ECLI:NL:RBLIM:2013:5265 Rechtbank Limburg , 30-08-2013 / 2189010 \ CV EXPL 13-6175

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond

Burgerlijk recht

Zaaknummer: 2189010 \ CV EXPL 13-6175

Vonnis in kort geding van de kantonrechter d.d. 30 augustus 2013

in de zaak van:

de stichting Woningstichting Urmond, gevestigd te 6129 BN Urmond aan het adres Kerkstraat 16 B,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.R.F.J. Palmen,

tegen:

[gedaagde], wonende te [woonplaats] aan het adres [adres],

gedaagde,

gemachtigde: mr. I.C.A. Wilschut.

Partijen worden hierna SWU alsmede [gedaagde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Dit blijkt uit het navolgende:

- de inleidende dagvaarding d.d. 23 juli 2013 met producties;

-

de door [gedaagde] voorafgaand aan de mondelinge behandeling ingezonden producties;

-

de op 16 augustus 2013 gehouden mondelinge behandeling waarbij SWU vertegenwoordigd is door mevrouw [A] en de heer [B], bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eveneens is verschenen de heer [C], bijzonder thuiszorgmedewerker van Orbis;

- de door [gedaagde] overgelegde pleitnota.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De vordering en stellingen van SWU

2.1.

SWU vordert - kort samengevat - bij vonnis in kort geding de ontruiming te gelasten van de door [gedaagde] van SWU gehuurde woning aan de [adres] te [woonplaats], met machtiging om indien [gedaagde] daarmee na vijf dagen in gebrek blijft die ontruiming zelf uit te voeren.

2.2.

SWU stelt daartoe ondermeer het navolgende: [gedaagde] kampt met ernstige psychische problemen. Reeds geruime tijd zorgt [gedaagde] voor ernstige problemen in het seniorencomplex waarvan zijn woning deel uit maakt: hij gedraagt zich agressief, bedreigt bewoners, schreeuwt en scheldt bij nacht en ontij en zorgt voor geluidsoverlast. De overige bewoners - allen huurders van SWU - zijn zodanig bang dat ze niet meer de deur uit durven. 2.3. Een tiental bewoners heeft schriftelijk verklaard van [gedaagde] overlast te ervaren. [gedaagde] is herhaaldelijk op zijn gedrag aangesproken en verzocht dit te verbeteren, laatstelijk nog bij brief van 17 juli 2013. Hem is aangezegd dat er, bij gebreke daarvan, maatregelen tegen hem getroffen zullen gaan worden waaronder ontbinding van de huurovereenkomst.

3 Het verweer van [gedaagde].

3.1.

[gedaagde] bestrijdt de vorderingen van SWU waartoe ondermeer het navolgende wordt gesteld: hij betwist dat er sprake is van onrechtmatige overlast en dat een ontruiming gerechtvaardigd zou zijn.

4 Het voorlopig oordeel van de kantonrechter

4.1.

De kantonrechter is van oordeel dat SWU voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde heeft.

4.2.

Een voorziening als ontruiming van een gehuurde woning dient naar het oordeel van de kantonrechter met terughoudendheid te worden toegepast. Wanneer sprake is van een structureel tekortschieten door een huurder in de nakoming van zijn verplichtingen uit huurovereenkomst is in het algemeen een bodemprocedure bij de kantonrechter, waarbij zowel de ontbinding van die huurovereenkomst als de ontruiming van het gehuurde gevorderd kunnen worden, de meest gepaste procedure, ook al omdat in een bodemprocedure de feitelijke omstandigheden van het geval voldoende diepgaand onderzocht kunnen worden en een veroordeling tot ontruiming verstrekkende gevolgen heeft voor de betrokkene. Slechts onder omstandigheden die acuut een voorziening vergen en wanneer over de feitelijke toedracht weinig twijfel behoeft te bestaan, is er aanleiding voor een vordering tot ontruiming in kort geding. Wanneer de gegeven situatie (bijv. ernstige overlast voor en/of bedreiging van de omwonenden) een zodanige acute onhoudbare situatie oplevert, dat onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan de eis in kort geding worden ontvangen.

4.3.

