ECLI:NL:RBLIM:2017:5489 Rechtbank Limburg , 12-06-2017 / 5897232 AZ VERZ 17-51, 5909470 AZ VERZ 17-55

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

zaaknummers 5897323 AZ VERZ 17-51 en 5909470 AZ VERZ 17-55

Beschikking van 12 juni 2017

in de zaak van


[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek]

,

wonend te [woonplaats] ,

verzoekende partij, tevens verwerende partij in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. Z.N. Daniëls-Ashruf,

tegen:


[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] ,

h.o.d.n. [handelsnaam],

zaak doend te [vestigingsplaats] ,

verwerende partij, tevens verzoekende partij in het tegenverzoek,

gemachtigde mr. C.A.M. Lemeer-Smeets.

Partijen zullen hierna [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] en [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met het nummer 5897323 AZ VERZ 17-51:

-

het verzoekschrift met 11 bijlagen, ingekomen op 12 april 2017

-

het verweerschrift met 6 bijlagen, ingekomen op 16 mei 2017

-

de “akte houdende wijziging van eis 23 mei 2017”, ingekomen op 23 mei 2017

in de zaak met het nummer 5909470 AZ VERZ 17-55:

-

het verzoekschrift van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] met vijf bijlagen

-

het verweerschrift van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] met één bijlage

in beide zaken:

- de mondelinge behandeling op 23 mei 2017, waarbij namens [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] een pleitnota is overgelegd.

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] is op 1 april 2013 op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] in dienst getreden in de functie van algemeen medewerker. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 november 2014 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het overeengekomen loon bedraagt laatstelijk

€ 1.435,72 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld.

2.2.

[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] en [naam leidinggevende] (hierna [naam leidinggevende] ) hebben de dagelijkse leiding in de door [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] geëxploiteerde onderneming (een hotelboot).

2.3.

Op 18 februari 2017 zou [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] vanaf ongeveer 14.00 uur haar werkzaamheden voor [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] aanvangen. Circa twee uur voor aanvang van haar dienst heeft [naam leidinggevende] haar telefonisch aangesproken op fouten die zij de dag daarvoor tijdens haar werk gemaakt had.

2.4.

Omstreeks 14.00 uur was [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op 18 februari 2017 op haar scooter bij de onderneming van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] gearriveerd. Op dat moment zat de dienst van [naam leidinggevende] er op. [naam leidinggevende] bevond zich toen in het bargedeelte van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] samen met [naam werknemer] , een werknemer van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] wiens dienst eveneens was afgelopen die dag. Beiden hadden op dat moment na afloop van hun werk alcohol gedronken.

2.5.

Nadat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] was gearriveerd, vond er een woordenwisseling plaats tussen haar en [naam leidinggevende] . [naam leidinggevende] verzocht toen [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] de werkplek te verlaten, hetgeen [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] geweigerd heeft. [naam leidinggevende] belde daarop de politie. Na aankomst van de politieagent verliet [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] de werkplek en nam daarbij haar scooter mee.

2.6.

Op 20 februari 2017 heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] haar werkzaamheden willen hervatten. [naam leidinggevende] heeft haar dit niet toegestaan en haar weggestuurd.

2.7.

Bij brief van 20 februari 2017 heeft [naam leidinggevende] [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op staande voet ontslagen en daarvoor de volgende redenen gegeven:

“De redenen voor dit ontslag zijn, dat u op zaterdag 18 februari 2017 onder invloed van alcohol op uw werk verscheen en vervolgens weigerde de zaak te verlaten, ondanks mijn dringende verzoek aan u daartoe, waarna ik de politie heb moeten bellen waarna u mij in het bijzijn van 2 politieagenten bedreigd en uitgescholden heeft.

U kwam zaterdagmiddag 18 februari jl. al op de zaak binnen waarbij voor mij en enkele andere aanwezigen, duidelijk zichtbaar en merkbaar was dat u onder invloed van alcohol verkeerde. Ik sprak u die middag meteen aan op een aantal grove fouten die u op vrijdag 17-02-2017 tijdens de uitvoering van uw werkzaamheden gemaakt had. Uw reactie was dusdanig verbaal agressief dat ik u heb verzocht om de zaak te verlatenen en u op maandag 20-02-2017 met uitleg weer te melden.

