ECLI:NL:RBGEL:2017:3449 Rechtbank Gelderland , 30-06-2017 / 5746318

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 5746318 \ AZ VERZ 17-4 \ 493 \ 588

uitspraak van 30 juni 2017

beschikking in deelgeschil

in de zaak van


[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mrs. W.A. van Veen en D. van Doorn

en

de besloten vennootschap

Draad Nijmegen B.V.

gevestigd te Nijmegen

verwerende partij

gemachtigde mrs. H. Lebbing en M. Kroondijk

Partijen worden hierna [werkneemster] en Smit Draad genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 21 februari 2017

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 9 mei 2017

- de door de gemachtigde van [werkneemster] later toegezonden productie 11

- de mondelinge behandeling van 19 mei 2017, mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [werkneemster] en de gemachtigde van Smit Draad.

2 De feiten

2.1.

Smit Draad houdt zich sinds 1991 bezig met de productie van koperwikkeldraad voor industriële toepassingen. De koperdraden worden voornamelijk toegepast in generatoren en elektrische motoren van schepen. Tijdens het productieproces worden koperdraden bewerkt tot een rechthoekige draad in allerlei maten en uitvoeringen. Deze draden worden vervolgens in lakhal gelakt, dat wil zeggen voorzien van chemicaliën die na verhitting polymeriseren tot een kunststof. Op de glasafdeling worden de gelakte draden omsponnen met glasdraad en geïmpregneerd met een laklaag.

2.2.

[werkneemster] is vanaf 11 augustus 2008 werkzaam geweest bij Smit Draad, eerst als uitzendkracht voor werkzaamheden aan de glaslijnen en vanaf 10 augustus 2009 in vaste dienst als machinevoerder glaslijnen. Dit betrof een dienstverband voor 40 uur per week.

2.3.

[werkneemster] heeft zich op 23 juli 2014 ziek gemeld voor haar werkzaamheden vanwege neus- en luchtwegklachten en neurocognitieve stoornissen. In het kader van een re-integratie traject heeft [werkneemster] tot 8 juni 2015 administratief werk verricht in aangepaste tijden. Daarna is [werkneemster] volledig uitgevallen.

2.4.

Op 16 juni 2015 heeft de (advocaat)gemachtigde van [werkneemster] Smit Draad aansprakelijk gesteld voor schade die [werkneemster] heeft opgelopen in de uitoefening van haar werkzaamheden. De schade zou volgens [werkneemster] zijn veroorzaakt door blootstelling aan verschillende (chemische) stoffen.

2.5.

De bedrijfsarts van Smit Draad heeft het Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen (hierna: NKAL) opdracht gegeven tot het uitvoeren van een blootstellingsonderzoek naar de werksituatie van [werkneemster] . Dit onderzoek is uitgevoerd door arbeidshygiënisten V. Zaat en R. Houba, longarts J. Rooijackers en bedrijfsarts- klinische arbeidsgeneeskunde E. Stigter. Op 29 september 2015 heeft een werkplekonderzoek plaatsgevonden, waarbij afgevaardigden van Smit Draad eveneens aanwezig waren.

In oktober 2015 is hieromtrent een conceptrapportage naar zowel [werkneemster] als Smit Draad gestuurd ter beoordeling. De opmerkingen van beide partijen zijn vervolgens verwerkt in de rapportage, waarna van de zijde van Smit Draad aanvullende opmerkingen zijn ontvangen, waarop NKAL in een bijlage bij het rapport een reactie heeft gegeven.

Op pagina 18 van het rapport concludeert NKAL, onder meer:

“Samenvattend laat het werkplekonderzoek zien dat er tijdens de werkzaamheden van mevrouw [werkneemster] op de glasafdeling meerdere vormen van blootstelling hebben plaatsgevonden, zowel voor de luchtwegen als huidblootstelling. De blootstelling was dagelijks en tijdens de dag frequent. Er is geen RI&E of aanvullend blootstellingsonderzoek uitgevoerd die inzicht geeft in de hoogte van de blootstelling en de gezondheidsrisico’s. Op basis van expert judgement schatten wij echter in dat de blootstelling bij enkele werkzaamheden zeer hoog is geweest, waarbij de schoonmaakwerkzaamheden als meest kritisch moeten worden beschouwd. Hoge blootstelling aan methyleenchloride tijdens schoonmaakwerkzaamheden met K13 wordt bevestigd via schattingen met de blootstellingstool ART. De gezondheidsrisico’s als gevolg van de blootstelling worden door ons als hoog gekwalificeerd. Deze risico’s zullen relevant zijn geweest voor alle werknemers op deze afdeling”.

