ECLI:NL:RBLIM:2017:6026 Rechtbank Limburg , 26-06-2017 / 5909244/AZ/17-81 26062017

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5909244 \ AZ VERZ 17-81

Beschikking van de kantonrechter van 26 juni 2017

in de zaak van:


[werkneemster]
,

wonend [adres werkneemster] ,

[woonplaats werkneemster] ,

werkneemster

gemachtigde mr. M.J.M. Houben,

verzoekende partij in het verzoek,

verwerende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BENU APOTHEKEN B.V.,

gevestigd te Maarssen,

werkgever

gemachtigde mr. P.P.M. Wijnands,

verwerende partij in het verzoek,

verzoekende partij in het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek.

Partijen zullen hierna [werkneemster] en BENU worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 18 april 2017 ter griffie ontvangen verzoekschrift,

tevens houdend een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen Rv),

- het verweerschrift, tevens houdend een zelfstandig verzoek,

- de mondelinge behandeling d.d. 12 juni 2017.

1.2.

Daarna is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

[werkneemster] , geboren op [geboortedag werkneemster] 1954 is op 22 maart 1993 bij (een rechtsvoorganger van) BENU in dienst getreden en vervulde laatstelijk de functie van apothekersassistente tegen een loon van € 1.498,98 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten. [werkneemster] is werkzaam in een van de apotheken van BENU te Posterholt.

2.2.

De cao Apotheken is van toepassing op de arbeidsovereenkomst.

2.3.

In de apotheek waar [werkneemster] werkzaam is, is geconstateerd dat er gelden worden vermist die aan BENU toebehoren. Aan deze constatering liggen de volgende feiten ten grondslag.

2.4.

[beherend apotheker] (hierna te noemen [beherend apotheker] ), beherend apotheker van BENU’s apotheekfiliaal te Posterholt, werd door een collega van [werkneemster] geïnformeerd omtrent het bij deze collega gerezen vermoeden dat [werkneemster] geld uit de kassa van de apotheek heeft weggenomen. [beherend apotheker] heeft vervolgens de camerabeelden van de apotheek bekeken en als gevolg hiervan de verantwoordelijke regiomanager, [regiomanager] (hierna te noemen [regiomanager] ), op de hoogte gesteld. [regiomanager] heeft vervolgens de directie van BENU, kantoorhoudende te Maarssen, geïnformeerd. De directie van BENU heeft vervolgens nader onderzoek laten verrichten door BENU’s manager bedrijfsbeveiliging, bijgestaan door een extern recherchebureau. Voor dit onderzoek werden de camerabeelden bekeken en werden [beherend apotheker] , de collega-apothekersassistente waarvan de melding afkomstig was en [werkneemster] gehoord. Op 23 februari 2017 werd een rapportage van het onderzoek overgelegd.

In dit rapport is de volgende conclusie opgenomen: “Vastgesteld is dat mevrouw [werkneemster] , gedurende een periode van minimaal één jaar, tijdens haar dienstverband bij betreffende apotheek, meerdere keren, geld afkomstig uit de kassa, uit de apotheek heeft verduisterd dan wel gestolen. Het weggenomen geld is eigendom van BENU apotheek en mevrouw [werkneemster] had van niemand toestemming gekregen om zich dit geld toe te eigenen. Mevrouw [werkneemster] had het geld dat zij verduisterde, dan wel wegnam, uit hoofde van haar dienstbetrekking bij BENU apotheek onder zich.”

In het gesprek met [werkneemster] op 21 februari 2017, waarvan een gespreksverslag is opgenomen dat in de stukken als bijlage is bijgevoegd, heeft [werkneemster] bekend dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

2.5.

BENU heeft, als gevolg hiervan, [werkneemster] op 21 februari 2017 op staande voet ontslagen wegens de vermeende dringende reden, diefstal.

3 Het geschil

3.1.

[werkneemster] verzoekt bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

Bij wijze van voorlopige voorziening:

- Voor de duur van het geding BENU te veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van het salaris c.q. ziektegeld van € 1.709,13 bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 21 februari 2017 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd en [werkneemster] in staat te stellen om de bedongen en/of aangepaste arbeid te verrichten voor zover haar ziekte dit toelaat en haar te begeleiden bij de ziekte onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat BENU in gebreke blijft, dan wel een andere in goede justitie te nemen beslissing;

Primair:

-

Het ontslag op staande voet te vernietigen;

-

BENU te verplichten om [werkneemster] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen en/of aangepaste werkzaamheden voor zover haar ziekte/ziek zijn dat toelaat ter beoordeling aan de bedrijfsarts, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag dat BENU daarmee in gebreke blijft;

-

BENU te veroordelen tot betaling van het loon c.q. ziektegeld van [werkneemster] vanaf 21 februari 2017 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

Subsidiair:

-

BENU te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan [werkneemster] zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

