ECLI:NL:RBLIM:2017:3846 Rechtbank Limburg , 26-04-2017 / 2837493 \ CV EXPL 14-2686

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 2837493 \ CV EXPL 14-2686

Vonnis van de kantonrechter van 26 april 2017

in de zaak van:

J.A. Wagenaar, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de heer


[eiser 1] en mevrouw [eiseres 2]
,

wonend te [woonplaats eisers] ,

eisende partij,

gemachtigde mr. A. Schmidt,

tegen:


[gedaagde] , h.o.d.n. "Manege De Boshoeve"
,

wonend [adres gedaagde] ,

[woonplaats gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. M.R.H. Meijer.

Partijen worden hierna Wagenaar en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verder verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 22 juli 2015;

- het proces-verbaal getuigenverhoor van 1 maart 2016;

- het proces-verbaal getuigenverhoor contra-enquête van 12 mei 2016;

- de conclusies na enquête en contra-enquête

- de akte houdende verzoek tot afgifte bevel tot openlegging stukken ex artikel 162 Rv.;

- de antwoordconclusies na enquête;

- de antwoordakte in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de hoofdzaak en in het incident.

2 De beoordeling

In het incident

2.1.

Wagenaar vordert [gedaagde] te bevelen tot het in geding brengen van de volgende bescheiden, die door een notaris dienen te worden gewaarmerkt voor “kopie origineel”:

-

de jaarstukken van de onderneming van [gedaagde] over de jaren 2005 tot en met 2015;

-

de aangiftes Inkomstenbelasting over de jaren 2005 tot en met 2015;

-

de aangiftes Omzetbelasting over de jaren 2005 tot en met 2015;

-

de rapporten van het boekenonderzoek van 2009 en die van het lopende onderzoek met onderliggende verificatoire bescheiden.

Wagenaar legt artikel 162 Rv aan zijn vordering ten grondslag.

2.2.

[gedaagde] voert verweer. Voor de inhoud van het verweer verwijst de kantonrechter naar de conclusie van antwoord in het incident.

2.3.

De rechter kan in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de openlegging bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren (162 Rv lid 1). Het verzoek van Wagenaar vloeit voort uit het in artikel 4.1. van de huurovereenkomst bepaalde dat de huurprijs zal worden verhoogd met 10% van de netto winst per jaar ingeval de netto winst uit de onderneming minimaal € 60.000,00 per jaar bedraagt. Met de openlegging van de boeken, bescheiden en geschriften wil Wagenaar blijkbaar onderzoeken welke winstbedragen [gedaagde] in de jaren 2005 tot en met 2015 uit zijn onderneming heeft genoten teneinde zijn vordering ter zake van de door [gedaagde] verschuldigde huurpenningen aan te passen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit door Wagenaar ingediende verzoek in de huidige stand van de procedure te laat en in strijd met een goede procesorde. Wagenaar had immers vanaf de aanvang van de procedure de beschikking over de huurovereenkomst en had derhalve bij de vordering ter zake van de huurpenningen met de betreffende bepaling in de huurovereenkomst rekening kunnen houden. Toewijzing van het verzoek zou bovendien een onevenredige vertraging van de procedure tot gevolg hebben. Dat betekent dat het verzoek van Wagenaar zal worden afgewezen.

2.4.

Wagenaar zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident, in totaal begroot op € 100,00 ter zake van salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] .

In de hoofdzaak

2.5.

Bij tussenvonnis van 22 juli 2015 heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 3.6 reeds geoordeeld dat de vordering tot vernietiging van de beide huurovereenkomsten wordt afgewezen als ook de vordering tot vernietiging van de huurprijs en de vaststelling van een nadere hogere huurprijs (te weten het gevorderde onder I primair: algehele vernietiging subs. partiele vernietiging huurovereenkomsten op grond van pauliana, onder 1.A. primair tot en met 3.a. primair en subsidiair).

.

2.6.

Voorts is [gedaagde] bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat hij in november 2009 aan zijn ouders een geldlening heeft verstrekt van € 135.000,00 en dat hij dit bedrag in contant geld ter beschikking heeft gesteld.

2.7.

Teneinde dit bewijs te leveren heeft [gedaagde] vijf getuigen laten horen, te weten:

- partij [gedaagde] ,

- mw. [echtgenote gedaagde] , echtgenote van partij [gedaagde] ,

- dhr. [eiser 1] , vader van partij [gedaagde] ,

- mw. [eiseres 2] , moeder van partij [gedaagde] en

- dhr. [adviseur] , adviseur van [eiser 1] .

2.8.

Daarna heeft Wagenaar in contra-enquête twee getuigen laten horen, te weten:- [gedaagde] en

- dhr. [getuige 1] , in voornoemde periode werkzaam als toezichthouder voor de gemeente Roerdalen.

2.9.

[gedaagde] heeft verklaard dat hij in maart/april 2009 een springpaard, een vos met vier hoge witte benen met een bles en een witte buik, heeft verkocht voor een bedrag van € 175.000,00. Zijn echtgenote, mw. [echtgenote gedaagde] , heeft verklaard dat zij in 2009 een vos met een witte vlek onder zijn buik voor een bedrag van zeker € 60.000,00 tot € 70.000,00 hebben verkocht en daarnaast nog vijf of zes paarden voor bedragen van € 6.000,00, € 8.000,00 en € 10.000,00 en een onbekend aantal paardenautootjes voor een haar onbekend bedrag.

Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij het grootste deel van dit bedrag, ongeveer

€ 100.000,00 tot € 115,000,00, thuis bewaarde en een deel bij zijn broer. Zijn echtgenote heeft daarentegen verklaard dat zij een bedrag van ongeveer € 5.000,00 thuis hebben bewaard en dat het grootste deel van het geld bij haar schoonbroer in de kluis in zijn autozaak lag.

Voorts heeft [gedaagde] verklaard dat hij het geld dat hij aan zijn ouders heeft geleend thuis heeft gepakt, in een envelop heeft gestopt en dat hij die envelop bij zijn ouders op de tafel heeft gelegd, terwijl zijn echtgenote heeft verklaard dat hij het geld bij zijn broer heeft gehaald en dat het geld niet ergens in zat, dat haar man het geld gewoon van de tafel heeft opgepakt en naar de woning van zijn ouders is gelopen.

Betreffende de hoogte van het geleende bedrag heeft [gedaagde] verklaard dat hij op

20 november 2009 een bedrag van € 107.00,00 in contanten aan zijn ouders heeft geleend. Hij heeft de envelop op tafel gelegd, waarna zijn vader hem heeft gepakt, erin heeft gekeken en hem daarna direct heeft doorgegeven aan de aannemer, die het geld heeft geteld. De vader van [gedaagde] heeft verklaard dat hij rond de € 130.000,00/€ 135.000,00 van zijn zoon heeft geleend ten behoeve van de verbouwing en overige kosten en dat hij daarvan ongeveer € 100.000,00 in contanten heeft gekregen. De vader van [gedaagde] weet zich niet meer precies te herinneren op welke wijze en waar hij het geld heeft ontvangen, noch wie daar bij aanwezig waren. Wel weet de vader van [gedaagde] nog dat hij daarmee de aannemer heeft betaald terwijl hij vervolgens heeft verklaard zich niet meer te herinneren of hij het geld heeft ontvangen voor of nadat de aannemer de werkzaamheden aan de manege heeft verricht. De moeder van [gedaagde] heeft verklaard dat hun zoon gewoon het bedrag zou geven dat zij nodig hadden voor de verbouwing, dat dit een bedrag van ongeveer € 90.000,00/ € 100.000,00 zou zijn, maar dat zij dit niet meer precies weet en dat hij rekeningen voor hen zou betalen, maar dat zij niet weet om welk bedrag dit ging.