2.6.

Rooijackers en Stigter van NKAL hebben vervolgens op 11 maart 2016 het volgende geconcludeerd:

Conclusie: jarenlange hoge en gezondheidsrelevante blootstelling aan zowel organische oplosmiddelen als verschillende luchtweg irritantia. Acute, voorbijgaande, algemene klachten die kunnen zijn veroorzaakt door blootstelling aan methyleenchloride. Onderzoek naar lange termijn effecten is nog niet verricht.

COPD Gold II met tekenen van emfyseem, roken gerelateerd en waarschijnlijk versterkt door beroepsmatige blootstelling.

Voorts is sprake van een component astma, meest passend bij een nieuw ontstaan niet-immunologisch beroepsastma.

Afgenomen belastbaarheid in werk, waarbij de mate van belastbaarheid moet worden vastgesteld na optimalisatie van de behandeling, in stabiele fase.”

2.7.

[werkneemster] heeft zelf Expertise Center Environmental Medicine (hierna: ECEMed) ingeschakeld voor een medisch onderzoek in het kader van de door haar gestelde blootstelling aan gevaarlijke stoffen. In het door ECEMed opgestelde rapport van

18 september 2015 komt ECEMed tot de volgende conclusie:

Samenvatting

Vanaf 2009 heeft mevr. [werkneemster] gezondheidsklachten, zij werkte toen een jaar bij Smit Draad. Het betreft acute klachten tijdens blootstelling op het werk en chronische klachten. Bij de laatsten staan de longklachten op de voorgrond met daarnaast neurocognitieve klachten en een algehele verslechtering van haar conditie.

Conclusie

1. Emfyseem, COPD Gold II, relatie met roken en werkgerelateerd (beroepsastma)

2. Neurocognitieve stoornissen, werkgerelateerd (chronische toxische encefalopathie, CTE)”.

2.8.

De Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(hierna te noemen: Inspectie) heeft meerdere inspecties uitgevoerd bij Smit Draad. In een brief van 16 oktober 2015 aan Smit Draad heeft de Inspectie geschreven dat zij heeft geconstateerd dat Smit Draad een aantal artikelen van het Arbeidsomstandighedenbesluit overtreedt, waarvoor waarschuwingen worden gegeven. In de bij die brief gevoegde “kennisgeving van de voorgenomen eisen” heeft de Inspectie de eisen geformuleerd waaraan Smit Draad (binnen een daarbij gestelde periode) moet voldoen. In de brief heeft de Inspectie ten aanzien van het geïnspecteerde onderdeel “Blootstelling Gevaarlijke Stoffen”, onder meer het volgende geschreven:

a. Inventarisatie van de aanwezige stoffen en hun grenswaarden.

(…)

2.2.

Tijdens het eerste inspectiebezoek op 4 augustus is geconstateerd dat er werd gewerkt met kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische stoffen (CMR stoffen). Op dit moment waren de CMR stoffen niet als zodanig geïnventariseerd. Inmiddels is deze inventarisatie wel uitgevoerd en zijn weergegeven op een excellbestand (ReportCmrProductsExport). Uit het verstrekte overzicht van de aanwezige CMR stoffen blijkt dat er 15 producten aanwezig zijn die geclassificeerd zijn als CMR stof.

Naast het beoordelen van de blootstelling gelden voor deze stoffen aanvullende registratieverplichtingen.

Er is nog geen invulling gegeven aan de nadere inventarisatieverplichting voor de aanwezige kankerverwekkende, mutagene en voor de voortplanting vergiftige stoffen in het kader van de RI&E.

