ECLI:NL:RBLIM:2017:6245 Rechtbank Limburg , 30-06-2017 / 03/702622-16

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer: 03/702622-16

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 juni 2017

in de strafzaak tegen


[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in PI Limburg Zuid - De Geerhorst, Op de Geer 1 Sittard.

De verdachte wordt bijgestaan door mr. W.J.J. Lunsingh Tonckens en mr. F.F. Driessen, advocaten kantoorhoudende te Maastricht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 7 april 2017 en 16 juni 2017. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:

primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden om methadon en geld te kunnen stelen;

subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden;

meer subsidiair: een diefstal met geweld heeft gepleegd;

meest subsidiair: aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair aan de verdachte tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Het slachtoffer [slachtoffer] en haar partner [partner slachtoffer] kennen de verdachte uit de ‘scene’. Hij heeft enkele keren bij hen overnacht. [partner slachtoffer] heeft hem daarna de toegang tot de woning ontzegd. Uit diverse getuigenverklaringen blijkt de dat de verdachte op 31 mei 2016 in de ochtend rondom de woning van het slachtoffer [slachtoffer] en haar partner [partner slachtoffer] is gezien en dat hij om geld en methadon vroeg. De verdachte wist waar de methadon in de woning van het slachtoffer lag. De verdachte had een motief, te weten het verkrijgen van geld en methadon. De verdachte wordt voor 90% herkend door getuige [getuige] , de buschauffeur, die de verdachte om 21.00 uur bij een bushalte in de buurt van de woning van het slachtoffer met zijn bus heeft meegenomen. Dit is een aanwijzing dat verdachte rond het tijdstip van het plegen van het strafbare feit in de omgeving van de plaats delict is geweest.

[partner slachtoffer] geeft aan dat hij geld en ongeveer 500 tabletten methadon mist. Ambulancemedewerkers en politie op de plaats delict waren, bevestigen dat [partner slachtoffer] daarover sprak. Bij de verdachte worden op 3 juni 2016 in totaal 220 onverpakte methadontabletten aangetroffen die uiterlijk overeenkomen met de methadontabletten uit de woning van het slachtoffer en haar partner. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat het letsel bij het slachtoffer niet is te verklaren door een val, maar met een soort kapmes of sikkelvormig voorwerp is toegebracht. Op de kleding van de verdachte wordt bloed van het slachtoffer aangetroffen.

Het bloed van de verdachte is op een doosje Temazepamtabletten op het bed in de slaapkamer van het slachtoffer aangetroffen. Het slachtoffer werd door [partner slachtoffer] aangetroffen met een kussen tegen haar hoofd met daarom heen een deken gewikkeld. Aan de minder bebloede zijde van het kussen zijn bloedcontactsporen bemonsterd en veiliggesteld. Blijkens onderzoek naar die bloedsporen is 10 keer het DNA-profiel van de verdachte vastgesteld. Bij de verdachte is op 3 juni 2016 een wondje aan zijn vinger gezien, dat op 5 juni 2016 door een forensisch arts is bekeken. Hij zag een wondje op zijn rechter ringvinger van enkel dagen oud.