U zei toen echter dat u niet van plan was vrijwillig te vertrekken en dat ik de politie maar moest bellen. Nadat ik u nog enkele malen gesommeerd heb het pand te verlaten, heb ik inderdaad de politie maar gebeld. De politie arriveerde, heeft even met mij en u apart gesproken en u vervolgens naar buiten begeleid toen u mij in het bijzijn van de politieagenten begon te bedreigen en uit te schelden.

Vanmorgen om 8.30u heeft u zich gemeld maar heeft u op geen enkele wijze uitleg gegeven aan- of excuses aangeboden voor uw gedrag van afgelopen zaterdag. U heeft dus geen gebruik gemaakt van de gelegenheid uw kant van het verhaal te vertellen. Dat is uiteraard onacceptabel. Ik heb u toen dan ook medegedeeld dat ik u niet meer op de werkvloer tolereerde en heb vervolgens tot nader order geschorst.

Bovengenoemde redenen vormen elk afzonderlijk maar ook in samenhang een dringende reden voor dit ontslag op staande voet.”

2.8.

Bij brief van 27 februari 2017 heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] aangevoerd dat zij het niet eens is met het ontslag op staande voet en heeft zij [naam leidinggevende] medegedeeld dat zij beschikbaar is voor het verrichten van de bedongen arbeid.

2.9.

Bij e-mailbericht van 6 maart 2017 heeft [naam leidinggevende] aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] medegedeeld dat hij het ontslag op staande voet handhaaft.

3 Het geschil

3.1.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] verzoekt (na wijziging van haar verzoek bij “akte”) [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen:

  1. tot betaling van een billijke vergoeding van € 35.000,00 bruto

  2. tot betaling van een gefixeerde vergoeding van € 2.049,62 bruto

  3. tot betaling van een transitievergoeding van € 2.067,44 bruto

  4. tot betaling van het loon van € 63,48 bruto en het restant aan vakantietegoed van € 1.229,23 bruto

  5. tot verstrekking van een deugdelijke bruto-/nettospecificatie waarin de betalingen onder a. tot en met d. zijn verwerkt

  6. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten

  7. tot betaling van de wettelijke rente over de onderdelen a. tot en met d.

  8. tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] voert verweer.

3.3.

[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] verzoekt [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.048,98, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.4.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] voert verweer.

3.5.

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader ingegaan worden.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de arbeidsovereenkomst van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] terecht op 20 februari 2017 op grond van een dringende reden onverwijld is opgezegd. Voor de beoordeling van dit geschilpunt is bepalend wat in de brief van die datum aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] als dringende reden is medegedeeld.

4.2.

[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] stelt zich in de brief van 20 februari 2017 op het standpunt dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] onder invloed van alcohol op het werk arriveerde op 18 februari 2017 om 14.00 uur.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft gemotiveerd betwist dat zij onder invloed van alcohol op het werk arriveerde.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting ligt het op de weg van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] om aan te tonen dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] onder invloed van alcohol was op 18 februari 2017 omstreeks 14.00 uur. Daarin is [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] niet geslaagd. [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] verwijst ter onderbouwing van haar stelling slechts naar een schriftelijke verklaring van [naam werknemer] waarin deze verklaart te hebben gezien dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op haar scooter zwalkend de toegangsbrug naar de Hotelboot afreed en zich tijdens het stallen van de scooter nauwelijks staande kon houden. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft daartegen aangevoerd dat [naam leidinggevende] en [naam werknemer] toen aan de bar zaten en vanuit die positie niet hebben kunnen zien op welke wijze zij kwam aanrijden en haar scooter stalde. Zij betwist de stellingen van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] op dit punt. De kantonrechter is van oordeel dat, zelfs indien de verklaring van [naam werknemer] juist is, daaruit niet zonder meer blijkt dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] onder invloed van alcohol op haar werk arriveerde. Het gegeven dat [naam werknemer] van enige afstand bezien heeft geconstateerd dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] zwalkend reed en moeite had zich staande te houden bij het stallen van de scooter is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat zij op dat moment onder invloed van alcohol verkeerde. [naam werknemer] heeft niet daarna uit eigen waarneming kunnen constateren dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] onder invloed van alcohol verkeerde, aangezien uit zijn verklaring blijkt dat hij nadat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] was gearriveerd is vertrokken omdat hij “geen zin had om de confrontatie tussen die twee mee te maken”. Bij gebreke van een nadere onderbouwing door [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] is derhalve niet vast komen te staan dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op 18 februari 2017 onder invloed van alcohol op haar werk arriveerde.

4.3.

