ECLI:NL:RBLIM:2017:6301 Rechtbank Limburg , 05-07-2017 / 5783134 cv 17-2218

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 5783134 \ CV EXPL 17-2218

Vonnis van de kantonrechter van 5 juli 2017

in de zaak van:

de naamloze vennootschap VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eisende partij,

gemachtigde Flanderijn en van der Heide,

tegen:


[gedaagde partij]
,

wonend [adres gedaagde partij] ,

[woonplaats gedaagde partij] ,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. J. Meijer.

Partijen worden verder aangeduid als “VGZ” en “ [gedaagde partij] ”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding, met producties;

-

de conclusie van antwoord;

-

de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis, met producties;

-

de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

VGZ vordert, na vermindering van eis, – samengevat – veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 500,00, vermeerderd met rente en kosten.

2.2.

[gedaagde partij] voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

VGZ legt aan haar verminderde eis, zo begrijpt de kantonrechter, het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] heeft bij VGZ een zorgverzekeringsovereenkomst afgesloten. [gedaagde partij] heeft een groot deel van de maandelijkse premies over de jaren 2015 en 2016, alsmede een aantal declaraties over 2015 en 2016, niet betaald. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.326,11, zoals gespecificeerd op de producties B en C bij de conclusie van repliek. [gedaagde partij] heeft dit bedrag, ondanks aanmaning, onbetaald gelaten. De incassogemachtigde van VGZ heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht; VGZ vordert in verband daarmee een bedrag van € 198,92 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met € 41,77 btw. In totaal is [gedaagde partij] een bedrag van € 1.566,80 aan VGZ verschuldigd. Om haar moverende redenen beperkt VGZ haar vordering tot € 500,00, onder voorbehoud van het recht het restant te vorderen.

3.2.

[gedaagde partij] voert om te beginnen het verweer dat VGZ niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, nu zij niet heeft voldaan aan de substantiëringsplicht en de waarheids- en bewijsaandraagplicht. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij, nu [gedaagde partij] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waaruit haar verweer in de buitengerechtelijke fase heeft bestaan; de enkele stelling, dat hij VGZ tevergeefs telefonisch om verduidelijking heeft gevraagd, is in dit verband onvoldoende. Voor zover VGZ bij dagvaarding haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd met stukken, geldt dat zij een dergelijk gebrek naar het oordeel van de kantonrechter bij conclusie van repliek afdoende heeft gerepareerd. Op grond van het voorgaande is VGZ naar het oordeel van de kantonrechter dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.

3.3.

Verder voert [gedaagde partij] het verweer dat hij geen overeenkomst heeft gesloten met VGZ. De kantonrechter verwerpt dit verweer. VGZ heeft ter onderbouwing van de gestelde overeenkomst de verzekeringspolissen over de jaren 2015 en 2016 overgelegd. Weliswaar is dit nog geen bewijs van aanmelding, zoals [gedaagde partij] terecht opmerkt, echter in het licht van de in het kader van die overeenkomsten gedane betalingen ad in totaal € 1.902,81 (productie B conclusie van repliek), welke betaling niet door [gedaagde partij] worden betwist, kan de kantonrechter dit verweer niet volgen.

3.4.

VGZ heeft in het kader van de eisvermindering een bedrag aan [gedaagde partij] kwijtgescholden. Dit bedrag ziet op het deel van de vordering dat volgens [gedaagde partij] is verjaard. [gedaagde partij] betwist het bedrag dat in verband met de kwijtschelding in de specificatie (productie B conclusie van repliek) in mindering is gebracht. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