De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor het aantreffen van het bloed op zijn kleding en het aantreffen van de methadontabletten in zijn vest en schoudertas. Dit geldt ook voor het aantreffen van zijn DNA-profiel op het kussen en zijn bloed op het doosje Temazepamtabletten. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad van 31 mei 2016 en de daarbij behorende conclusie van de Procureur-Generaal (ECLI:NL:HR:2016:1019 en ECLI:NL:PHR:2016:434), is sprake van dadersporen waarvoor door de verdachte geen aannemelijk alternatief scenario is gegeven.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft - samengevat weergegeven - betoogd dat het procesdossier onvoldoende concreet en redengevend bewijs bevat voor de conclusie dat het de verdachte is geweest die het letsel aan het slachtoffer [slachtoffer] heeft toegebracht en verzoekt de rechtbank de verdachte (integraal) vrij te spreken. In het proces-verbaal van de zitting van 7 april 2017 is ten onrechte enkel vermeld dat de verdachte zich ter terechtzitting heeft beroepen op zijn zwijgrecht. De verdachte heeft daarbij ook vermeld dat hij “niets recht te zetten heeft”. De verdachte is na 13.00 uur niet meer rondom de woning van het slachtoffer gesignaleerd, terwijl het slachtoffer na 13.00 uur op verschillende momenten - kennelijk ongeschonden - door getuigen is gesignaleerd. De betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [getuige] wordt door de verdediging uitdrukkelijk betwist, omdat hij de verdachte door middel van enkelvoudige fotoconfrontatie slechts voor 90% herkent. Zijn verklaring moet daarom voor het bewijs worden uitgesloten. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte om 21.00 uur in zijn bus is gestapt, terwijl meerdere getuigen hebben verklaard dat zij tussen 22.30 uur en 23.00 uur hebben gehoord dat er een aantal keer is geschreeuwd en geblaf van een hond was te horen. Op dat moment was [partner slachtoffer] niet meer buiten aan het werk. [partner slachtoffer] heeft verklaard niet onmiddellijk de hulpdiensten te hebben ingeschakeld en heeft tegen de hulpdiensten gezegd dat er geen politie ter plaatse hoefde te komen. [partner slachtoffer] heeft verklaard dat hij het slachtoffer na 21.00 uur nog heeft gezien. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het slachtoffer en [partner slachtoffer] geregeld ruzie hadden en dat het slachtoffer daarbij zou hebben gezegd dat getuige [partner slachtoffer] haar iets aan zou willen doen. Gelet op het voorgaande had [partner slachtoffer] de gelegenheid en ook een motief om het letsel aan het slachtoffer toe te brengen. Het alternatieve scenario dat getuige [partner slachtoffer] het letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht kan door de rechtbank niet worden uitgesloten. Dat methadontabletten en geld uit de woning van het slachtoffer zijn verdwenen, vindt enkel steun in de verklaringen van [partner slachtoffer] . Voorts kan op basis van het procesdossier niet worden vastgesteld dat de bij de verdachte aangetroffen methadontabletten afkomstig zijn uit de ‘batch’ van de tabletten van getuige [partner slachtoffer] , zodat het aantreffen van de methadonpillen niet redengevend is voor het bewijs. Dit geldt ook voor de aangetroffen sporen van de verdachte in de woning. Enkel de bemonstering van het bloedvlekje op de manchet van het wollen vest ‘matcht’ met het DNA van het slachtoffer. De datum en de wijze waarop het bloed van de verdachte op de manchet terecht is gekomen, is niet bekend. Dit geldt ook voor het aantreffen van het DNA van de verdachte op het kussen. Dat het DNA-profiel van de verdachte is aangetroffen op het kussen is niet verbazingwekkend omdat de verdachte meermalen in de woning heeft verbleven en heeft geslapen op de bank. Op het doosje methadon worden geen sporen van de verdachte aangetroffen, terwijl gesteld wordt dat de verdachte het doosje op het bed zou hebben gelegd. Op het doosje Temazepam worden eveneens geen dactyloscopische sporen van de verdachte aangetroffen, wel van getuige [partner slachtoffer] . Niet bekend is wanneer, hoe en hoeveel bloed van de verdachte op laatstgenoemd doosje terecht is gekomen. Ook zijn er geen sporen van de verdachte aangetroffen in het nachtkastje. Kortom, de sporen vertellen niet het verhaal dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd; [partner slachtoffer] is de man met de gelegenheid, middelen en zonodig het motief om het strafbare feit te plegen, welk scenario niet buiten twijfel terzijde kan worden geschoven.