De kantonrechter stelt voorop dat indien een werknemer zijn direct leidinggevende uitscheldt, bedreigt en verbaal agressief bejegent, dit een dringende reden voor onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst kan opleveren. Volgens [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] toen de twee politieagenten waren gearriveerd tegen [naam leidinggevende] dingen geroepen in de trant van “Maf, ik krijg je nog wel, ik pak je nog wel.” [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] stelt dat zij weliswaar fel gereageerd heeft tijdens de woordenwisseling met [naam leidinggevende] , maar dat van bedreigen en uitschelden geen sprake geweest is en dat zij dus niet dergelijk dingen als door [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] gesteld heeft geroepen. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op deze betwisting [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] dient aan te tonen dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] [naam leidinggevende] heeft bedreigd en uitgescholden. Daarin is [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] niet geslaagd. In wezen is het in deze zaak het woord van [naam leidinggevende] tegen [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] en de kantonrechter ziet geen grond om meer waarde te hechten aan hetgeen [naam leidinggevende] heeft verklaard dan aan de verklaringen van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] . [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] heeft nog bewijs aangeboden door het horen van [naam leidinggevende] als getuige. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd. [naam leidinggevende] is immers reeds gehoord bij gelegenheid van de mondelinge behandeling.

4.4.

Volgens [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op 20 februari 2017 geen uitleg gegeven en/of excuses gemaakt voor hetgeen op 18 februari 2017 is gebeurd. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft daartegen aangevoerd dat zij daartoe niet de kans kreeg. Zij stelt dat nadat zij was gearriveerd op haar werk [naam leidinggevende] haar onmiddellijk heeft weggestuurd. In reactie hierop heeft [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] aangevoerd dat, nadat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op 20 februari 2017 arriveerde, het meteen duidelijk was dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] niet wilde terugkomen op het voorval van 18 februari 2017 en gewoon weer aan het werk wilde gaan. De kantonrechter is van oordeel dat in het midden kan blijven of [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] (althans [naam leidinggevende] ) [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] voldoende gelegenheid heeft gegeven om uitleg te geven of excuses aan te bieden. Zelfs indien [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] voldoende gelegenheid daartoe heeft gehad en geen excuses heeft aangeboden en/of uitleg heeft gegeven, is dat in het licht van de overwegingen in 4.2 en 4.3 onvoldoende om te concluderen dat dit een dringende reden voor onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst oplevert. Niet is immers komen vast te staan dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] onder invloed van alcohol verkeerde op 18 februari 2017 en [naam leidinggevende] heeft bedreigd of uitgescholden.

4.5.

Op grond van voorgaande overwegingen moet worden geoordeeld dat er op 20 februari 2017 geen dringende reden was voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] . De arbeidsovereenkomst is derhalve in strijd met art. 7:671 BW opgezegd. Op grond van art. 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW zal de kantonrechter derhalve een billijke vergoeding aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] toekennen. Ten aanzien van de hoogte van de aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] toe te wijzen vergoeding wordt als volgt overwogen. [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] heeft zonder dringende reden de arbeidsovereenkomst met [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] opgezegd. Dat, zoals [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft betoogd, dit een behoorlijke impact op haar gehad heeft, neemt de kantonrechter zonder meer aan. Voorts is [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] door de opzegging niet alleen haar werk maar ook haar vaste inkomstenbron kwijtgeraakt. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft thans weliswaar een andere baan gevonden, maar dit betreft werk op uitzendbasis en tegen een aanzienlijk lager loon (bijlage 9). Anders dan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft betoogd, is niet gebleken dat [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] bewust op een conflictsituatie heeft aangestuurd om zodoende de arbeidsovereenkomst met haar te kunnen opzeggen. Het feit dat [naam leidinggevende] [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op 18 februari 2017 heeft gebeld om haar aan te spreken op door haar gemaakte fouten tijdens een eerdere dienst duidt daar in ieder geval niet op. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] had immers inderdaad fouten gemaakt bij een eerdere dienst en het ligt dan in de rede dat [naam leidinggevende] als haar leidinggevende haar daar (bijvoorbeeld telefonisch) op aan spreekt. Dit alles overziend en rekening houdend met het feit dat aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] (ook) een gefixeerde schadevergoeding van € 2.048,98 zal worden toegewezen (zie rechtsoverweging 4.6.) acht de kantonrechter een vergoeding van € 6.000,00 bruto billijk. [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Voorts zal zij worden veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2017 (de dag van ontvangst van het verzoekschrift) tot de dag van voldoening.