-

Aan [werkneemster] een transitievergoeding toe te kennen zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift ten laste van BENU, dan wel een andere te bepalen transitievergoeding;

-

Aan [werkneemster] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift zijnde vier maanden bruto loon, zijnde 4 x € 1.709,13, aldus een bedrag van € 6.836,52 bruto ten laste van BENU alsmede de vergoeding wegens het in acht nemen van de juiste dag waartegen opgezegd had kunnen worden, dan wel een door de kantonrechter te bepalen vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn;

Meer subsidiair:

- Voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd door het ontslag op staande voet aan [werkneemster] een transitievergoeding toe te kennen zoals vermeld onder punt 8 van het verzoekschrift ten laste van BENU;

Primair, subsidiair en meer subsidiair:

-

BENU te veroordelen tot betaling aan [werkneemster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

-

Een andere in goede justitie te nemen beslissing;

-

BENU te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2.

BENU heeft verweer gevoerd en verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad alle verzoeken van [werkneemster] af te wijzen.

3.3.

Bij wijze van zelfstandig verzoek wordt door BENU verzocht de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] (voorwaardelijk) te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen BW) primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, BW en subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW.

3.4.

[werkneemster] heeft verweer gevoerd en verzoekt bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad primair het verzoek van BENU af te wijzen, subsidiair in geval van toewijzing van het verzoek van BENU, om toekenning van de transitievergoeding, de billijke vergoeding alsmede om toekenning van het loon c.q. ziektegeld tot datum einde arbeidsovereenkomst en bij de te late betaling de maximale wettelijke verhoging ad 50%.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover relevant – nader ingegaan.

4 De beoordeling

Het verzoek van [werkneemster] tot het vernietigen van het ontslag op staande voet

4.1.

[werkneemster] heeft de onderliggende verzoeken tijdig ingediend, omdat deze zijn ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door BENU is beëindigd (artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

4.2.

Het geschil van partijen betreft de vraag of het door BENU aan [werkneemster] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd.

4.3.

Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op grond van een dringende reden op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor BENU als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [werkneemster] , die ten gevolge hebben dat van BENU redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van [werkneemster] , zoals haar leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

4.4.

De dringende reden die is meegedeeld en dus moet worden beoordeeld, is blijkens de ontslagbrief van 22 februari 2017 – zakelijk weergegeven – dat [werkneemster] gedurende drie à vier maanden geld ontvreemd heeft uit de kassa van de apotheek.

4.5.

[werkneemster] heeft hiertegen verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat deze dringende reden niet toerekenbaar is omdat zij lijdt aan kleptomanie. Ter onderbouwing van dit standpunt legt zij over de brief van G.H.M. ten Oever, huisarts, d.d. 23 februari 2017. De huisarts verklaart in deze brief het volgende:

“Mevrouw [werkneemster] is mij bekend met kleptomanie. Deze psychische aandoening heeft zich jaren niet meer geopenbaard bij haar, maar waarschijnlijk mede geluxeerd door de medische situatie van haar man. Mensen die aan kleptomanie lijden kunnen geen weerstand bieden aan de drang tot stelen.”

4.6.

BENU heeft betwist dat sprake is van kleptomanie en, voor zover hier wel sprake van is, heeft BENU zich op het standpunt gesteld dat dit desondanks toch toerekenbaar is. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt BENU dat [werkneemster] de kleptomanie pas in een laat stadium, te weten na het ontslag op staande voet en door middel van enkel de brief van de huisarts, aan BENU ter kennis heeft gesteld. Daarnaast stelt BENU dat de kleptomanie enkel is vastgesteld door de huisarts, terwijl geen overig bewijs van onderzoek, behandeling, medicatie of een andere onderbouwing wordt overgelegd.

Voorts stelt BENU dat [werkneemster] enkel gelden uit de kassa heeft ontvreemd en nooit andere objecten, terwijl het ontvreemden van objecten des te meer voor de hand lag aangezien dit vele malen eenvoudiger was. Hiermee poogt BENU aan te tonen dat geen sprake is van een willekeurige drang om te stelen, maar dat [werkneemster] bewust gelden heeft ontvreemd.

4.7.

Vast staat dat diefstal een in de wet gekwalificeerde dringende reden is conform artikel 7:678 lid 2, onderdeel d, BW. [werkneemster] stelt dat geen sprake is van een dringende reden, nu haar deze niet toegerekend kan worden omdat zij lijdt aan kleptomanie. Ter onderbouwing van dit standpunt is de hierboven genoemde brief van de huisarts overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat [werkneemster] onvoldoende onderbouwd gesteld heeft dat sprake is van kleptomanie. Daarbij merkt de kantonrechter op dat de brief van de huisarts onvoldoende bewijs oplevert. De brief van de huisarts verwijst naar één enkele situatie in het verleden, waarvan [werkneemster] ter zitting nader heeft toegelicht dat zij in het verleden eenmaal binnen familiaire kringen iets gestolen heeft. [werkneemster] was voorts niet in staat om enige andere handvaten aan te reiken waaruit zou blijken dat zij aan kleptomanie lijdt. Gelet op het voorgaande, is de kantonrechter met BENU van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat [werkneemster] lijdt aan kleptomanie en gaat de kantonrechter er voor de verdere beoordeling dan ook van uit dat hiervan geen sprake is.