3.3

Het oordeel van de rechtbank
1

Bewijs

Op 31 mei 2016 omstreeks 22.45 uur is [slachtoffer] door haar partner [partner slachtoffer] aangetroffen in hun woonkamer in Klimmen, met een wit kussen om haar hoofd, met daaromheen een kleine rode deken gedraaid. 2 [partner slachtoffer] heeft hiervan een 112-melding gedaan bij de hulpdiensten. Het slachtoffer wordt omstreeks 23.30 uur door ambulancechauffeur Jacobs aangetroffen in haar woonkamer. Het slachtoffer had toen een hoofdwond en reageerde enkel op een pijnprikkel. De man die bij haar was sprak over een overval en dat er geld en methadontabletten weg waren.3 Bij forensisch geneeskundig onderzoek is gebleken dat [slachtoffer] een hoofdwond had die begon aan de voorzijde van de haargrens en die doorliep tot achter in de nek. Op CT-scans was volgens de behandelend arts een fractuur te zien van het linker slaapbeen, doorlopend naar het rotsbeen achter het linkeroor. Daarnaast had zij een snijwond aan de derde vinger aan de handpalmzijde van haar linkerhand met een fractuur van het laatste kootje. De conclusie is dat [slachtoffer] traumatisch hersenletsel heeft, zowel aan de rechter- alsook aan de linkerzijde in het hoofd. Er is links mogelijk sprake van een afgescheurd bloedvat, waardoor een soort infarct is opgetreden. [slachtoffer] is halfzijdig (rechts) verlamd en afatisch. Vermoed wordt dat het letsel met een soort kapmes of sikkelvormig voorwerp is toegebracht. De vingerletsels zijn waarschijnlijk afweerverwondingen.4

[partner slachtoffer] heeft bij aankomst van de politie verklaard dat hij vermoedde dat een man uit Litouwen binnen was geweest, zijn methadon en geld had gestolen en het letsel heeft veroorzaakt bij slachtoffer [slachtoffer] .5 In zijn eerste verhoor heeft [partner slachtoffer] daarbij de naam [verdachte] genoemd, die 35 jaar zou zijn.6 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij al enige tijd in de opvang aan de Klompstraat in Heerlen verblijft, waar hij [partner slachtoffer] vaker trof. Deze getuige verklaarde verder dat [partner slachtoffer] op een gegeven moment een Duitser of Rus oppikte die [verdachte] heette. Deze had twee nachten in het slaaphuis geslapen, maar is toen weggestuurd. [getuige 3] verklaarde verder dat [verdachte] wel altijd in de omgeving van de Klomp hing en liep te bedelen “voor dope”.7 Uit onderzoek blijkt dat met [verdachte] de verdachte wordt bedoeld.8 De verdachte was in de ochtend van 31 mei 3016 nabij de woning van [partner slachtoffer] en heeft [partner slachtoffer] om methadon en geld gevraagd, maar heeft dit niet van hem gekregen. [partner slachtoffer] heeft de verdachte een grijs vest gegeven. Het vest was schoon, want het slachtoffer had het gewassen.9 Op het manchet van de linkermouw van het wollen grijze vest, dat de verdachte ten tijde van de aanhouding droeg, wordt het bloed van het slachtoffer aangetroffen.10 Aan de minder bebloede zijde van het kussen dat om het hoofd van het slachtoffer zat, wordt na onderzoek naar bloedcontactsporen 10 keer het DNA-profiel van de verdachte aangetroffen.11 Op het bed van het slachtoffer lag een doosje Temazepam waarop het bloed van de verdachte is aangetroffen.12 De forensisch arts heeft op 5 juni 2016 een wondje van enkele dagen oud van een halve centimeter aan de rechter ringvinger van de verdachte geconstateerd.13 In de zoom van het grijze vest, dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding droeg, zijn 165 methadontabletten aangetroffen en in zijn schoudertas, die hij ten tijde van de aanhouding bij zich had, zijn 55 methadontabletten aangetroffen. Alle aangetroffen methadontabletten zijn qua kleur, vorm, afmeting en opschrift gelijk aan de methadontabletten die nog in de woning van het slachtoffer lagen.14

Overweging ten aanzien van het bewijs

Op grond van de omstandigheden waaronder het slachtoffer is aangetroffen moet het kussen kort na het toebrengen van het letsel tegen haar hoofd zijn gedrukt en omwikkeld met een deken. Hieruit volgt dat op het kussen dadersporen kunnen worden aangetroffen. De omstandigheid dat rond hetzelfde tijdstip ook pillen uit de slaapkamer zijn weggenomen, maakt dat het bloedspoor op het medicijndoosje Temazepam dat op het bed is aangetroffen, ook een daderspoor is. Onderzoek van deze daderbloedsporen wijzen uit dat hierin het DNA van verdachte is aangetroffen.

Daarnaast is te verwachten dat degene die het letsel heeft toegebracht door het grote bloedverlies van het slachtoffer besmeurd is geraakt met bloed. Het bloed van het slachtoffer dat is aangetroffen op het vest van verdachte is dus ook een daderspoor. Deze bewijsmiddelen schreeuwen om een verklaring van de verdachte. Verdachte heeft geen enkele verklaring willen afleggen over de wijze hoe het bloed van het slachtoffer op zijn vest terecht is gekomen, en zijn bloed op het kussen (aan de zijde die niet tegen het hoofd van het slachtoffer gedrukt is geweest) terecht is gekomen. Ook heeft hij niet verklaard hoe zijn bloed op het doosje Temazepam terecht is gekomen. Evenmin heeft de verdachte een verklaring afgelegd over hoe hij aan het groot aantal bij hem aangetroffen methadontabletten komt, terwijl niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat hij daarover op legale wijze kon beschikken. De rechtbank komt gezien het vorenstaande tot de conclusie dat de verdachte het letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht met het oogmerk de methadontabletten en/of het geld te bemachtigen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de poging doodslag door de verdachte is begaan om de methadontabletten en het geld te kunnen stelen. De rechtbank kan op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen dat van boos opzet ten aanzien van de poging tot doodslag sprake is, maar is van oordeel dat door de wijze waarop het geconstateerde letsel moet zijn toegebracht de aanmerkelijke kans bestond op het overlijden van het slachtoffer. Door zo te handelen heeft de verdachte op zijn minst deze aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden, op de koop toegenomen. De verdachte had dan ook voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer. Het alternatieve scenario dat door de verdediging is geschetst verdraagt zich niet met de resultaten van het onderzoek van de dadersporen en acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde bewezen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

primair

op 31 mei 2016 te Klimmen, in de gemeente Voerendaal, ter uitvoering van zijn voornemen om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met voormeld oogmerk voornoemde [slachtoffer] opzettelijk met een hard voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of opzettelijk met een mes, in elk geval een scherp/puntig voorwerp in het hoofd en/of overige delen van het lichaam heeft gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf, straffeloosheid en/of bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

poging tot doodslag, gevolgd/vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf, hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De straf en/of de maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van het voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafmaat heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft op 31 mei 2016 het slachtoffer met een voorwerp geslagen en/of het slachtoffer met een mes/scherp voorwerp gestoken. Op welke wijze de verdachte precies geweld heeft gebruikt is onduidelijk gebleven. De verdachte heeft immers geen openheid van zaken gegeven. Het slachtoffer zelf is als gevolg van het opgelopen (hersen)letsel niet meer in staat daarover te verklaren. Wel duidelijk is dat het slachtoffer fors hersenletsel heeft opgelopen, haar hele leven invalide zal blijven en 24 uur per dag afhankelijk zijn van de hulp van derden. Wandelen, schilderen en alle dagelijkse werkzaamheden in en rondom het huis zijn niet meer mogelijk voor het slachtoffer, zoals ook blijkt uit de namens haar ter terechtzitting van 7 april 2017 voorgedragen slachtofferverklaring.

Uit het letsel dat bij het slachtoffer is vastgesteld kan worden afgeleid dat de verdachte fors geweld heeft gebruikt en dat het slachtoffer vergeefs heeft geprobeerd de slag af te weren. Het kan niet anders dan dat het slachtoffer voor zij haar bewustzijn verloor zeer angstig zal zijn geweest toen zij werd belaagd door de verdachte. De verdachte heeft haar bij/in haar eigen woning, alwaar zij zich veilig mag voelen, opgezocht en vervolgens zwaar geweld tegen haar gebruikt. Het behoeft voorts geen betoog dat dit ook impact heeft op haar partner en mensen in haar omgeving. Ook in het algemeen is de samenleving geschokt als wordt bericht over dergelijk geweld jegens een slachtoffer in haar eigen woning. De verdachte heeft niets verklaard, maar het motief van zijn handelen lijkt ingegeven door zijn zucht naar drugs.

Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte, gedreven door zijn verslaving en eigenbelang, in staat is gebleken tot geweld tegen een persoon, die hem eerder, toen hij geen onderdak had, in huis gastvrij heeft ontvangen. Zolang de verdachte verslaafd is, kan nieuw geweld van de verdachte om aan drugs te komen niet worden uitgesloten. Ter zitting heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft geen enkel berouw getoond. De rechtbank weegt dit mee bij de bepaling van de strafmaat.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, zij het dat dit aspect in dit geval niet veel gewicht in de schaal legt.