Chronologisch bezien, doet zich, blijkend uit de producties, het volgende voor:

 januari 2011: aanvang huurovereenkomst;

 september 2012: [gedaagde] stopt- volgens de verklaring van [C] ter zitting- met zijn medicatie (injecties);

 begin januari 2013: de wijkagent meldt aan SWU dat [gedaagde] regelmatig ‘s nachts op straat naar de overburen staat te roepen “ik trek je kop eraf”;

 11 januari 2013: buren melden op kantoor van SWU overlast van [gedaagde] in de vorm van ’s nachts agressief schreeuwen en dreigende taal tegenover parkeerders. “Dit speelt sinds afgelopen zomer”;

 22 januari 2013: gesprek met [gedaagde] op kantoor van SWU over klachten;

 23 januari 2013: [gedaagde] schreeuwt luid in zijn woning; buren ervaren dit als eng en klagen hierover bij SWU;

 24 januari 2013: SWU stuurt [gedaagde] een brief met het verzoek de overlast te staken, “bij gebreke waarvan er een procedure tot beëindiging van de huurovereenkomst gestart zal worden”;

 eind maart 2013: [gedaagde] loopt luid schreeuwend en klopt op de ramen van zijn buren;

 begin mei 2013: [gedaagde] wordt door twee psychiaters bezocht in verband met een te verzoeken gedwongen opname;

 8 mei 2013: het Openbaar Ministerie verzoekt de rechtbank een voorlopige machtiging ex art 2 Wet Bopz te verlenen;

 23 mei 2013: afwijzing van laatstgenoemd verzoek door de rechtbank: er is onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat er sprake is van het in de geneeskundige verklaring omschreven gevaar;

 juli 2013: een tiental buren meldt schriftelijk aan SWU overlast te ervaren van [gedaagde] zowel overdag als ’s nachts. De overlast vindt dagelijks plaats waarbij met name de data 27 en 28 juni, en 2, 4 , 5, 6, 7, 8, 9, 12 13, 14, 15, 16 en 17 juli 2013 worden genoemd. De overlast bestaat uit: schreeuwen, schelden, tieren, bonken op de muren, slaan op voorwerpen, verbaal geweld, urenlang angstaanjagend geschreeuw, bedreiging, intimiderend gedrag en vervuiling van het (gezamenlijke) grasveld;

 17 juli 2013: SWU stuurt [gedaagde] een brief waarin zij hem wijst op de door hem veroorzaakte overlast: “Op deze manier bent u niet te handhaven als huurder van uw woning. Wanneer u uw gedrag niet per direct verbetert en de overlast per direct staakt starten wij de ontbindingsprocedure m.b.t. uw huurcontract”. SWU nodigt [gedaagde] uit voor een gesprek hierover op 22 juli 2013;

 17 juli 2013 te 20.30 uur: huisvredebreuk bij buurman [D] en bedreiging en mishandeling van buurman [E] door [gedaagde], waarna aanhouding en insluiting van [gedaagde];

 22 juli 2013: maandelijkse gesprek van [gedaagde] met zijn psychiater, aanpassing medicatie (pillen);

 23 juli en 26 juli 2013: geluidsoverlast door [gedaagde] in de vorm van tieren en schelden, mede geconstateerd door de politie. Bewoners melden dit schriftelijk aan SWU.

4.4.

Uit het verhandelde ter zitting alsook uit de overgelegde stukken en processtukken blijkt dat [gedaagde] geruime tijd ernstige overlast heeft bezorgd aan zijn medebewoners van het seniorencomplex alsook aan een aantal overburen. Deze overlast gebeurde terwijl, dan wel omdat [gedaagde] weigerde medicatie middels injecteren in te nemen tegen zijn psychische stoornis. Deze overlast bestond uit schreeuwen, tieren, schelden, bonken op muren en voorwerpen, bedreigend en intimiderend gedrag. Op zichzelf is de gepleegde overlast, gelet op de frequentie daarvan alsook de geruime tijd waarin deze zich heeft afgespeeld, naar het oordeel van de kantonrechter voldoende om over te gaan tot een ontbinding van de huurovereenkomst. In casu wordt, vooruitlopend daarop, een acute voorziening gevraagd in de vorm van een ontruiming.

4.5.

