ECLI:NL:RBGEL:2017:3674 Rechtbank Gelderland , 14-07-2017 / AWB - 16 _ 5836

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/5836

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 14 juli 2017

in de zaak tussen


[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 8 januari 2016 aan eiseres voor het jaar 2014 een voorlopige aanslag (aanslagnummer [000] .H.40.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.442, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 2.630.233 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 68.670. Tevens is bij beschikking € 14.001 aan belastingrente in rekening gebracht.

Met dagtekening 5 februari 2016 heeft verweerder aan eiseres de definitieve aanslag (aanslagnummer [000] .H.46.01) IB/PVV opgelegd, berekend naar dezelfde belastbare inkomens als bij de voorlopige aanslag IB/PVV 2014. Op dit aanslagbiljet is geen bedrag aan belastingrente vermeld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2016 de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 30 september 2016, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2017.

Namens eiseres zijn de gemachtigde en [A] verschenen. Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en [B] verschenen.

Eiseres heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres was gedurende het gehele jaar 2014 in gemeenschap van goederen getrouwd met [Y] (de echtgenoot).

2. Op 10 oktober 2014 heeft de echtgenoot verzocht om aan hem een voorlopige aanslag IB/PVV op te leggen in verband met inkomen uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van

€ 5.163.876. Tot het bedrag van de hierover verschuldigde belasting (25 procent), zijnde € 1.290.969, werd aan de echtgenoot een voorlopige aanslag opgelegd, met dagtekening 14 november 2014.

3. Nadat aan de echtgenoot uitstel was verleend voor de indiening van de aangifte, hebben eiseres en haar echtgenoot op 1 oktober 2015 aangifte IB/PVV gedaan. Zij hebben daarbij met toepassing van artikel 2.17, tweede en vijfde lid, van de Wet IB 2001 het inkomen uit aanmerkelijk belang voor 50 procent aan eiseres toegerekend en voor 50 procent aan de echtgenoot. Dit heeft geresulteerd in een door eiseres te betalen bedrag van € 670.302 en een teruggave van € 602.300 voor de echtgenoot. Verweerder heeft de teruggave op 13 november 2015 aan de echtgenoot uitbetaald. Daarbij is geen belastingrente vergoed. Verweerder heeft op 29 december 2015 de betaling van € 670.302 van eiseres ontvangen.

Geschil

4. In geschil is of verweerder terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening heeft gebracht. Niet in geschil is dat verweerder het wettelijk stelsel van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) heeft gevolgd. De periode waarover de rente is berekend, is evenmin in geschil.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

5. Gelijktijdig met de voorlopige aanslag van 27 november 2015 is aan eiseres het onderhavige bedrag aan belastingrente in rekening gebracht. Ingevolge artikel 9.5, vijfde lid, van de Wet IB 2001 is hiertegen geen bezwaar mogelijk. Op het aanslagbiljet van de definitieve aanslag is geen bedrag aan belastingrente vermeld. Wel is vermeld: “U kunt bezwaar maken tegen het bedrag van de belastingrente”. Ondanks het feit dat op het definitieve aanslagbiljet (nog) geen beschikking belastingrente aan eiseres bekend is gemaakt, mocht eiseres naar het oordeel van de rechtbank menen dat verweerder de beslissing heeft genomen de eerder aan eiseres bekend gemaakte beschikking belastingrente te handhaven. Immers uit de definitieve aanslag volgt na verrekening met de voorlopige aanslag een te betalen bedrag van nihil. In combinatie met de hiervoor bedoelde vermelding op het definitieve aanslagbiljet dat bezwaar gemaakt kan worden tegen de belastingrente volgt hieruit naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres mocht menen dat verweerder een beslissing omtrent de belastingrente heeft genomen. Het bezwaar van eiseres is gelet op artikel 6:10, eerste lid en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht ontvankelijk.

Strijd met artikel 1 van het eerste Protocol EVRM

6. Volgens eiseres is sprake van schending van het recht op ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM). Hoewel nagenoeg de gehele belastingschuld al in 2014 was betaald, wordt toch over ongeveer de helft hiervan belastingrente berekend. Eiseres stelt dat uitsluitend over het saldo van de door eiseres verschuldigde belasting en de teruggave voor de echtgenoot belastingrente kan worden berekend. Voorts is de gehanteerde rente van vier procent dubbel zo hoog als het wettelijke rentepercentage van twee procent.

7. Uit artikel 1 van het EP EVRM vloeit voort dat iedere natuurlijke of rechtspersoon recht heeft op het ongestoorde genot van zijn eigendom en dat die niemand zal worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. In de tweede alinea van artikel 1 van het EP EVRM is neergelegd dat deze bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen te verzekeren.

8. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2011/12, 33 003, nr. 3, p. 33) is over de (nieuwe) renteregeling onder meer het volgende opgemerkt:

“In de nieuwe regeling vangt het tijdvak waarover rente wordt berekend aan op 1 juli na afloop van het belastingjaar. Daarmee wordt een grote vereenvoudiging bereikt omdat de Belastingdienst voor het overgrote deel van de IB-plichtigen (te weten die vóór 1 april aangifte moeten doen) de voorlopige aanslagregeling vóór 1 juli heeft afgerond. Deze belastingplichtigen zullen -in tegenstelling tot nu- niet meer met rente te maken krijgen. In de huidige renteregeling wordt namelijk standaard heffingsrente gerekend vanaf 1 januari na afloop van het belastingjaar. Nu krijgen bijna alle 10 miljoen IB-plichtigen te maken met heffingsrente. Straks zullen 8 miljoen IB-plichtigen buiten de renteregeling vallen. Ook het sparen bij de fiscus zal met de voorgestelde renteregeling tot het verleden behoren. Dit komt doordat er voortaan alleen rente wordt vergoed als de Belastingdienst te laat is met het uitbetalen van een teruggaaf, of te lang doet over het vaststellen van een belastingaanslag overeenkomstig de ingediende aangifte of een ingediend (herzienings)verzoek met een uit te betalen bedrag. Er wordt dus niet meer automatisch rente vergoed indien de belastingschuldige na afloop van het belastingjaar een bedrag terugkrijgt. (…)”.

9. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever met zijn keuze voor deze regeling niet is getreden buiten de ruime beoordelingsmarge die hem toekomt onder artikel 1 van het EP EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank streeft de wetgever gelet op de hiervoor vermelde totstandkomingsgeschiedenis met de belastingrente legitieme doelen (vereenvoudiging van de regeling en voorkoming van sparen bij de fiscus) na en zijn deze doelen proportioneel in relatie tot het middel, ook als dit betekent dat eiseres in dit geval belastingrente moet betalen en haar echtgenoot geen belastingrente vergoed krijgt. De wetgever was niet gehouden eiseres en haar echtgenoot als materiële economische eenheid gezamenlijk in de heffing van de belastingrente te betrekken (door het saldo van te betalen belasting en de te verkrijgen teruggaaf in aanmerking te nemen). Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2561).

Eiseres had, door eerder aangifte te doen, kunnen voorkomen dat zij belastingrente verschuldigd was. Dat eiseres en haar echtgenoot de belastingrenteaspecten niet hebben betrokken in hun keuze voor toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen betekent niet dat de wetgever buiten zijn ruime beoordelingsmarge is getreden.

10. Ook is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een individuele en buitensporige last die strijdig is met artikel 1 van het EP EVRM. Beslissend daarvoor is de mate waarin de betrokkene in de gegeven omstandigheden wordt getroffen door de desbetreffende verplichting. In het geval van eiseres is niet gesteld dat zij individueel zwaar getroffen is door de in rekening gebrachte belastingrente. Ter zitting is verklaard dat de betreffende belastingrente reeds betaald is. Naar het oordeel van de rechtbank is dan van een individuele en buitensporige last geen sprake.

11. De conclusie uit het voorgaande is dat er geen strijd is met artikel 1 EP EVRM.

Strijd met artikel 7 EVRM

12. Volgens eiseres is de beschikking strijdig met artikel 7 van het EVRM. De bedoeling van het stelsel van belastingrente is om geleden rentenadeel (of genoten rentevoordeel) te compenseren. Echter, in werkelijkheid is het rentepercentage niet marktconform en is sprake van een boete voor een strafbaar feit, namelijk het later indienen van een aangifte, terwijl daarvoor wel uitstel is toegekend, aldus eiseres. Artikel 7 van het EVRM zou moeten leiden tot het buiten toepassing verklaren van artikel 30hb, eerste lid, van de AWR, waarin staat dat de rente tenminste vier procent is.

13. Volgens verweerder is van straf geen sprake, omdat belastingrente slechts ziet op het compenseren van het geleden rentenadeel. Dat de minimumrente vier procent is, maakt dit niet anders.

14. De rechtbank kan eiseres niet in haar standpunt volgen. Op de eerste plaats is het zoals eiseres zelf opmerkt, de bedoeling van de wetgever geweest om geleden rentenadeel te compenseren, en dus niet om een straf op te leggen. Dat het rentepercentage het dubbele is van de wettelijke rente ontneemt aan de belastingrente niet zijn compenserende karakter. Op de tweede plaats staat in artikel 7 van het EVRM dat niemand veroordeeld mag worden voor een handelen, dat ten tijde van dat handelen geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht was. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de belastingrente geen bestraffend karakter, echter zelfs als de belastingrente wel als straf aangemerkt zou moeten worden, dan is de belastingrente tot stand gekomen op grond van een voorafgaande wettelijke bepaling.

Zorgvuldigheidsbeginsel

15. De rechtbank oordeelt dat evenmin sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De heffing van belastingrente van eiseres alsook het niet vergoeden van belastingrente aan de echtgenoot is in overeenstemming met de AWR. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan niet gezegd worden dat sprake is van onzorgvuldig handelen. De stelling van eiseres dat de belastingrente zou moeten worden berekend over het saldo van verschuldigde belasting en te verkrijgen teruggaaf, vindt geen steun in het recht.

16. Gelet op het voorgaande is de belastingrente terecht in rekening gebracht en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. van den Berg-Schokker, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 juli 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Verder lezen