4.6.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] verzoekt voorts aan haar de gefixeerde schadevergoeding toe te kennen op grond van art. 7:672 lid 9 BW. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de berekening van deze vergoeding dient te worden uitgegaan van de hoogte van het loon inclusief 8% vakantiebijslag over de periode 20 februari 2017 tot 1 april 2017. Het maandloon inclusief vakantiebijslag bedraagt € 1.550,58 bruto. [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] zal derhalve worden veroordeeld tot betaling van een bruto vergoeding van € 2.048,98 (1 9/28 x € 1.550,58). Er is geen grond voor toewijzing van het door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] verzochte hogere bedrag. De wettelijke rente over € 2.048,98 zal op grond van art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 20 februari 2017 tot de dag van voldoening.

4.7.

[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] zal voorts worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] . De transitievergoeding bedraagt 7 x 1/6 x € 1.550,58 = € 1.809,01 bruto. Hierbij is uitgegaan van een looptijd van de arbeidsovereenkomst van 1 april 2013 tot 20 februari 2017. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] is in haar berekening ten onrechte uitgegaan van een dienstverband tot 1 april 2017. Er is derhalve geen grond voor toewijzing van het door haar verzochte hogere bedrag. De wettelijke rente over € 1.809,01 bruto zal op grond van art. 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 20 maart 2017 tot de dag van voldoening.

4.8.

Ter onderbouwing van onderdeel d. van haar verzoek heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] aangevoerd dat zij over de periode 1 tot 20 februari 2017 € 988,07 brutoloon ontvangen heeft, terwijl zij over die periode recht heeft op € 1.051,55 bruto. Het verweer van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] over voornoemde periode € 998,07 brutoloon inclusief vakantiebijslag heeft ontvangen slaagt. Dit blijkt immers uit de door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] zelf in het geding gebrachte bijlage 11.

Over de periode 1 tot 20 februari 2017 heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] recht op € 1.052,18 brutoloon inclusief vakantiebijslag (19/28 x € 1.550,58). Hieruit volgt dat [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] zal worden veroordeeld tot betaling van het restantloon over die periode van € 54,11 bruto inclusief vakantiebijslag (€ 1052,18 - € 998,07). De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 1 maart 2017 tot de dag van voldoening.

4.9.

Onderdeel d. bevat voorts het verzoek van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] om [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] te veroordelen tot betaling van door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] niet-genoten vakantiedagen. Zij stelt dat zij per jaar 175,03 vakantie-uren heeft opgebouwd en dat zij ten tijde van het einde van arbeidsovereenkomst nog recht had op 103,03 vakantie-uren over 2016 en 27,32 vakantie-uren over 2017.

4.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op jaarbasis 175,03 vakantie-uren heeft opgebouwd. Bij de berekening van het tegoed aan vakantie-uren over 2016 en 2017 gaat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] ervan uit dat zij per dag 7,2 uur werkt. Dit is (impliciet) door [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] betwist aangezien [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] in haar berekening uitgaat van een achturige werkdag. Door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] is hier ter zitting niet meer op gereageerd. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een achturige werkdag. Hieruit volgt dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] op jaarbasis en derhalve in 2016 (afgerond) 21,9 verlofdagen heeft opgebouwd.

4.11.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] stelt dat zij over de periode van 1 januari 2017 tot en met 19 februari 2017 in totaal 27,32 vakantie-uren heeft opgebouwd: 14,58 (175,03 : 12) uur over januari en 12,74 uur over februari. De berekening van de in februari 2017 opgebouwde vakantie-uren van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] moet voor onjuist worden gehouden. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] gaat in haar berekening enerzijds uit van werkdagen en anderzijds van kalenderdagen en doet dat op zo’n inconsequente manier dat dit tot een voor haar te gunstige en voor de kantonrechter onnavolgbare uitkomst leidt. Vast staat dat maandelijks 14,58 uur vakantie opgebouwd wordt. Over de maand februari zou [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] dan 9,89 uur (14,58 : 28 x 19) opgebouwd hebben. Hieruit volgt dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] naar het oordeel van de kantonrechter over de periode van 1 januari 2017 tot en met 19 februari 2017 in totaal 24,47 vakantie-uren opgebouwd zou hebben. In haar verweer gaat [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] evenwel uit van 3,2 opgebouwde vakantiedagen over die periode, hetgeen neerkomt op 25,6 uur. Omdat dit aantal opgebouwde vakantie-uren over 2017 niet betwist is, zal de kantonrechter daarom van dat aantal uitgaan. Er is geen grond voor het hogere door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] bepleite aantal. In totaal heeft [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] derhalve over de 2016 en de periode 1 januari 2017 tot en met 19 februari 2017 25,1 vakantiedagen opgebouwd.