Een gekwalificeerde doodslag behoort tot de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit feit tot uitdrukking gebracht door daarop levenslange gevangenisstraf als strafmaximum te stellen. Het feit wordt daardoor wat betreft strafmaat gelijkgesteld aan moord. Voor deze feiten worden doorgaans langdurige gevangenisstraffen opgelegd. Uit jurisprudentie-onderzoek is de rechtbank gebleken dat bij een voltooide gekwalificeerde doodslag meestal een gevangenisstraf van tussen de 15 en 18 jaren wordt opgelegd. Wanneer het een poging daartoe betreft, wordt de straf met een derde verminderd.

Alles overwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het slachtoffer heeft (blijvend) letsel, zij kan niet meer zelfstandig functioneren en haar leven zal nooit meer hetzelfde zijn. De pijn en het leed die mede daardoor bij het slachtoffer en haar partner teweeg zijn gebracht tellen zwaar.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, daarom een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend.

7 De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van in totaal € 102.716,67,- , bestaande uit: € 2.716,67- aan materiële schade (te weten de eigen bijdrage zorg ad. € 516,18; rekening kosten ambulance ad. € 366,25 (inclusief de incassokosten van

€ 15,000); kosten bezoek van partner aan haar in het ziekenhuis ad. € 788,80; kosten bezoek van partner aan slachtoffer in de revalidatiekliniek ad. € 445,44) en € 600,- aan proceskosten en € 100.000,- als voorschot voor immateriële schade.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel dient te worden toegewezen, inclusief wettelijke rente en met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank, gelet op de bepleite vrijspraak, primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van de materiële schade aangevoerd dat de post die ziet op de kosten van de ambulance ad. € 366,25 niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat uit de bijgevoegde factuur niet blijkt dat deze ziet op de kosten van de ambulance. De kosten van het bezoek van de partner van het slachtoffer aan haar in het ziekenhuis ad. € 788,80 en de kosten van het bezoek van de partner aan het slachtoffer in de revalidatiekliniek ad. € 445,44 komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze kosten niet door de benadeelde partij zijn gemaakt. Bovendien zijn voornoemde kosten ten onrechte gebaseerd op de Letselschade Richtlijnen van de letselschaderaad, geïndexeerd per 1 januari 2014. Deze richtlijnen zijn nog geïndexeerd per 1 januari 2017.

Ten aanzien van immateriële schade heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij de medische adviezen van [specialisten] (specialisten ouderengeneeskunde) niet heeft opgevolgd en dat zij om die reden voornoemde specialisten wenst te horen over de gevolgen hiervan voor het herstel van de benadeelde partij. Indien de rechtbank het aanhouden van de zaak teneinde de specialisten te horen een onevenredige belasting van het strafgeding acht, verzoekt de verdediging de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk te verklaren. Voorts verzoekt de verdediging de neuroloog van de benadeelde partij te horen in verband met de gestelde niet met stukken onderbouwde problemen met het kortetermijngeheugen, zicht en gehoor dan wel de benadeelde partij opdracht te geven de vordering op dit punt aan te vullen. Indien de rechtbank het aanhouden van de zaak teneinde de neuroloog te horen een onevenredige belasting van het strafgeding acht, verzoekt de verdediging de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk te verklaren. Uiterst subsidiair verzoekt de verdediging de rechtbank de vordering van de benadeelde partij te matigen en de hechtenis die is gekoppeld aan de schadevergoedingsmaatregel vast te stellen op 1 dag.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat door de hiervoor genoemde benadeelde partij materiële schade is geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ter zake van € 15,- incassokosten, zoals vermeld op de factuur die ziet op de ambulancekosten afwijzen, omdat deze kosten een gevolg zijn van niet tijdig betalen. Alle overige posten komen voor vergoeding in aanmerking. De kosten van het bezoek van de partner aan het ziekenhuis respectievelijk de revalidatiekliniek zijn weliswaar niet gemaakt door de benadeelde partij, maar wel ten behoeve van haar (herstel). Bij het vaststellen van dit bedrag zal de rechtbank de Richtlijnen van de letselschaderaad, geïndexeerd per 1 januari 2014, hanteren, omdat deze golden ten tijde van het maken van deze kosten. De rechtbank zal een totaalbedrag aan materiële schade toewijzen van € 2.701,67 ,- .