Dit is een overtreding van artikel 4.2a en 4.13 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

>Dit is de waarschuwing die u voor deze overtreding krijgt.

b. beoordeling van de blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

‘Uit de inspectie bleek dat de volgende blootstellingsrapporten opgesteld waren:

2009 Werkplekonderzoek Isocyanaten en VOS

2011 Briefrapport onderzoek VOS en Isocyanaten

2012 Aanvulling briefrapport ademluchtanalyse methyleenchloride

2015 Concept rapportage werkplekonderzoek isocyanaten en VOS

Al deze onderzoeken hebben alleen betrekking op blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de lakhal. In de aanwezige blootstellingsbeoordelingen is de gecombineerde blootstelling aan vluchtige organische stoffen (VOS) en Isocyanaten beoordeeld.

Voor de andere afdelingen, taken en bewerkingen is nog geen blootstellingsbeoordeling Gevaarlijke Stoffen gemaakt. Blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij de glaslijnen is niet uitgevoerd terwijl dit in de RI&E in 2013 reeds werd gerapporteerd en in het huidige plan van aanpak klachten over de luchthuishouding bij de glaslijnen gerapporteerd worden waardoor werknemers luchtwegklachten ondervinden.

Ditzelfde geldt voor de luchthuishouding in de (afdeling; de rechtbank) blanke draad. Het plan van aanpak meldt dat de afdeling soms onder de rook staat waardoor de machinevoerder last heeft van pijnlijke ogen en benauwdheid. Op de soldeer-/laswerkplekken vindt blootstelling plaats aan lasrook. Ook deze blootstelling is nog niet beoordeeld

2.3

Naar aanleiding van de inspectie werd geconstateerd dat werknemers worden of kunnen worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen. Teneinde de gevaren voor de werknemers te bepalen dient u, in het kader van de risico-inventarisatie en evaluatie (artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet), de aard, mate en de duur van die blootstelling te beoordelen.

Uit de inspectie is gebleken dat (behoudens blootstelling aan gevaarlijke stoffen in de lakhal) met betrekking tot de mate van blootstelling aan gevaarlijke stoffen nog niet is vastgesteld wat het blootstellingsniveau is.

Dit is een overtreding van artikel 4.2 lid 3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

> Dit is de waarschuwing die u voor deze overtreding krijgt.

Blootstelling aan gevaarlijke stoffen kan mogelijk optreden bij:

- Werkzaamheden in de opslag gevaarlijke stoffen

- Werkzaamheden aan de walslijnen in de afdeling blanke draad

- Werkzaamheden in de lakhal en laktoren

- Schoonmaakwerkzaamheden in de gereedschapsmakerij

- Onderhoud en schoonmaak productielijnen/machines

- Storingen productieproces”.

2.9.

In opdracht van Smit Draad heeft de heer ing. M. Kerkman, Arbeidshygiënist RAH en hoger veiligheidskundige van Protect arbo advies een onderzoek verricht naar de blootstelling aan de glaslijnen. In het rapport van maart 2016 is opgenomen:

“Op de glaslijnen van Smit Draad is er tijdens reguliere werkzaamheden mogelijk blootstelling aan vluchtige organische componenten (VOC) als gevolg van de gebruikte glaslakken en het productieproces. Tijdens het gebruik van twee typen glaslak (Elmoglas V13 en Elmoglas H69) is onderzocht of en zo ja in welke mate er organische componenten uit het proces vrijkomen en tot welke blootstelling dit kan leiden.

(…) De uitgevoerde metingen tonen aan dat de blootstelling aan de onderzochte componenten aanzienlijk lager is dan de vigerende grenswaarden voor de afzonderlijke componenten. De additieregel voor de VOC’s is laag en ruimschoots onder het toetsingskader.

Gezondheidsklachten zijn op basis van de resultaten van dit blootstellingsonderzoek niet direct te verwachten onder de gemeten omstandigheden. (…)”.

2.10.

Met ingang van 19 juni 2016 is de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] geëindigd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid.

2.11.

Vanaf 16 juni 2016 is aan [werkneemster] een WGA uitkering toegekend. De arbeidsdeskundige heeft in het kader van een herbeoordeling WIA op 1 maart 2017 een arbeidsdeskundig onderzoek verricht. In het rapport komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat [werkneemster] nog steeds 100 % arbeidsongeschikt is.

2.12.