Onverwijlde mededeling

4.8.

Naast het verweer tegen de dringende reden, heeft [werkneemster] zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een onverwijlde mededeling van het ontslag op staande voet. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [werkneemster] gesteld dat het ontslag op staande voet pas op 21 februari 2017 is gegeven, terwijl bij BENU reeds op

15 februari 2017 een vermoeden met betrekking tot het ontvreemden van gelden bestond. [werkneemster] is dan ook van mening dat het ontslag op staande voet, zeven dagen na de constatering van de dringende reden, niet als onverwijld kan worden gekwalificeerd.

4.9.

BENU heeft zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk sprake is van een onverwijlde mededeling, nu deze op 21 februari 2017, direct aansluitend op het door een derde partij verrichtte onderzoek, is gedaan. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een continue, maar zorgvuldig, handelen van BENU om alle feiten en omstandigheden in kaart te brengen alvorens het ontslag op staande voet is gegeven. BENU is immers op donderdag 16 februari 2017 in de avond door een collega van [werkneemster] op de hoogte gesteld van de ontvreemding van gelden uit de kassa. Op vrijdag 17 februari 2017 is het bureau voor bedrijfsrecherche ingeschakeld, teneinde onderzoek hiernaar te verrichten. Op maandag 20 februari 2017 is BENU op de hoogte gesteld van de onderzoeksresultaten, waarna op dinsdag 21 februari 2017 het ontslag op staande voet is gegeven. Gelet op voorgaande is de kantonrechter dan ook van oordeel dat het ontslag op staande voet onverwijld aan [werkneemster] is medegedeeld.

4.10.

Naar het oordeel van de kantonrechter levert het complex van voornoemde feiten en omstandigheden voldoende grond op voor het oordeel dat er sprake is van een dringende reden die het ontslag op staande voet op staande voet rechtvaardigt. De kantonrechter acht dit handelen zodanig ernstig dat BENU in redelijkheid kon beslissen dat van haar niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te laten voortduren.

Het vorenstaande brengt met zich dat naar het oordeel van de kantonrechter het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en stand houdt.

4.11.

Uit artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van [werkneemster] de opzegging van de arbeidsovereenkomst door BENU kan vernietigen, indien BENU heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is en dit aldus heeft geleid tot een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zullen de primaire verzoeken van [werkneemster] met betrekking tot vernietiging van dat ontslag worden afgewezen.

4.12.

De subsidiair gevorderde billijke vergoeding, de transitievergoeding en de vergoeding op grond van onregelmatige opzegging missen, gelet op het voorgaande, een grondslag en worden afgewezen.

4.13.

Met betrekking tot de meer subsidiair gevorderde transitievergoeding oordeelt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW is de transitievergoeding niet verschuldigd, indien het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De kantonrechter heeft onder rechtsoverweging 4.10. geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven, omdat daarvoor een dringende reden aanwezig was. Hoewel een dringende reden niet zonder meer samenvalt met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, leveren de feiten en omstandigheden die de dringende reden vormen in dit geval ook een dergelijke ernstige verwijtbaarheid op. Immers, die feiten en omstandigheden inzake ontvreemden van geld, toebehorende aan BENU, zijn van dien aard dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [werkneemster] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Dat betekent dat de transitievergoeding niet verschuldigd is en dat het verzoek om deze vergoeding eveneens zal worden afgewezen.

4.14.

Het bij wijze van voorlopige voorziening gevorderde loon, de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en de wedertewerkstelling missen, gelet op het voorgaande, een grondslag en zullen eveneens worden afgewezen.

Het zelfstandig verzoek van BENU tot (voorwaardelijke) ontbinding

4.15.

Nu het verzoek van [werkneemster] tot vernietiging van het door BENU gegeven ontslag op staande voet wordt afgewezen, is er een rechtsgeldig einde aan het dienstverband gekomen. Aldus doet de voorwaarde waaronder BENU het zelfstandig tegenverzoek heeft ingediend, zich niet voor. Dit brengt met zich dat de kantonrechter derhalve niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het zelfstandig verzoek van BENU. De door partijen dienaangaande ingenomen stellingen, behoeven derhalve geen bespreking meer.

Inzake alle verzoeken

4.16.

[werkneemster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van BENU worden tot op heden begroot op:

Salaris gemachtigde: € 400,00 (2.0 punten x € 200,00 tarief).

Totaal: € 400,00

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten, aan de zijde van BENU tot op heden begroot op € 400,00,

5.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

wijst af het anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. G.M.P. Brouns en in het openbaar uitgesproken.

type: SL

coll: