ECLI:NL:RBLIM:2017:4814 Rechtbank Limburg , 24-05-2017 / 5328962 CV EXPL 16-7939

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 5328962 CV EXPL 16-7939

Vonnis van de kantonrechter van 24 mei 2017

in de zaak van


[eiser in oppositie]

wonend te [woonplaats]

eisende partij in oppositie

verder ook te noemen [eiser in oppositie]

gemachtigde mr. L.E.I.K. Jaminon

tegen

STICHTING WAARBORGFONDS MOTORVERKEER

gevestigd te Rijswijk

gedaagde partij in oppositie

verder ook te noemen het waarborgfonds

gemachtigde LAVG gerechtsdeurwaarders.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de inleidende dagvaarding van 20 oktober 2014

-

het verstekvonnis van 10 december 2014

-

de verzetdagvaarding 5 augustus 2016

-

de conclusie van antwoord in oppositie

-

de conclusie van repliek

-

de akte uitlating producties van het waarborgfonds.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eiser in oppositie] is bij het verstekvonnis veroordeeld om aan het waarborgfonds

€ 2.156,58 te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.825 vanaf 28 januari 2014 en de proceskosten. Laatstgenoemd bedrag is de hoofdsom. [eiser in oppositie] is de hoofdsom, zowel volgens de inleidende dagvaarding als volgens het antwoord in oppositie, verschuldigd omdat hij met het waarborgfonds een (betalings)overeenkomst heeft gesloten. [eiser in oppositie] is deze overeenkomst, tot betaling van maandelijks € 50, niet nagekomen zodat de hoofdsom geheel opeisbaar is. Het bedrag daarvan wordt gevormd door de vergoeding die het waarborgfonds heeft betaald aan een derde ter vergoeding van de schade die deze derde had geleden als gevolg van een aanrijding op 24 augustus 2013 door een onverzekerde auto (Citroën Berlingo kenteken [kenteken] ) die op naam van [eiser in oppositie] stond.

2.2.

[eiser in oppositie] legt aan zijn verzet ten grondslag dat hij nooit een overeenkomst met het waarborgfonds tot (terug)betaling van € 1.825 heeft gesloten. Het stuk dat het waarborgfonds ten bewijze daarvan overlegt (productie 1 bij inleidende dagvaarding) is een e-mail waarin een aflossing wordt voorgesteld van € 50 per maand, afkomstig van zijn broer [naam broer] , die vaker op zijn naam overeenkomsten is aangegaan. De bevestiging van de afspraak bij brief van 3 juni 2014 heeft hem nooit bereikt, aldus [eiser in oppositie] . Hij betwist overigens dat hij op de datum van het ongeval de eigenaar was van de betrokken auto, dit was kennelijk DTC Lease. Als de auto op zijn naam stond, althans op naam van de eenmanszaak [naam eenmanszaak] , moet zijn broer daar de hand in hebben gehad. In elk geval was [eiser in oppositie] niet de bestuurder van de auto, dit was (ook volgens het waarborgfonds) een zekere mevrouw [naam] , die hij niet kent. [eiser in oppositie] betwist tot slot, bij gebrek aan wetenschap, de hoogte van de schade en de juistheid van de stelling dat deze aan de derde is vergoed.

3 De beoordeling

3.1.

Het vonnis is niet in persoon betekend. Het vonnis is niet (aan [eiser in oppositie] bekend) ten uitvoer gelegd, althans was dat niet op de hierna te noemen datum. De betekening aan de moeder en huisgenote van [eiser in oppositie] impliceert niet zonder meer - en meer is niet gesteld - de bekendheid van [eiser in oppositie] met de veroordeling. Die blijkt voor het eerst uit de brief van zijn gemachtigde van 19 juli 2016. Het verzet is dan op 15 augustus nét op tijd, want binnen vier weken na deze daad van bekendheid, ingesteld. [eiser in oppositie] wordt in zijn verzet ontvangen.

3.2.

Het waarborgfonds heeft in de procedure in oppositie slechts herhaald, maar tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser in oppositie] niet bewezen noch gemotiveerd aangeboden om te bewijzen, dat partijen de vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. In zoverre kan het vonnis niet in stand blijven en op die grondslag moet de oorspronkelijke vordering alsnog worden afgewezen.

3.3.

Aan de (onbewezen) vaststellingsovereenkomst is uiteraard een feit voorafgegaan, namelijk een ongeval met een onverzekerde auto die op naam van [eiser in oppositie] stond. Daardoor kan een vorderingsrecht van het waarborgfonds op [eiser in oppositie] zijn ontstaan. Onder aanvulling van rechtsgronden gaat de kantonrechter ervan uit dat de vordering van het waarborgfonds en haar verweer in oppositie mede hierop gebaseerd zijn. Het had het waarborgfonds, zeker als instelling die publieke middelen beheert, overigens gepast deze rechtsgrond zelf gemotiveerd aan te voeren in plaats van te leunen op de stellingen van [eiser in oppositie] en te rekenen op de taakopvatting van de kantonrechter.

3.4.

Krachtens art. 27 lid 1 onder b WAM heeft het waarborgfonds het recht van verhaal van door haar betaalde schadevergoeding op (onder andere) degene die zijn verplichting tot verzekering niet is nagekomen met betrekking tot het motorrijtuig waarmee de schade is veroorzaakt. Het waarborgfonds wordt in de gelegenheid gesteld nader uiteen te zetten waardoor de verplichting tot verzekering van de Citroën Berlingo op 24 augustus 2013 op (uitsluitend) [eiser in oppositie] rustte, op welke grond hij, hoewel niet (in enige relatie staand tot) de bestuurder van de auto, schadeplichtig is, wat de toedracht van de aanrijding was en in hoeverre daaruit de verplichting voor het waarborgfonds voortvloeide om de derde schadeloos te stellen, dat zij dit feitelijk gedaan heeft, enzovoorts. Kortom: al wat van belang kan zijn voor de beoordeling van de vordering op de (aangevulde) grondslag van art. 27 lid 1 onder b WAM en/of een andere door het waarborgfonds te noemen grondslag. Vanzelf-sprekend zal [eiser in oppositie] op een latere datum bij akte hierop kunnen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 juni 2017 voor uitlating door het waarborgfonds bij akte over de grondslagen van haar vordering als hiervoor onder 3.4 bedoeld, waarop [eiser in oppositie] op een latere roldatum bij akte zal kunnen antwoorden,

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Unen en in het openbaar uitgesproken.

Verder lezen