Kwijtgescholden wordt een bedrag van in totaal € 2.135,39 aan premie over de jaren 2007 en 2008 en een bedrag van in totaal € 150,00 aan “zorgkosten eigen rekening” over de jaren 2008 en 2009. Dit is samen een bedrag van € 2.285,39. Op pagina 2 van productie B wordt echter in verband met de verjaring slechts een bedrag afgeboekt van € 2.052,05. Dat is dus € 233,34 te weinig. Het toeval wil dat dit bedrag overeen komt met de door [gedaagde partij] over het jaar 2007 terug te ontvangen no-claim korting, welk bedrag daaronder staat vermeld. Laatstgenoemde twee bedragen opgeteld leveren het bedrag van € 2.285,39 op. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet zonder meer in te zien waarom het bedrag van de no-claimkorting over 2007 op het kwijt te schelden bedrag in mindering moet komen. Dit leidt tot de conclusie dat voor de kwijtschelding een bedrag van € 2.285,38 in aanmerking dient te worden genomen.

3.5.

[gedaagde partij] betwist voorts het gevorderde bedrag wegens gemaakte zorgkosten, omdat

- zo begrijpt de kantonrechter - de onderliggende facturen niet zijn overgelegd en voor [gedaagde partij] dus niet te controleren valt wanneer de kosten gemaakt zijn. De kantonrechter verwerpt dit verweer. VGZ heeft als productie C bij de conclusie van repliek een kostenoverzicht overgelegd. Daarop staan de declaraties vermeld met de bijbehorende behandelperiodes en het soort zorg dat is verleend. Deze behandelperiodes vallen alle in 2015 en 2016. [gedaagde partij] heeft niet gesteld dat hij in de betreffende periodes niet onder behandeling is geweest en de vermelde zorg niet heeft ontvangen. De op productie B (specificatie van de vordering) vermelde declaraties zijn alle opgenomen op productie C. Aldus is te herleiden dat de gevorderde kosten zijn gemaakt in de verzekerde periode. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] de gestelde zorgkosten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zodat deze zullen worden toegewezen.

3.6.

Gelet op het voorgaande is [gedaagde partij] aan hoofdsom een bedrag van (€ 1.326,11 - € 233,34 = ) € 1.092,77 verschuldigd.

3.7.

[gedaagde partij] betwist dat hij buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. [gedaagde partij] weerspreekt echter niet de als laatste productie bij de dagvaarding overgelegde aanmaningsbrief van 3 januari 2017 (de zogenaamde veertiendagenbrief) te hebben ontvangen. Daarmee staat vast dat VGZ voldoende buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten die toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten rechtvaardigen. Gelet op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en gelet op de verschuldigde hoofdsom ad € 1.092,77 acht de kantonrechter een bedrag van € 163,92 (inclusief btw) redelijk.

3.8.

Nu VGZ de vordering heeft beperkt tot een bedrag van € 500,00 zal dit worden toegewezen. Anders dan [gedaagde partij] is het de kantonrechter, mede gelet op de formulering in de dagvaarding, voldoende duidelijk dat VGZ wettelijke rente vordert over de nog openstaande hoofdsom. Nu een bedrag van €500,00 wordt toegewezen, zal de kantonrechter de rente echter toewijzen over dit bedrag.

3.9.

[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Hetgeen [gedaagde partij] heeft aangevoerd in het kader van de substantiëringsplicht en de waarheids- en bewijsaandraagplicht, leidt niet tot een ander oordeel, nu niet kan worden gezegd dat de wijze van procederen door VGZ voor [gedaagde partij] kostenverhogend heeft gewerkt.

Nu VGZ [gedaagde partij] heeft aangemaand kan daarnaast evenmin gezegd worden dat VGZ nodeloos tot dagvaarding is overgegaan.

De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:

-

dagvaarding € 101,05

-

griffierecht 117,00

-

salaris gemachtigde 120,00 ( 2 x tarief € 60,00)

totaal € 338,05

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VGZ te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2017 tot aan de voldoening,

4.2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten aan de zijde van VGZ gevallen en tot op heden begroot op € 338,05,

4.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Rijksen en in het openbaar uitgesproken.

type: EB

coll:

Verder lezen