Voorts is de rechtbank van oordeel dat door de benadeelde partij immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden teneinde de neuroloog en de specialisten ouderengeneeskunde te horen, omdat zij van oordeel is dat het ontstane letsel als gevolg van het bewezenverklaarde duidelijk is. Uit de letselrapportage van 20 oktober 2016 van [naam] , Forensisch geneeskundige, blijkt immers dat de benadeelde partij blijvend resterend letsel heeft opgelopen in de vorm van cognitieve beperkingen (denken, begrijpen en geheugen) en een verlamming van haar rechter arm en been. Hierdoor is zij vrijwel volledig rolstoelafhankelijk en grotendeels ADL-afhankelijk. De rechtbank begroot de immateriële schade op grond van deze gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 25.000,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

Tevens zal de door de benadeelde partij gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. Over de gevorderde bedragen aan materiële schade ad € 516,18 en € 351,25 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf respectievelijk 19 oktober 2016 en 2 september 2016, zijnde de data waarop de benadeelde partij bij brief ervan op de hoogte werd gebracht dat zij deze bedragen verschuldigd was, op welk moment de materiële schade, alsmede de hoogte daarvan, is komen vast te staan. Wat betreft het bedrag van € 788,80 (reiskosten partner ziekenhuis Maastricht) zal de ingangsdatum van de wettelijke rente worden vastgesteld op 24 juli 2016, zijnde de datum waarop de benadeelde partij het ziekenhuis heeft verlaten. Uit de brief van de GGD van 3 oktober 2016 blijkt immers dat de benadeelde partij vóór de opname in de revalidatiekliniek op 25 juli 2016 in het ziekenhuis heeft gelegen. Wat betreft het bedrag van € 445,44 zal de ingangsdatum van de wettelijke rente worden vastgesteld op 28 oktober 2016, zijnde de datum waarop de benadeelde partij ontslagen is uit de revalidatiekliniek.

Over het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 25.000,00 zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag waarop het strafbare feit is gepleegd,

31 mei 2016.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de schade. De verdediging heeft verzocht de vervangende hechtenis te beperken tot één dag omdat vaststaat dat het opleggen van de maatregel zal leiden tot het in de toekomst toepassen van vervangende hechtenis. De rechtbank acht weliswaar aannemelijk dat verdachte tijdens zijn verblijf in Nederland niet over financiële middelen beschikte, maar kan bij gebreke van informatie over zijn herkomst niet vaststellen dat hij in het geheel niet beschikt over vermogen. De rechtbank zal daarom de vervangende hechtenis in navolging van de landelijke afspraken hierover vast stellen op 160 dagen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 63, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

-

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

-

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

-

verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

-

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

-

veroordeelt de verdachte voor het feit tot een gevangenisstraf van 12 jaren;

-

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen € 27.101,67,- (bestaande uit € 25.000,00,- immateriële schade en

€ 2.101,67,- materiële schade) te vermeerderen met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 25.000,00 vanaf 31 mei 2016,

- over een bedrag van € 516,18 vanaf 19 oktober 2016,

- over een bedrag van € 351,25 vanaf 2 september 2016,

- over een bedrag van € 788,80 vanaf 24 juli 2016 en

- over een bedrag van € 445,44 vanaf 28 oktober 2016;

tot aan de dag van de volledige voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij ter zake gemaakte incassokosten af;

- verklaart de vordering van de benadeelde partij ter zake de immateriële schade

voor het overige niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op € 600,-;

- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van € 27.101,67,-, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 160 dagen hechtenis, met dien verstande dat de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente:

- over een bedrag van € 25.000,00 vanaf 31 mei 2016,

- over een bedrag van € 516,18 vanaf 19 oktober 2016,

- over een bedrag van € 351,25 vanaf 2 september 2016,

- over een bedrag van € 788,80 vanaf 24 juli 2016 en

- over een bedrag van € 445,44 vanaf 28 oktober 2016,

tot aan de dag van de volledige voldoening;

- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. C.M.W. Nobis enmr. D. Osmic, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A.J. Wenders, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2017.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij, verdachte, op of omstreeks 31 mei 2016 te Klimmen, in de gemeente

Voerendaal, ter uitvoering van zijn, verdachtes, voornemen om [slachtoffer]

opzettelijk van het leven te beroven, met voormeld oogmerk voornoemde

[slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk met een hard

voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal

(telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval een scherp/puntig voorwerp in

het hoofd en/of overige delen van het lichaam heeft gesneden en/of gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig

strafbaar feit, te weten (gekwalificeerde) diefstal,

en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering

van die (gekwalificeerde) diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere

deelnemers aan die (gekwalificeerde) diefstal, straffeloosheid en/of het bezit

van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 31 mei 2016 te Klimmen, in de

gemeente Voerendaal, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen

misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet

voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk met een

hard voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of meermalen, althans

eenmaal (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of

puntig voorwerp in het hoofd en/of overige delen van het lichaam heeft

gesneden en/of gestoken, terwijl de uitvoering van voornoemd voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 31 mei 2016 te Klimmen, in de gemeente

Voerendaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

(een aantal) methadontabletten en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval toebehorende aan een

ander of anderen dan aan hem, verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan,

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen

voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden,

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij

de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij,

verdachte, voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk

met een hard voorwerp op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of meermalen,

althans eenmaal (telkens) opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp

en/of puntig voorwerp in het hoofd en/of andere delen van het lichaam heeft

gesneden en/of gestoken en/of welk voornoemd omschreven geweld zwaar

lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, te weten

een schedelbasisfractuur, in elk geval hersenletsel en/of letsel door

snijwonden;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 31 mei 2016 te Klimmen, in de gemeente

Voerendaal, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

een schedelbasisfractuur, in elk geval hersenletsel en/of letsel door

snijwonden, heeft toegebracht door meerdere malen, althans eenmaal (telkens)

opzettelijk met een hard voorwerp op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te

slaan en/of meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk met een mes, in

elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het hoofd en/of andere delen

van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te snijden en/of te steken.

Voetnoten

1
Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, team grootschalige opsporing, proces-verbaalnummer 2016097765, gesloten d.d. 23 november 2016, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 577.
2
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [partner slachtoffer] d.d. 1 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 143 tot en met 146.
3
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 3 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 557 tot en met 559.
4
Een deskundige verslag, zijnde een Letselrapportage GGD Zuid Limburg d.d. 20 juni 2016 van [naam] , forensisch geneeskundige, doorgenummerde dossierpagina 362 en 363.
5
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2016, doorgenummerde dossierpagina 223
6
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [partner slachtoffer] d.d. 1 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 143 tot en met 146.
7
Het proces-verbaal gesprek met [naam] d.d. 15 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 574 en 575.
8
Het proces-verbaal van verdenking d.d. 1 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 12 en 13.
9
Het proces-verbaal van getuige [getuige 2] d.d. 1 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 494-499 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [partner slachtoffer] d.d. 1 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 143 tot en met 146 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [partner slachtoffer] d.d. 27 september 2016, doorgenummerde 190 tot en met 196.
10
Het proces-verbaal relaterende het onderzoek kleding en letselbeschrijving van de verdachte [verdachte] , doorgenummerde dossierpagina 366 tot en met 368 en een deskundige verslag, zijnde een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een zware mishandeling gepleegd in Klimmen op 31 mei 2016 van het NFI d.d. 6 juni 2016.
11
Een deskundige verslag, zijnde het rapport aanvullend onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een zware mishandeling gepleegd in Klimmen op 31 mei 2016 van het NFI d.d. 8 november 2016, doorgenummerde dossierpagina 455 tot en met 459.
12
Het proces-verbaal relaterende het sporenonderzoek in de woning [adres] te Klimmen d.d. 15 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 301 tot en met 305 en een deskundige verslag, zijnde een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een zware mishandeling gepleegd in Klimmen op 31 mei 2016 van het NFI d.d. 20 september 2016, doorgenummerde dossierpagina 443 tot en met 451.
13
Een deskundige verslag, zijnde een geneeskundig onderzoek d.d. 5 juni 2016 van forensisch geneeskundige [naam] , doorgenummerde dossierpagina 385 en 386.
14
Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde dossierpagina 72, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 81, het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek d.d. 4 juni 2016, doorgenummerde dossierpagina 389 tot en met 390 en het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek d.d. 18 juli 2016, doorgenummerde dossierpagina 391 en 392.