Vast is ook komen te staan dat hij wekelijks wordt bezocht door de heer [C], bijzondere thuiszorgmedewerker van Orbis alsook dat hij maandelijks zijn ‘behandelend’ psychiater ziet. Gebleken is ook dat [gedaagde] sinds de betekening van de dagvaarding op 23 juli 2013 danwel sinds zijn bezoek aan de psychiater een dag eerder weer medicatie gebruikt in een wel door hem gewenste vorm (pillen). Gebleken is dat er nadien nog meldingen van overlast zijn geweest.

4.6.

Thans wordt een acute maatregel gevraagd, hetgeen een acute situatie vereist. De vraag is of die thans nog aanwezig is. Toewijzing daarvan zou bovendien slechts mogelijk zijn indien thans met grote mate van zekerheid te zeggen is dat de bodemrechter de ontbinding van de huurovereenkomst zou toestaan.

4.7.

Gelet op de (niet-anonieme) verklaringen van de meerderheid van de schrijvende bewoners van het complex wordt aan hen een niet te dulden mate van overlast bezorgd. Zij, allen senioren, zijn onweersproken bang voor [gedaagde]. De kantonrechter acht in de mindere weerbaarheid / belastbaarheid van de ouder wordende medemens de reden liggen op grond waarvan de senioren in het complex de situatie niet meer aankunnen; dit is voldoende acuut. [gedaagde] heeft als (enige) niet-senior indertijd op voorspraak van zijn ouders (toen ze nog bij elkaar in een huis van het complex woonden) een huurovereenkomst met SWU kunnen sluiten. Kennelijk kon [gedaagde] vanwege zijn ziekte (schizofrenie) de onafhankelijke situatie niet aan en konden vader / de ambulante begeleider / de psychiater het niet voor elkaar krijgen hem in plaats van de medicijninjectie pillen te doen slikken. De kantonrechter acht in het huidige toezicht (vader op afstand in het complex en de ambulante begeleider een keer per week) onvoldoende garanties gelegen om daaruit de gerechtvaardige hoop te putten dat [gedaagde] zijn medicijnen blijft nemen. Zijn aanwezigheid blijft daarom voor de overige medebewoners acuut beangstigend in een niet te dulden mate. Zijn woonbelang moet daarbij achter staan bij de woonbelangen van de andere huurders van SWU en het verhuurdersbelang. Ontruiming is geboden.

4.8.

De kantonrechter is wel van mening dat gelet op de specifieke situatie van [gedaagde] er een taak voor SWU ligt om vervangende woonruimte te vinden. Met betrekking tot de ontruimingstermijn overweegt de voorzieningenrechter het navolgende. Gedaagde is psychiatrisch patiënt en - gelet op de ondersteuning door vader en de ambulante hulpverlener – niet voldoende zelfredzaam. Er zal voor hem andere huisvesting moeten worden gevonden. De ervaring leert dat er passende woonruimte voor een persoon als gedaagde is en dat vinden hiervan de nodige tijd met zich mee zal brengen. De kantonrechter ziet hierin aanleiding de ontruimingstermijn vast te stellen op drie maanden na betekening van dit vonnis.

4.9.

Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen en dat [gedaagde], als de in het ongelijk gestelde partij, dient te worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van SWU worden begroot op:

-

dagvaarding € 99,82

-

griffierecht 112,00

-

gemachtigde salaris 400,00

totaal €  611,82

4.4.

De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De kantonrechter in kort geding:

5.1.

Veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde met alle daarin aanwezige personen en zaken, voorzover deze laatste niet de eigendom van SWU zijn, te ontruimen en te verlaten en het gehuurde onder afgifte van alle sleutels ter vrije beschikking van SWU te stellen.

Machtigt SWU indien [gedaagde] na verloop van drie maanden na betekening van dit vonnis met die ontruiming in gebreke blijft, die ontruiming zelf uit te voeren, desnodig met behulp van de sterke arm.

5.2.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van SWU gevallen en tot aan dit vonnis begroot op € 611,82, waarvan € 400,00 als salaris voor de gemachtigde.

5.3.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.4.

Wijst - voor zoveel nodig - het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 30 augustus 2013 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

typ: dl/mjp

mlzr: em