. Laatstgenoemde EEX-Verordening is echter evenmin van toepassing omdat de vordering van de curator, te weten vernietiging van een rechtshandeling van de faillieten, is uitgezonderd in artikel 1 lid 2 onder b. Dit artikel bepaalt immers dat de EEX-Verordening niet van toepassing is op “het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”.

2.5.

Ook de nieuwe EU Insolventieverordening, waar [gedaagden] naar verwijst, is niet van toepassing. Weliswaar is deze verordening in werking getreden op de 27ste dag na bekendmaking op 20 mei 2015, maar ingevolge artikel 92 van de EU Insolventieverorde-ning is deze eerst van toepassing op rechtsvorderingen vanaf 26 juni 2017. Onderhavige procedure is van vóór die datum zodat beoordeeld moet worden of de vordering van de curator valt onder de IVO, zoals hij betoogt.

2.6.

In artikel 3 van de IVO wordt de bevoegdheid geregeld voor het openen van een insolventieprocedure. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft in zijn arrest van 12 februari 2009 (ECLI:EU:C2009:83) voor recht verklaard dat de faillissementspauliana binnen het toepassingsgebied van artikel 3 lid 1 van de IVO valt. In punt 6 van de considerans van de IVO is opgenomen dat deze verordening op grond van het proportionaliteitsbeginsel alleen voorschriften mag behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure én de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. In het licht van deze wil van de wetgever en rekening houdend met het nuttig effect van de IVO, moet artikel 3 lid 1 van de IVO aldus worden uitgelegd dat de lidstaat op wiens grondebied de insolventieprocedure is geopend, op grond van deze bepaling eveneens internationaal bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen die rechtstreeks uit deze procedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen, aldus het Hof van Justitie.

2.7.

Het gevolg is dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt omdat de faillissementspauliana nauw samenhangt met de in Nederland geopende insolventieprocedure. Dat de woning in Portugal is gelegen, maakt het voorgaande niet anders.

2.8.

De conclusie in het incident is dan ook dat de rechtbank bevoegd is van de vordering van de curator kennis te nemen.

2.9.

Het verzoek van [gedaagden] om tussentijds hoger beroep te mogen instellen indien de rechtbank zich bevoegd acht, wordt afgewezen. Een dergelijk verzoek strekt ertoe een uitzondering te maken op het in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde uitgangspunt dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bijzondere omstandigheden die voor een uitzondering op de hoofdregel aanleiding kunnen geven, zijn gesteld noch gebleken.

2.10.

Nu de rechtbank bevoegd is om van de vordering van de curator kennis te nemen, zal de hoofdzaak naar de rol verwezen worden voor het nemen van een conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden] Daarbij wordt [gedaagden] verzocht in te gaan op het toepasselijk recht en hetgeen de curator hieromtrent reeds heeft aangevoerd in de conclusie van antwoord in het incident.

2.11.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het incident, aan de zijde van Hage q.q. tot op heden begroot op € 452,00,

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 12 juli 2017 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2017.

Coll: PM