De moeder van [gedaagde] heeft verder nog verklaard dat haar zoon het geld aan haar man heeft gegeven, maar dat zij niet meer weet of het geld in een envelop zat, noch of het geld werd geteld. Verder heeft zij verklaard dat haar man met het geld de aannemer heeft betaald, maar dat zij niet meer weet of het die dag is geweest of dezelfde week. Voorts heeft zij nog verklaard dat de aannemer al was begonnen met de werkzaamheden, maar dat die nog niet helemaal af waren, dat zij de naam van de aannemer niet meer weet, maar dat het een Belg was. De getuige [adviseur] heeft verklaard dat hij op een dag in november 2009 op bezoek was bij de ouders [gedaagde] en dat hij heeft gezien dat zoon [gedaagde] met een envelop binnen kwam met de mededeling: “Pap, ik heb het geld” en dat er opdracht gegeven kon worden aan de aannemer. Van vader [gedaagde] heeft hij later vernomen dat het om een bedrag van € 100.000,00 ging.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat, naar zijn inschatting, de kosten van de werkzaamheden aan de rijhallen omstreeks € 20.000,00 zouden bedragen in het geval die werkzaamheden door een aannemer zouden zijn verricht.

2.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] niet geslaagd in de hem gegeven bewijsopdracht. Daartoe is het volgende redengevend.

2.10.1.

Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling van de afgelegde verklaringen van belang is dat [gedaagde] zelf een verklaring heeft afgelegd en dat hij zijn echtgenote en zijn ouders als getuigen heeft laten horen terwijl [gedaagde] , zijn echtgenote en zijn ouders belang hebben bij de uitkomst van de onderhavige procedure.

Verder acht de kantonrechter de door de getuigen gegeven verklaringen niet met elkaar in overeenstemming, doordat zij op cruciale onderdelen niet met elkaar stroken. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet goed voor te stellen dat de getuigen [gedaagde] en zijn echtgenote geen eenduidige verklaring hebben kunnen afleggen met betrekking tot de herkomst van het aanzienlijke geldbedrag en dan met name het aantal paarden dat (daarvoor) tegen welke prijs is verkocht. De bij conclusie na enquete door [gedaagde] overgelegde verklaring van de koper, de heer [koper] , kan op dit punt niet tot een ander oordeel leiden. Dit betreft immers een getuige die niet onder ede is gehoord zodat daaraan niet dezelfde bewijskracht toekomt en deze verklaring terzijde wordt geschoven. Ook overigens valt niet in te zien waarom de echtelieden wisselend hebben verklaard over het bewaren van welke hoeveelheid geld op welke locatie, de wijze van overhandiging van dat geld, welke personen aanwezig waren bij die overhandiging - waarbij overigens alleen [gedaagde] heeft verklaard dat de aannemer aanwezig was - en of het geld bij de overhandiging nog is geteld en zo ja, in wiens aanwezigheid dat is gebeurd.

De verklaringen van de ouders van [gedaagde] kunnen niet tot een andere conclusie leiden. De moeder van [gedaagde] heeft immers op tal van punten verklaard dat zij niet meer precies weet hoe een en ander is gegaan. Ook de vader van [gedaagde] heeft tijdens de enquête verklaard dat hij de zaken van 40 jaar geleden beter kan herinneren dan de zaken uit het recente(re) verleden - hetgeen naar de kantonrechter uit de processtukken begrijpt het gevolg is van een hersenbloeding begin 2009 - en heeft vervolgens ten aanzien van diverse punten verklaard niet meer te weten hoe het is gegaan, maar hij heeft wel in detail verklaard over de geldbedragen die met een en ander gepaard gingen. Gelet daarop acht de kantonrechter de verklaring van de vader van [gedaagde] op de punten van de geldbedragen niet geloofwaardig. Ook de verklaring van [adviseur] kan niet tot een ander oordeel leiden, nu [adviseur] niet uit eigen waarneming kan verklaren welk bedrag door [gedaagde] aan zijn vader is geleend en overhandigd. Tot slot wordt van belang geacht dat in het procesdossier een offerte van de aannemer ontbreekt waaruit zou blijken dat de kosten van de werkzaamheden omstreeks € 100.000,00 zouden bedragen, terwijl de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat, naar zijn inschatting, de kosten omstreeks € 20.000,00 zouden bedragen. Op grond van de afgelegde verklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de kantonrechter niet bewezen dat [gedaagde] aan zijn ouders een bedrag van € 135.000,00 in contanten ter beschikking heeft gesteld.

2.11.

Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] aan zijn ouders een bedrag van

€ 135.000,00 ter beschikking heeft gesteld, heeft [gedaagde] geen uitvoering gegeven aan artikel 1 van de ongedateerde overeenkomst van geldlening en dat betekent dat die overeenkomst niet tot stand is gekomen. De door Wagenaar (onder III primair en subsidiair, de overeenkomst van geldlening, primair, onder 8.A.) gevorderde verklaring voor recht dat die overeenkomst niet tot stand is gekomen wegens het niet ter beschikking stellen van gelden, kan derhalve worden toegewezen. Dat brengt met zich dat [gedaagde] op die grond niet bevoegd was om vanaf 1 november 2009 maandelijks een bedrag van € 1.022,72 met de verschuldigde huurprijs te verrekenen.

2.12.

[gedaagde] stelt voorts dat hij de afgelopen jaren tot een bedrag van omstreeks € 100.000,00 heeft geïnvesteerd in onderhoud en verbeteringen van het gehuurde en stelt dat hij dit bedrag mag verrekenen met de huurprijs. [gedaagde] grondt zijn verrekeningsverweer op artikel 53 Faillissementswet, artikel 6:127 BW en op de op 21 september 2011 met zijn ouders gesloten overeenkomst “volmacht” (hierna: de volmacht), waarin staat vermeld:“de kosten van de onderhoudswerkzaamheden, verbouwing vernieuwingen enz. komen in de eerste instantie voor rekening van [gedaagde] , deze moeten achteraf met de betalen huur en of opbrengsten uit een eventuele verkoop te worden verrekend”. Volgens [gedaagde] is geen sprake van een verrekeningsverbod.

2.12.1.

Daargelaten de vraag of sprake is van een bevoegdheid tot verrekenen dan wel een verrekeningsverbod, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] geen geslaagd beroep op een verrekeningsverweer toekomt. Gelet op het bepaalde in de volmacht en hetgeen [gedaagde] daarover in de processtukken heeft toegelicht, verrekening volgens [gedaagde] alleen betrekking kan hebben op de noodzakelijke kosten van onderhoud in de zin van artikel 7:206 lid 3 BW en de kosten van verbetering van het gehuurde. Dit zijn kosten die ingevolge de huurovereenkomst niet voor rekening van [gedaagde] zouden komen dan wel kosten die pas bij het einde van de huurovereenkomst voor vergoeding in aanmerking komen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de voornoemde kosten heeft gemaakt een aantal facturen overgelegd (productie 9 bij conclusie van antwoord), maar daaruit kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat het onderhoudskosten of kosten van verbetering in de voormelde zin betreft. Weliswaar heeft [gedaagde] bij conclusie van cupliek, tevens akte specificatie facturen, alsnog een toelichting verschaft, maar deze toelichting betreft slechts het deel van de facturen afkomstig van de firma [X] . De curator heeft gemotiveerd betoogd dat de facturen van [X] valse facturen van een niet bestaande onderneming betreffen, terwijl voorts betalingsbewijzen ontbreken. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat bij gebreke van een (nadere) toelichting niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] daadwerkelijk de door hem gestelde kosten ten bedrage van € 100.000,00 heeft gemaakt, zodat [gedaagde] reeds daarom geen beroep op verrekening toekomt. Nu verder niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] andere afspraken (dan de geldlening en volmacht) met zijn ouders heeft gemaakt op grond waarvan hij een vordering tot verrekening heeft, treft het beroep op artikel 6:127 BW en 53 FW hetzelfde lot. Dit leidt ertoe dat de vordering om te verklaren voor recht dat [gedaagde] geen beroep op verrekening toekomt op grond van de overeenkomst van 21 september 2011 (onder III primair en subsidiair, volmacht, onder 9), eveneens kan worden toegewezen.

2.13.

[gedaagde] heeft verder geen kwitanties, bankrekeningafschriften of andere schriftelijke bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds 8 mei 2005 de in de huurovereenkomsten overeengekomen huurprijs heeft betaald. [gedaagde] heeft daarvan ook geen concreet bewijsaanbod gedaan. De slotsom is dat sprake is van een huurachterstand vanaf 8 mei 2005. De vordering tot betaling van de achterstallige huurpenningen (onder II subsidiair en huurovereenkomsten wel geldig, onder 6) kan derhalve eveneens worden toegewezen, zoals hierna in het dictum van dit vonnis te vermelden.

2.14.

Gelet op het voorgaande is [gedaagde] in ernstige mate tekort geschoten in de nakoming van de op hem rustende betalingsverplichtingen uit de beide huurovereenkomsten. Deze tekortkoming rechtvaardigt een ontbinding van de beide huurovereenkomsten (zoals gevorderd onder II subsidiair huurovereenkomsten wel geldig, onder 4 en onder 5.A.primair). De kantonrechter ziet aanleiding om (in afwijking van het gevorderde onder II subsidiair huurovereenkomsten wel geldig, onder 5. primair, subsidiair en meer subsidiair) de ontruimingstermijn te bepalen op vier weken na betekening van dit vonnis.

2.15.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] te worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Wagenaar gerezen en tot aan de datum van de uitspraak van dit vonnis in totaal begroot op € 1.456,15, samengesteld uit € 79,15 aan explootkosten, € 77,00 ter zake van griffierecht en € 1.300,00 ter zake van salaris voor de gemachtigde van Wagenaar.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident
:

3.1.

wijst de vordering van Wagenaar af;

3.2.

veroordeelt Wagenaar in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] gerezen en tot aan de datum van uitspraak van dit vonnis begroot op € 100,00 ter zake van salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] ;

in de hoofdzaak:

3.3.

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen aan de [adres gedaagde] te [woonplaats gedaagde] , gemeente Roerdalen;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen 4 weken na betekening van dit vonnis met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Wagenaar te stellen;

3.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan Wagenaar tegen bewijs van kwijting te betalen:

-

over de periode vanaf 8 mei 2005 tot en met 7 mei 2010 een bedrag van € 2.821,00 per maand;

-

over de periode vanaf 8 mei 2010 tot en met de maand september 2012 een bedrag van € 1.499,98 per maand;

-

over de periode vanaf de maand oktober 2012 tot en met de maand augustus 2013 een bedrag van € 1.505,02;

-

voormelde bedragen telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve data der opeisbaarheid tot de dag der voldoening;

-

vanaf de maand september 2013 tot de dag der ontruiming een bedrag van € 1.505,02 per maand;

3.6.

verklaart voor recht dat de ongedateerde overeenkomst van geldlening niet tot stand is gekomen wegens het niet ter beschikking stellen van gelden;

3.7.

verklaart voor recht dat aan [gedaagde] , zowel voor als na datum uitspraak faillissement, geen beroep op verrekening toekomt uit hoofde van de tussen de gefailleerden en [gedaagde] op 21 september 2011 gesloten overeenkomst met de kop “VOLMACHT” en dat aldus sprake is van een bij de curator ter verificatie in te dienen concurrente vordering;

3.8.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Wagenaar gerezen en tot aan de datum van uitspraak van dit vonnis in totaal begroot op € 1.456,15;

3.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.10.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Krens en in het openbaar uitgesproken.

type: FL

coll: