ECLI:NL:RBMNE:2017:2078 Rechtbank Midden-Nederland , 26-04-2017 / C/16/428179 / FA RK 16-7633

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/428179 / FA RK 16-7633

wijziging kinderalimentatie

Beschikking van 26 april 2017

in de zaak van


[de man]
,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.L.M. Louwen te Utrecht,

tegen


[de vrouw]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. C.A.Th. Philipsen te Utrecht.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De man heeft op 28 november 2016 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend.

1.2.

De vrouw heeft op 6 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

1.3.

Bij de rechtbank zijn vervolgens nog de volgende stukken binnen gekomen:

- een F9-formulier van 16 maart 2017 van de zijde van de vrouw met producties;

- een F9-formulier van 17 maart 2017 van de zijde van de man met producties;

- een F9-formulier van 23 maart 2017 van de zijde van de man met productie;

1.4.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 30 maart 2017.

Verschenen zijn:

- partijen en hun advocaten.

1.5.

Bij de rechtbank is vervolgens nog ingekomen:

- een brief van 30 maart 2017 van de zijde van de vrouw met productie;

- een brief van 3 april 2017 van de zijde van de man.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van [2013] .

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:


[minderjarige 1]
, geboren op [2007] te [geboorteplaats] ,


[minderjarige 2]
, geboren op [2011] te [geboorteplaats] .

2.3.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

2.4.

In voormelde beschikking is onder meer bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw en dat de man met een bedrag van € 600,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

Op grond van de wettelijke indexering is dit bedrag thans € 631,15 per maand.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De man heeft gevraagd de beschikking van de rechtbank van [2013] te wijzigen en te bepalen dat hij met ingang van 1 november 2016 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 122,- per kind per maand zal voldoen.

3.2.

De vrouw heeft zich daartegen verweerd en primair verzocht het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en subsidiair verzocht een rechtens juiste kinderbijdrage te bepalen. De vrouw heeft gesteld dat partijen ten tijde van echtscheiding bij de vaststelling van de kinderalimentatie bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, en dat daarom artikel 1:159 BW naar analogie moet worden toegepast.

ontvankelijkheid

3.3.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van een overeenkomst met betrekking tot de door de man te bijdrage voor de kinderen (waarbij bewust is afgeweken van de wettelijke maatstaven). Uit de door de man overgelegde stukken van de procedure destijds blijkt dat de vrouw, uitgaande van een bruto jaarinkomen van de man van € 92.000,- een bijdrage heeft verzocht van € 600,- per kind per maand en partneralimentatie. De man heeft in zijn verweerschrift betwist dat hij een dergelijk inkomen had, maar zich desondanks bereid verklaard de door de vrouw gevraagde bijdrage voor de kinderen te voldoen. De rechtbank heeft vervolgens de kinderbijdrage vastgesteld op € 600,- per kind per maand, omdat deze niet langer in geschil was tussen partijen. Ten aanzien van de partneralimentatie heeft de rechtbank de vrouw gevolgd in haar stelling dat de man een verdiencapaciteit had van € 92.000,- maar omdat de man dat inkomen op dat moment feitelijk niet genoot, heeft de rechtbank het verzoek om partneralimentatie afgewezen. De man zou anders onder het bestaansminimum komen.

Of er sprake is van een overeenkomst waarbij bewust is geweken van de wettelijke maatstaven, is van belang omdat dan de vastgestelde bijdrage alleen kan worden gewijzigd als er sprake is van een wijziging van omstandigheden die meebrengt dat de wederpartij de ongewijzigde instandhouding niet mag verwachten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 oktober 1987 uiteengezet waarom dan die hoge drempel voor wijziging wordt opgeworpen:“Het systeem van art. 159 leden 1 en 2 in verbinding met art. 401 lid 1 moet aldus worden begrepen dat, indien een beding als bedoeld in art. 159 lid 1 niet is gemaakt (of een zodanig beding ingevolge lid 2 van dat artikel is vervallen), art. 401 lid 1 toepasselijk is, in dier voege dat in een geval waarin partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud zal mogen overgaan, indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij wat partijen bij hun overeenkomst voor ogen stond, waarbij hij mede zal dienen te letten op het verband dat kan zijn beoogd tussen de regeling betreffende het levensonderhoud en eventuele door partijen getroffen regelingen van andere aard.”