Smit Draad heeft Caesar Consult, risicobeoordeling van chemische stoffen, ingeschakeld voor een retrospectieve beoordeling van blootstelling aan chemische agentia. Dr. J.G.M. van Rooij (toxicoloog/ arbeidshygiënist) heeft op 18 april 2017 een rapport opgesteld. Daarin komt hij tot de volgende conclusie, voor zover hier van belang:

7. Conclusie

Blootstelling aan chemische stoffen bij het solderen en/of afbranden van koperdraad.

Uit arbeidshygiënische metingen die zijn uitgevoerd bij Smit Draad blijkt dat zelfs onder relatief ongunstige omstandigheden (…) de in de rookpluim gemeten concentraties metalen (met uitzondering van koper), vluchtige organische componenten, bisphenol A en fluoride relatief laag zijn ten opzichte van de grenswaarden. Dit betekent dat de blootstelling van mevr. [werkneemster] aan deze stoffen voldoende laag was en niet de grenswaarde heeft overschreden.

Blootstelling aan vluchtige organische stoffen bij werkzaamheden met glaslakken

Uit de schattingen met het schattingsmodel Stoffenmanager blijkt dat de blootstelling van mevr. [werkneemster] aan oplosmiddelendampen bij werkzaamheden met glaslakken laag is en ruimschoots onder de grenswaarden is gebleven. (…)

Blootstelling aan vluchtige organische stoffen bij reinigingswerkzaamheden

De blootstelling van mevr. [werkneemster] aan vluchtige organische stoffen als gevolg van reinigingswerkzaamheden met NMP en K13 ligt over het algemeen ruimschoots ónder de grenswaarde. (…). Bij reinigingswerkzaamheden met K13 kan het incidenteel zijn voorgekomen, maar dat staat niet vast, dat de concentratie methyleenchloride kortstondig de grenswaarde voor deze stof heeft overschreden. Een dergelijke kortstondige verhoogde blootstelling aan methyleenchloride leidt niet tot blijvende gezondheidsproblemen maar hooguit tot een tijdelijk verhoogd carboxyhemoglobine (COHb) gehalte in bloed. Overigens treedt dit zelfde effect (…) ook op bij het roken van sigaretten. (…)”.

2.13.

[werkneemster] rookt naar eigen zeggen al 33 jaar gemiddeld 20 sigaretten per dag.

2.14.

FNV heeft een collectieve actie ingesteld als bedoeld in artikel 3:305a BW en daarin een verklaring voor recht gevorderd dat Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en (dat zij) aansprakelijk is voor de daarmee (juridisch) samenhangende schade. Tevens heeft FNV gevorderd Smit Draad te veroordelen tot het treffen van een aantal maatregelen, hetgeen eveneens bij wijze van voorlopige voorziening in een incident ex artikel 223 Rv is gevorderd. Bij vonnis van 29 juli 2016 heeft de kantonrechter te Nijmegen FNV in de hoofdzaak niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tot het geven van de verklaring voor recht. Smit Draad is in dat vonnis veroordeeld tot het nemen van één maatregel, de vorderingen in het incident zijn afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft FNV hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In het arrest van 11 april 2017 heeft het gerechtshof de incidentele vordering afgewezen en de hoofdzaak verwezen naar de rol van 23 mei 2017 voor memorie van antwoord.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[werkneemster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking in het deelgeschil:

a. te bepalen dat Smit Draad aansprakelijk is voor de door [werkneemster] in de uitoefening van haar werkzaamheden bij Smit Draad geleden en nog te lijden schade,

b. Smit Draad, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het betalen van de kosten van dit deelgeschil van € 6.926,04, te vermeerderen met het griffierecht.

3.2.

[werkneemster] grondt haar verzoek in het deelgeschil op artikel 7:658 BW. Zij stelt dat zij tijdens haar werkzaamheden bij Smit Draad is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen als gevolg waarvan zij gezondheidsklachten heeft opgelopen. Smit Draad heeft volgens [werkneemster] de op haar als werkgever rustende zorgplicht geschonden en is aldus aansprakelijk voor de schade die [werkneemster] lijdt als gevolg van deze blootstelling. [werkneemster] voert, onder verwijzing naar rapporten, aan dat haar gezondheidsklachten bestaan uit COPD met astmaklachten. De beroepsmatige blootstelling aan gevaarlijke stoffen wordt door haar artsen gezien als meest waarschijnlijke oorzaak van haar astma. Wat betreft haar COPD hebben haar artsen aangegeven dat het roken als enige factor de COPD voldoende kan verklaren, maar dat waarschijnlijk is dat ook de beroepsmatige blootstelling aan haar COPD heeft bijgedragen, aldus [werkneemster] . Daarnaast zijn volgens [werkneemster] bij haar werkgerelateerde neurocognitieve functiestoornissen gediagnosticeerd eveneens als gevolg van de jarenlange blootstelling.

3.3.

Smit Draad verzoekt [werkneemster] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen. Zij voert, kort samengevat, primair aan dat de zaak ongeschikt is voor de deelgeschilprocedure. Enerzijds omdat de aansprakelijkheidsvraag al voor ligt in de procedure bij het gerechtshof inzake de collectieve actie van FNV en anderzijds omdat het verzoek volgens haar niet zal leiden tot een voortzetting van onderhandelingen tussen partijen. Er zijn in het geheel nog geen onderhandelingen geweest, aldus Smit Draad. Verder is de toedracht nog onduidelijk en ontbreekt er de noodzakelijke achtergrondinformatie. Er zal daarom behoefte zijn aan onafhankelijk deskundigenonderzoek waar een deelgeschil zich niet voor leent, aldus Smit Draad.

Subsidiair betwist Smit Draad dat zij aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW. Zij werpt op dat [werkneemster] niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast dat zij (gezondheids)schade heeft opgelopen bij Smit Draad. Het causaal verband is te onzeker en te onbepaald en daarnaast moet het zware rookverleden van [werkneemster] ook worden meegenomen in de vaststelling van de causaliteit, aldus Smit Draad. Meer subsidiair stelt Smit Draad zich op het standpunt dat zij haar zorgplicht niet heeft geschonden.

3.4.

De kantonrechter zal hierna, waar nodig, ingaan op de stellingen van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 1019w Rv biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade, de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak. Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de kantonrechter te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

De rechter wijst het verzoek af voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (artikel 1019z Rv). Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien geoordeeld wordt dat nadere bewijslevering noodzakelijk is en de kantonrechter geen aanleiding ziet om in het kader van het deelgeschil, dat zich in beginsel niet leent voor instructie, die instructie aan zich te trekken. Daarmee zou de procedure dreigen te verworden tot een bodemprocedure in de vorm van een deelgeschil, waarbij de investering die dat zou vergen in tijd, geld en moeite daarin in de weg staat.

4.2.

Volgens artikel 1019x lid 1 Rv wordt het verzoek tot een beslissing in een deelgeschil gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat indien de zaak ten principale reeds aanhangig is, het verzoek gedaan moet worden aan de rechter voor wie de zaak ten principale reeds aanhangig is.

4.3.

De kantonrechter stelt vast dat in de bodemprocedure die FNV ingevolge artikel 3:305a BW heeft aangespannen tegen Smit Draad (de collectieve actie), de rechtsvraag voorligt of Smit Draad onrechtmatig heeft gehandeld door haar werknemers bloot te stellen aan arbeidsomstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Die rechtsvraag ligt thans, als gevolg van het ingestelde hoger beroep in die procedure, ter beoordeling voor aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De (advocaat)gemachtigde van [werkneemster] - eveneens advocaat van FNV in de collectieve actie - heeft tijdens de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure desgevraagd verklaard dat FNV in de collectieve actie optreedt namens de (ex-) werknemers van Smit Draad wier belangen zij behartigt. Vervolgens heeft hij verklaard dat het doel van de collectieve actie (mede) is de vaststelling dat blootstelling aan gevaarlijke stoffen heeft plaatsgevonden in die mate dat Smit Draad aansprakelijk is voor de schade die de (ex-)werknemers daardoor lijden, waarna in alle individuele gevallen de (specifieke) schade dan nog moet worden vastgesteld.

4.4.

In de onderhavige deelgeschil-procedure ligt de vraag voor of Smit Draad jegens [werkneemster] aansprakelijk is vanwege het feit dat [werkneemster] , zoals zij stelt en Smit Draad betwist, tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden bij Smit Draad is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen als gevolg waarvan zij gezondheidsklachten heeft opgelopen.

4.5.

Hoewel de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (formeel) speelt tussen FNV en Smit Draad en de onderhavige procedure tussen [werkneemster] en Smit Draad, ligt naar het oordeel van de kantonrechter materieel gezien in beide procedures dezelfde rechtsvraag voor. Namelijk de vraag of Smit Draad als werkgever aansprakelijk is jegens haar (ex-)werknemer(s) vanwege onrechtmatige blootstelling aan gevaarlijke stoffen.

In de collectieve actie treedt FNV, zoals door de (advocaat-)gemachtigde van [werkneemster] , tevens advocaat van FNV zelf is verklaard, op voor de werknemers wier belangen zij behartigt. Het gaat in die procedure dus om een zogenaamde groepsactie. [werkneemster] behoort, dat staat vast, tot de groep van (ex-)werknemers wier belangen FNV behartigt. Haar situatie is zelfs, zoals kan worden afgeleid uit het vonnis in eerste aanleg van 29 juli 2016 en door haar onvoldoende (gemotiveerd) is betwist, in de collectieve actie als voorbeeld genomen.

4.6.

Hoewel een beslissing in een collectieve actie enkel gezag van gewijsde heeft tussen de bij die procedure betrokken partijen, ligt het ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad in de rede een in een collectieve actie verkregen (onrechtmatigheids)oordeel tot uitgangspunt te nemen in eventuele afzonderlijke vervolgprocedures. Dit om zo tegenstrijdige beslissingen omtrent de onrechtmatigheidsvraag te kunnen voorkomen (Hoge Raad 27 november 2009, Word Online, ECLI:NL:HR:2009:BH2162).

Ook FNV heeft de bedoeling om een in de collectieve actie verkregen oordeel tot uitgangspunt te nemen in eventuele afzonderlijke vervolgprocedures. FNV heeft, zo blijkt uit de toelichting van de (advocaat-)gemachtigde van [werkneemster] , de collectieve actie ingesteld om met een (collectieve) aansprakelijkheidstelling - onder gebruikmaking van eerder genoemd uitgangspunt van de Hoge Raad - direct over te kunnen gaan tot onderhandeling over de schade in de individuele gevallen.

4.7.

Het voorgaande brengt mee dat, hoewel formeel gezien sprake is van procedures tussen verschillende partijen, thans materieel gezien bij twee verschillende instanties dezelfde rechtsvraag voorligt. Hierdoor bestaat het risico op tegenstrijdige uitspraken over de aansprakelijkheidsvraag, hetgeen moet worden voorkomen. Het verzoek tot het nemen van een beslissing in het deelgeschil is, naar het oordeel van de kantonrechter, gelet hierop in strijd met de eisen van een goede procesorde.

4.8

De kantonrechter is daarnaast van oordeel dat [werkneemster] het verweer dat geen sprake is geweest van buitengerechtelijke onderhandelingen, onvoldoende (gemotiveerd) heeft weersproken. Smit Draad heeft onbetwist aangevoerd dat het tot onderhandelingen in het geheel nog niet is gekomen omdat (de advocaat van) [werkneemster] enkel wil spreken over (de hoogte van) schadevergoeding wanneer aansprakelijkheid wordt erkend door Smit Draad. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen van mening verschillen op een groot aantal punten waaronder de gezondheidstoestand van [werkneemster] voorafgaand aan haar werkzaamheden bij Smit Draad, de juistheid van de inhoud van de verschillende rapporten, de (mate van) aansprakelijkheid en de hoogte van eventuele schade. Nu zij over deze punten, kennelijk, nog niet gesproken hebben, kan een beslissing over (enkel) de aansprakelijkheidsvraag naar het oordeel van de kantonrechter - nog los van de vraag of gelet op de daartegen gerichte verweren binnen het bestek van deze procedure (proportionele) aansprakelijkheid überhaupt kan worden vastgesteld - onvoldoende bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het verzoek behoort daarom ook te worden afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv.

4.9.

Aangezien het verzoek is ingediend in strijd met de eisen van een goede procesorde, ziet de kantonrechter geen aanleiding de kosten te begroten.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1.

wijst het verzochte in 3.1 onder a en b af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.