ECLI:NL:RBLIM:2017:5583 Rechtbank Limburg , 14-06-2017 / AWB - 15 _ 519

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB/ROE 15/519

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2017 in de zaak tussen


[eiser], te [woonplaats], eiser

(wettelijk vertegenwoordiger: [vader van eiser])

(gemachtigde: mr. A.J.E. Verschuren),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, verweerder

(gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om toekenning van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2015. Voor eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger gemeente]. Mr. A.W. Oosterman, één van de behandelend rechters, heeft vervolgens vóórdat er uitspraak kon worden gedaan onvoorzien de rechtbank verlaten en

is hierna vervangen door mr. E.P.J. Rutten. Omdat er van de zijde van eiser geen toestemming is gegeven voor afdoening van de zaak zonder nadere zitting heeft er op

22 maart 2017 opnieuw een onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Eiser is vertegenwoordigd door zijn vader en wettelijk vertegenwoordiger [vader van eiser] en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 2].

Overwegingen

1. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag namens eiser ([voornaam], geboren op [geboortedatum] 2013 en bekend met een ernstige chronische longaandoening) om toekenning van een financiële tegemoetkoming ter realisering van een woningaanpassing (aanbouw) van de woning, gelegen aan [adres 1] op grond van de Wmo afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de kosten van de woningaanpassing het in het gemeentelijk Besluit vastgestelde bedrag van € 6.500,- overschrijden en daarom op juiste gronden gekozen is voor het primaat te verhuizen naar de woning gelegen aan [adres 2] onder toekenning van een financiële tegemoetkoming ter hoogte van € 4.540,- in de verhuiskosten. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn in het primair besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

3. De ouders van eiser hebben zich met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben daartoe in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat er in het onderhavige geval noodzaak bestaat tot het toepassen van de hardheidsclausule. Ter onderbouwing wordt onder andere verwezen naar het rapport van de MO-zaak van 13 mei 2014, waarin wordt aangegeven dat zowel het aanpassen van de huidige woning als het verhuizen naar een andere woning een adequate oplossing kunnen vormen, maar dat daarbij tevens rekening dient te worden gehouden met het feit dat het gezin net een verhuizing achter de rug heeft, die al veel onrust heeft gecreëerd. Naast eiser, waarvoor de in geding zijnde woningaanpassing is gevraagd, zijn er nog twee kinderen in het gezin die het naar hun zin hebben op hun huidige school. Bovendien bevindt het netwerk van de vader zich in de buurt van de huidige woning, die recentelijk opgeknapt is. De ouders van vader en de moeder van de moeder van eiser wonen in de buurt en ondersteunen het gezin door beide andere kinderen op te vangen. Dit geldt ook voor de vader van de beide andere kinderen en de buurman. Uit zowel het primaire als het bestreden besluit valt niet af te leiden dat met de omstandigheden zoals door de MO-zaak aangegeven rekening is gehouden. Er wordt enkel acht geslagen op de financiële belangen. Door te verhuizen naar de woning aan [adres 2] zullen de ouders constant apart dienen te slapen. Verder nemen de ouders de volledige zorg voor eiser voor hun rekening en ontvangen zij slechts een uitkering, waarvan zij met het hele gezin rond dienen te komen. De ouders kunnen de kosten van de verhuizing en de dubbele woonlasten niet dragen.

4. In aanloop naar de tweede zitting is namens eiser nog aangevoerd dat verweerder, gelet op de ernstige problematiek van eiser, onvoldoende heeft laten onderzoeken of de woning aan [adres 2] geschikt was, zodat onvoldoende vast staat of de woning al dan niet geschikt was. Gelet daarop was er op de datum in geding geen geschikte woning voorhanden, zodat het verhuisprimaat niet kan worden tegengeworpen.

5. In verweer is vervolgens naar voren gebracht dat er tijdens een bezichtiging van de woning een vochtproblematiek in de aanbouw van de woning werd geconstateerd, waarop door de eigenaar (Heem Wonen) in de periode van 21 juli 2014 tot 22 september 2014 aantoonbaar maatregelen zijn getroffen om de vochtproblematiek op te lossen.

6. De rechtbank gaat voor de beoordeling uit van het navolgend wettelijk kader.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wmo is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen, die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren en zich te verplaatsen in en om de woning. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Wmo houdt het college daarbij rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

In artikel 5, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vaststelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Kerkrade uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade (de Verordening).

Op grond van het bepaalde in artikel 34 van voornoemde Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is om één of meer van voornoemde beperkingen van een persoon in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie op te heffen en deze als goedkoopst compenserende voorziening is aan te merken.

Wat betreft het aspect goedkoopst adequate voorziening is in artikel 10, tweede lid, van de Verordening met betrekking tot een woningaanpassing bepaald dat bij een aanvraag op dat vlak het verhuisprimaat wordt toegepast indien de aanpassing van de woning een in het gemeentelijk Besluit vastgesteld bedrag van €6.500,- te boven gaat.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

8. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), zie de uitspraak van 14 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1662, blijkt dat het verhuisprimaat als zodanig niet in strijd is met de artikelen 4 en 5 van de Wmo. Dit laat echter onverlet dat de vraag of de toepassing van dit primaat in een concreet geval een voorziening is die voldoet aan de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo bedoelde compensatieplicht slechts kan worden beantwoord op grond van een onderzoek naar de beperkingen van de aanvrager, de bouw- en woon-technische kenmerken van zijn woning en alle andere voor die beoordeling relevante feiten en omstandigheden, waaronder de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudiger aan te passen andere woonruimten.

9. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag in verband met realisatie van een aanbouw ten behoeve van eiser het op grond van artikel 5 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade vastgestelde bedrag van € 6.500,- ruimschoots overschrijdt en dat verweerder gelet daarop gerechtigd was op grond van het bepaalde in de artikelen 34, eerste lid en artikel 10 van de Verordening het verhuisprimaat toe te passen rekening houdend met de criteria zoals omschreven onder 8.

10. Gezien deze criteria is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder het verhuisprimaat in het besluit van 22 september 2014 ten onrechte of onjuist heeft gehanteerd. Niet aannemelijk is immers geworden c.q. aangetoond dat niet op verantwoorde wijze in de zorg van eiser had kunnen zijn voorzien bij verhuizing naar de woning aan [adres 2]. Daarbij acht de rechtbank van wezenlijk belang dat de aanbouw bij de woning aan [adres 2] voldoet aan hetgeen in het Programma van Eisen (PvE), behorende bij het advies van de MO-zaak van 13 mei 2014 wordt gesteld (zie gedingstukken B 116 en A 9-1). Ten aanzien van de tijdens een bezichtiging van de woning (op 21 juli 2014) geconstateerde vochtproblematiek in de aanbouw is gebleken dat deze indertijd meteen is aangepakt (22 juli 2014) en opgelost was tegen de tijd dat verweerder het primaire besluit nam. Verder blijkt uit een door bouwkundig adviseur Meijs van Scio Consult opgestelde plattegrond dat door middel van enkele kleine aanpassingen met betrekking tot de inrichting van de aanbouw het mogelijk moet zijn om een standaard tweepersoonsbed in de aanbouw te plaatsen (zie productie 2 bij het verweerschrift van

20 april 2015, gedingstuk A 9-2) zodat de ouders niet apart zouden hoeven te slapen.

Ten aanzien van de eerst ter zitting van 22 maart 2017 aangevoerde grief dat de ruimte voor eiser een constant klimaat moet hebben met een goede luchtcirculatie en luchtvochtigheid (zie verklaring van ergotherapeut Vanstipelen en revalidatie-arts Jaeken d.d. 21 maart 2014, gedingstukken B 131 en B132) overweegt de rechtbank dat deze vereisten niet zijn opgenomen in het PvE en weliswaar gesteld, maar niet aangetoond is dat de woning aan [adres 2] niet zou voldoen aan deze vereisten. Daarnaast is gebleken dat verweerder, in tegenstelling tot hetgeen namens eiser hierover is gesteld, wel rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden. Zo blijkt uit onderzoek van verweerder dat de moeder van eiser tezamen met haar eerste twee kinderen vanaf 2 december 2009 tot

5 april 214 heeft gewoond in de woning aan [adres 3]. In april 2014 is de moeder met haar kinderen verhuisd naar de woning aan [adres 1], welke woning gelegen is aan de overkant van de woning aan [adres 3]. Gelet hierop hebben de eerste twee kinderen van de moeder van eiser als gevolg van deze verhuizing niet van school moeten wisselen. Echter ook bij een verhuizing naar [adres 2] zouden de kinderen niet van school hebben moeten wisselen. Verder is er door verweerder ook gekeken naar de kwantiteit en kwaliteit van opvang door grootouders en de afstand naar de woning van de vader van de eerste twee kinderen die tot de woning aan [adres 2] 3,76 km in plaats van 2,29 km bedraagt. Van andere mantelzorg is niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder acht heeft geslagen op de sociale consequenties van een verhuizing en de mogelijkheden van mantelzorg. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Er is niet gebleken van dusdanige bijzondere omstandigheden die noodzaken tot toepassing van de hardheidsclausule, waaraan de rechtbank nog toevoegt dat ter zitting is gebleken en door de vader van eiser ook desgevraagd is bevestigd dat er in december 2016 door verweerder een bouwvergunning is afgegeven voor het realiseren van een aanbouw aan de woning van [adres 1], waarbij door middel van ‘crowd-funding’ en sponsors getracht wordt de kosten van de aanbouw te bekostigen.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.EA. Willemsen (voorzitter), en

mr. M.A.H. Span-Henkens en mr. E.P.J. Rutten, leden, in aanwezigheid van

mr. I.M.T. Wijnands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op: 14 juni 2017

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.