Hieruit volgt dat deze zware drempel voor wijziging is opgeworpen omdat partijen de vrijheid hebben de financiële gevolgen van de echtscheiding zelf te regelen, waarbij ervan wordt uitgegaan dat er verband zal zijn tussen de uitkeringen tot levensonderhoud en regelingen van andere aard: een allesomvattende regeling. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat een situatie als deze, waarin de man zich op één enkel punt heeft neergelegd bij het standpunt van de vrouw met betrekking tot zijn draagkracht, niet gelijk is te stellen met de situatie waar de Hoge Raad op doelt. Weliswaar is er strikt genomen sprake van een overeenkomst met betrekking tot de kinderbijdrage (de vrouw doet een voorstel, dat door de man wordt aanvaard), maar er is geen sprake van de situatie dat partijen weloverwogen de gevolgen van de echtscheiding hebben geregeld, met name omdat er over de partneralimentatie geen overeenstemming bestond (anders dan in de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden ECLI:GHARL:2014:1582, waar de vrouw haar verzoek om partneralimentatie had ingetrokken).

Bovendien is nog maar de vraag of er is afgeweken van de wettelijke maatstaven. De vrouw had haar verzoek gegrond op de stelling dat de man een verdiencapaciteit had van € 92.000,-per jaar, en de rechtbank heeft de vrouw bij het berekenen van de partneralimentatie daarin gevolgd. Waarschijnlijk is dus, dat als de rechtbank zelf had moeten beslissen, een zelfde bijdrage zou zijn vastgesteld, zodat van een afwijking van de wettelijke maatstaven geen sprake is.

De vrouw heeft niet weersproken dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1, BW zodat de rechtbank de bijdrage voor de kinderen opnieuw zal beoordelen.

ingangsdatum

3.4.

De man heeft verzocht de wijziging te doen ingaan per 1 november 2016, omdat zijn advocaat bij e-mailbericht van 31 oktober 2016 de vrouw heeft verzocht akkoord te gaan met de nu door hem verzochte wijziging.

3.5.

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, de wijziging niet eerder te doen ingaan dan de datum van de beschikking.

3.6.

De rechtbank volgt de vrouw hierin niet. De bijzondere omstandigheid waar zij naar verwijst, is dat de door de man verzochte wijziging zeer ingrijpend is. Dat is geen reden om een wijziging later te doen ingaan. De overige argumenten van de vrouw zien op de hoogte van de vast te stellen bijdrage, en niet op de ingangsdatum. De vrouw heeft niet weersproken dat zij vanaf 31 oktober 2016 rekening heeft kunnen houden met een verlaging van de bijdrage, en het bericht dat op 31 oktober 2016 aan de vrouw is verzonden bevatte een duidelijk onderbouwd en concreet bedrag, zodat de rechtbank de wijziging zal doen ingaan per 1 november 2016.

behoefte

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de geïndexeerde behoefte van de kinderen in 2016 € 630,- per kind per maand bedraagt.

draagkracht van de man

3.8.

De man stelt dat moet worden uitgegaan van zijn huidig inkomen uit hoofde van zijn dienstverband bij de politie sinds 1 maart 2017, ook voor wat betreft de periode 1 november 2016 tot 1 maart 2016. In die periode was de man in dienst bij ICS en verdiende hij een vergelijkbaar salaris.

3.9.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat nog steeds moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man van € 92.000, geïndexeerd naar 2017 € 96.810,- bruto per jaar. Voorzover hij dat niet in loondienst kan verwerven, geldt dat de man zijn ondernemingen [bedrijfsnaam 1] BV en [bedrijfsnaam 2] BV niet heeft beëindigd en aannemelijk is dat hij ook daaruit nog inkomen heeft. De man heeft tijdens het huwelijk altijd heel veel gewerkt en het is ongeloofwaardig dat hij dat nu niet meer zal doen.

3.10.

De rechtbank honoreert het verweer van de man dat hij geen hoger inkomen kan verwerven dan zijn huidige inkomen bij de politie. De man heeft met stukken onderbouwd dat de arbeidsovereenkomst bij [bedrijfsnaam 3] in 2012 is beëindigd omdat hij niet goed genoeg functioneerde. Voorts heeft hij een overzicht overgelegd van sollicitaties verricht in de periode 2014 tot heden, waar de vrouw niet op heeft gereageerd. Tenslotte heeft hij onbetwist gesteld dat hij alleen in de periode bij [bedrijfsnaam 3] een dergelijk inkomen heeft verworven, terwijl hij niet voldeed in die functie.

Daarnaast kan van de man niet verlangd worden dat hij naast zijn fulltime baan bij de politie ook nog inkomen verwerft als ondernemer, temeer omdat de man nu ook vaker de zorg heeft voor de kinderen dan in 2012. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het voorstel van de man om al met ingang van 1 november 2016 met het inkomen van de man bij de politie te rekenen. De rechtbank zal bij de vaststelling van de draagkracht van de man dan ook uitgaan van de inkomstengegevens zoals vermeld op de door hem overgelegde salarisstrook van maart 2017. Daarvan uitgaande becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.815,- per maand (inclusief vakantiegeld en reservering eindejaarsuitkering van € 448,- per maand, en na aftrek van pensioenpremies van € 355,- per maand).

3.11.

De vrouw heeft aangevoerd dat het draagkrachtloos inkomen van de man met

€ 500,- zou moeten worden verminderd omdat zijn woonlasten, onder meer gelet op het feit dat hij die kan delen met zijn partner, aanmerkelijk lager zijn dan het forfait.

3.12.

De man heeft aangevoerd dat uit de jurisprudentie volgt dat slechts in uitzonderlijke gevallen niet van forfaitaire woonlasten wordt uitgegaan, namelijk als de forfaitaire woonlasten zodanig hoog zouden uitkomen dat de kosten van de kinderen niet kunnen worden gedekt, hetgeen niet het geval.

3.13.

De rechtbank overweegt dat toepassing van de forfaitaire woonlast er niet toe leidt dat niet in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien, zodat er geen aanleiding is om van een andere dan de gebruikelijke berekening uit te gaan.

Derhalve uitgaande van de gebruikelijke wijze van berekenen bedraagt de draagkracht van de man 70% van [€ 3.815,- minus (0,3 x € 3.815,- plus € 905,-)] = € 1.235,- per maand.

draagkracht van de vrouw

3.14.

De rechtbank zal bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van de inkomstengegevens zoals vermeld op de door haar overgelegde salarisstrook van februari 2017. Daarvan uitgaande becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.961,- per maand (inclusief vakantiegeld en reservering eindejaarsuitkering van € 336,- per maand, en na aftrek van pensioenpremies van € 267,- per maand).

Het is niet langer in geschil dat de vrouw niet in aanmerking komt voor het kindgebonden budget of een inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat haar moeder bij haar inwoont.

Uitgaande van de gebruikelijke wijze van berekenen bedraagt de draagkracht van de vrouw 70% van [€ 2.961,- minus (0,3 x € 2.961,- plus € 905,-)] = € 818,- per maand.

3.15.

De vrouw heeft aangevoerd dat haar draagkrachtloos inkomen moet worden verhoogd met de kosten die zij voor haar inwonende bejaarde moeder maakt, door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw begroot op € 385,- per maand.

3.16.

De man heeft aangevoerd dat het een eigen keuze is van de vrouw om op deze wijze voor haar moeder te zorgen en dat dit niet mag prevaleren boven de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Daarnaast is deze post door destijds door de rechtbank meegenomen in het kader van de berekening van een partneralimentatie en niet bij het vaststellen van de kinderalimentatie.

3.17.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 1:400 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, in het kader van de vaststelling van de draagkracht voor de kosten van de kinderen, de kosten van de moeder van de vrouw buiten beschouwing gelaten dienen te worden.

Draagkrachtvergelijking

3.18.

Zoals hiervoor is overwogen bedraagt de draagkracht van de man € 1.235,- per maand en de draagkracht van de vrouw € 818,- per maand. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan ook € 2.053,- per maand. Dit is voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van totaal € 1.260,- per maand te voorzien. Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het aandeel van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op € 758,- per maand voor beide kinderen en dat van de vrouw op € 502,- per maand.

zorgkorting

3.19.

De man heeft gesteld dat een zorgkorting geldt van 35%, ervan uitgaande dat er 12 vakantieweken zijn die door de kinderen voor de helft bij de man worden doorgebracht. Hij heeft uitgerekend dat de kinderen 142 dagen per jaar bij hem zijn, de roostervrije schooldagen niet meegerekend. Er geldt een omgangsregeling van eens per twee weken een weekend en iedere week op woensdagmiddag met een overnachting naar de donderdag.

3.20.

Namens de vrouw is gesteld dat zij alle kosten van de kinderen voor haar rekening neemt als sport, muziekles, Russische les. Zij voert aan dat de Hoge Raad heeft bepaald dat de rechter de vrijheid heeft om af te wijken van de normen van de Expertgroep Alimentatienormen. Zij voert aan dat toepassing van de volledige zorgkorting zou leiden tot een enorm bedrag aan korting, welk bedrag door de man niet daadwerkelijk aan de kinderen wordt besteed. Om deze reden vraagt zij toepassing van 15% subsidiair 25% zorgkorting.

3.21.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de zorgregeling waarbij de kinderen eenmaal per veertien dagen bij de man verblijven van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, alsmede iedere woensdagmiddag na schooltijd tot donderdagochtend voor schooltijd, de roostervrije dagen en de helft van de vakanties, ervan uit kan worden gegaan dat de kinderen gemiddeld drie dagen per week bij de man verblijven, waarbij een zorgkorting van 35% past, in dit geval een bedrag van € 441,-. Dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten voor haar rekening neemt, maakt dat niet anders. De aanbevelingen van de Expertgroep gaan immers ook daarvan uit.

conclusie

3.22.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen op een bedrag van, afgerond, € 159,- per kind per maand.

overig

3.23.

De vrouw heeft nog aangevoerd dat zij op dit moment genoeg inkomen heeft om in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien, maar niet genoeg om daarnaast haar aandeel in de kosten van de kinderen te dragen. Vermindering van de door de man te betalen bijdrage, zal er feitelijk toe leiden dat niet meer in de behoefte van de kinderen wordt voorzien. De rechtbank is van oordeel dat dit geen grond is om het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie af te wijzen. Indien de vrouw, gelet op haar bijdrage in de kosten van de kinderen, niet langer in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, kan dit eventueel wel aanleiding zijn om alsnog partneralimentatie vast te stellen.

4 Beslissing

4.1.

De beschikking van deze rechtbank van beschikking van 26 juni 2013 wordt met ingang van 1 november 2016 gewijzigd in die zin dat het bedrag dat de man aan de vrouw vanaf 1 november 2016 zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen wordt vastgesteld op € 159,- per kind per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2.

Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

4.3.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

4.4.

De beschikking van 26 juni 2013 blijft voor het overige gehandhaafd.

Deze beschikking is gegeven door mr. drs. I.L. Rijnbout, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van drs. M.G.M. van Rijnstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.1

Voetnoten

1
type: RMv(M

coll:

Verder lezen