4.12.

[verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft voorts aangevoerd dat zij in 2016 10 werkdagen vakantie heeft genoten en in 2017 in het geheel geen vakantie heeft gehad. Die stelling heeft [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] met succes betwist. [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] heeft namelijk loonspecificaties overgelegd waarop staat vermeld hoeveel vakantiedagen [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft genoten. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft erkend die loonspecificaties zelf van een handtekening voorzien te hebben. Uit die loonspecificaties blijkt dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] in 2016 in totaal 16 vakantiedagen heeft gehad in en in 2017 in totaal 6 vakantiedagen. [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft ter zitting erkend dit aantal vakantiedagen opgenomen te hebben. Zij heeft evenwel betoogd dat de in 2016 en 2017 opgenomen vakantiedagen feitelijk de vakantiedagen waren die zij in de jaren daarvoor had opgebouwd. De kantonrechter verwerpt dit betoog. Niet alleen staat het haaks op het eerder door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] ingenomen standpunt zodat deze nieuwe stelling weinig geloofwaardig wordt geacht, maar [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] heeft ook geen verdere onderbouwing daarvan kunnen geven. Vaststaat derhalve dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] over 2016 in totaal 16 vakantiedagen en over 2017 in totaal 6 vakantiedagen heeft genoten.

4.13.

Op grond van voorgaande overwegingen staat vast dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] ten tijde van het einde van de arbeidsovereenkomst nog recht had op 3,1 vakantiedagen (25,1 – 22). Tussen partijen is niet in geschil dat het bruto-uurloon € 9,43 bedroeg. Hieruit volgt dat [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] zal worden veroordeeld tot betaling van € 233,86 bruto (3,1 x 8 x € 9,43). De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 1 maart 2017 tot de dag van voldoening.

4.14.

Onderdeel e. van het verzoek van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] zal worden toegewezen.

4.15.

Het verzoek van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Niet is gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden ter verkrijging van voldoening buiten rechte hebben plaatsgevonden.

4.16.

Het (tegen)verzoek van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] om [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 2.048,98 bruto (te vermeerderen met de wettelijke rente) is gebaseerd op art. 7:677 lid 2 BW. Ingevolge die bepaling is de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen aan die wederpartij een vergoeding verschuldigd indien de wederpartij van die bevoegdheid tot opzegging gebruik gemaakt heeft. Het verzoek van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] zal worden afgewezen aangezien niet is komen vast te staan dat [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] aan [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

4.17.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] tot op heden begroot op:

-

griffierecht € 78,00

-

salaris gemachtigde € 400,00

Totaal: € 478,00.

De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na heden tot de dag van voldoening.

4.18.

[verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] heeft verzocht de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij heeft evenwel niet gesteld dat en welk belang zij daarbij heeft. Het belang van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] bij de verzochte uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beschikking is evident. Voorts ziet de kantonrechter geen beletsel in de wet of de aard van de zaak om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Deze beschikking zal derhalve voor zover [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] daarbij wordt veroordeeld tot betaling aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] en tot verstrekking van bruto-/nettospecificaties uitvoerbaar bij voorraad verklaard zal worden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] om aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] te betalen:

-

€ 6.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 april 2017 tot de dag van voldoening

-

€ 2.048,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 februari 2017 tot de dag van voldoening

-

€ 1.809,01 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 maart 2017 tot de dag van voldoening

-

€ 54,11 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente 1 maart 2017 tot de dag van voldoening

-

€ 233,86, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2017 tot de dag van voldoening

5.2.

veroordeelt [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] om binnen twee dagen na dagtekening van deze beschikking aan [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] deugdelijke netto-/brutospecificaties te verstrekken waarin de in 5.1. vermelde bedragen zijn verwerkt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] hiermee in gebreke blijft, tot een maximumbedrag van € 10.000,00,

5.3.

veroordeelt [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] tot op heden begroot op € 478,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking tot de dag van voldoening,

5.4.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders door [verzoekster, tevens verweerster in het tegenverzoek] verzochte af,

5.6.

wijst het verzoek van [verweerster, tevens verzoekster in het tegenverzoek] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.H.J. Otto en is in het openbaar uitgesproken.

Type: RW