ECLI:NL:RBMNE:2017:2330 Rechtbank Midden-Nederland , 10-05-2017 / C/16/425037 / FA RK 16-6539

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/425037 / FA RK 16-6539

Beschikking van 10 mei 2017

in de zaak van


[verzoeker]
,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.L. van Olst,

tegen


[verweerster]

wonende te [woonplaats] ,

verweerster, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M. Bosman.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-

het verzoekschrift van de zijde van de man, ingekomen ter griffie op 12 oktober 2016;

-

het verweerschrift van de zijde van vrouw;

-

de correspondentie, waaronder met name:

o het F-formulier (met producties 1 tot en met 6), van 27 maart 2017 van de zijde van de man;

o het F-formulier (met bijlagen) van 27 maart 2017 van de zijde van de man;

o het F-formulier van 27 maart 2017 van de zijde van de vrouw;

o het aanvullend verweer tevens houdende zelfstandig verzoek van de zijde van de vrouw, ingekomen op 28 maart 2017;

o het F-formulier (met producties 7 tot en met 11) van 5 april 2017, van de zijde van de vrouw.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 5 april 2017. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tijdens de zitting hebben beide advocaten pleitnotities overgelegd.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken door deze rechtbank bij beschikking van 22 april 2015 . Deze beschikking is op 27 mei 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

-


[minderjarige 1]
, geboren te [geboorteplaats] op [2002] ;

-


[minderjarige 2]
, geboren te [geboorteplaats] op [2004 ] ;

-


[minderjarige 3]
, geboren te [geboorteplaats] op [2004 ] .

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 22 april 2015 is conform het ouderschapsplan van partijen bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 239,-- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Op grond van de wettelijke indexering is dit bedrag thans € 247,-- per maand (afgerond).

2.4.

Op [2016 ] is de man gehuwd met mevrouw [A] , hierna te noemen ‘ [A] ’.

2.5.

Uit de relatie van de man met [A] is de minderjarige [minderjarige 4] geboren, op 17 april 2015 te [geboorteplaats] .

2.6.

[A] heeft uit een eerdere relatie twee thans nog minderjarige kinderen, te weten:

-


[minderjarige 5]
, geboren te [geboorteplaats] op [2004 ] ;

-


[minderjarige 6]
, geboren te [geboorteplaats] op [2006] .

2.7.

[minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.8.

[minderjarige 2] , [minderjarige 5] , [minderjarige 6] en [minderjarige 4] wonen in het gezin van de man en [A] .

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De man verzoekt te bepalen dat met ingang van 1 juli 2016 [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft. Verder verzoekt de man wijziging van de door hem te betalen bijdrage kinderalimentatie, in die zin dat de bijdrage met ingang van 22 april 2015 wordt bepaald op € 150,-- per kind per maand. Daarnaast verzoekt de man te bepalen dat de bijdrage van de man aan de vrouw ten aanzien van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] per 1 juli 2016 op nihil wordt gesteld en dat per die datum de vrouw aan de man een bijdrage van € 150,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , bij vooruitbetaling, dient te voldoen.

3.2.

De vrouw voert verweer ten aanzien van de kinderalimentatie en stelt dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen. De vrouw verzoekt – bij wijze van zelfstandig verzoek – te bepalen dat de man vanaf 1 juli 2016 € 235,-- per maand en vanaf 1 januari 2017 € 285,-- per maand ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] dient te voldoen, dat de man vanaf 1 juli 2016 € 363,-- per maand en vanaf 1 januari 2017 € 710,-- per maand ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] dient te voldoen en dat de vrouw aan de man met ingang van 1 juli 2016 € 24,-- per maand en vanaf 1 januari 2017 € 3,-- per maand ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] dient te voldoen.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2]

Hoofdverblijfplaats [minderjarige 2]

3.3.

De man verzoekt te bepalen dat met ingang van 1 juli 2016 [minderjarige 2] zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft. De vrouw voert hiertegen geen verweer, zodat de rechtbank dit verzoek als onweersproken en op de wet gegrond zal toewijzen.

Ten aanzien van de kinderalimentatie

Van aanvang af niet aan wettelijke maatstaven beantwoord (artikel 1:401 lid 4 BW)

3.4.

Ter zitting heeft de man gesteld dat de bij beschikking van 22 april 2015 vastgestelde bijdrage aan kinderalimentatie van aanvang af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. De man stelt daartoe dat de vrouw, in afwijking van wat partijen zijn overeengekomen in het ouderschapsplan ondertekend op 14 november 2014, niet heeft gemeld dat haar inkomen is gewijzigd. Volgens de man is het inkomen van de vrouw in 2015 en 2016 respectievelijk met 20% en met 49% gestegen ten opzichte van haar inkomen in 2014. Partijen zijn in voornoemd ouderschapsplan overeengekomen dat de vrouw een inkomensstijging van 15% of meer zou vermelden en dat dit een reden zou zijn voor herberekening. Ten tijde van de beschikking van 22 april 2015 was het inkomen van de vrouw derhalve reeds aanzienlijk gestegen. Daarnaast is op 17 april 2015 [minderjarige 4] geboren, derhalve na het overeenkomen van het ouderschapsplan.

3.5.

De vrouw voert verweer. Zij betwist dat haar inkomen in 2015 dusdanig is gestegen. Daarnaast stelt zij dat de man nooit heeft aangegeven dat de geboorte van [minderjarige 4] een reden zou zijn voor wijziging van de kinderalimentatie.

3.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:401 lid 4 BW kan alleen een door de rechter gegeven beslissing over kinderalimentatie worden gewijzigd op de grond dat deze van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Nu het in casu gaat om kinderalimentatie die door partijen onderling is overeengekomen en vervolgens in een beschikking is vastgelegd, gaat een beroep op deze wijzigingsgrond niet op.

Wijziging van omstandigheden (artikel 1:401 lid 1 BW)

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Zij verschillen echter van mening over de vraag in hoeverre deze wijziging moet leiden tot een aanpassing van de geldende alimentatie. De rechtbank zal hierna de behoefte en de draagkracht opnieuw beoordelen om te bezien in hoeverre sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de geldende alimentatie rechtvaardigt.

Ingangsdatum

3.8.

De man verzoekt de wijziging van de kinderalimentatie in te laten gaan per 22 april 2015 . Volgens de man zijn partijen tot afspraken gekomen op 14 november 2014 en waren deze afspraken tegen de tijd dat de beschikking is gegeven achterhaald. Gelet op de inkomensstijging van de vrouw en de geboorte van [minderjarige 4] .

3.9.

De vrouw voert verweer. Zij betwist de inkomensstijging en zij stelt dat de man nooit heeft aangegeven dat de geboorte van [minderjarige 4] een reden zou zijn voor wijziging van de kinderalimentatie. De vrouw verzoekt de wijziging van de kinderalimentatie niet eerder in te laten gaan dan per de datum dat [minderjarige 2] bij de man is gaan wonen, te weten 1 juli 2016.

3.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de kinderalimentatie te wijzigen per 22 april 2015 . De rechtbank overweegt daartoe dat uit de beschikking van 22 april 2015 volgt dat de (toenmalige) advocaat van de man bij brief van 8 april 2015 de rechtbank heeft bericht dat partijen – onder meer – zijn overeengekomen dat de man vanaf 1 januari 2015 € 239,00 per kind per maand als kinderalimentatie zal voldoen. De aanstaande geboorte van [minderjarige 4] was op dat moment bij de man al bekend. Kennelijk was dit voor de man destijds geen reden om een herberekening van de overeengekomen kinderalimentatie te initiëren, waarbij dan eventueel ook het inkomen van de vrouw op dat moment zou kunnen zijn meegenomen. Vast staat dat het eerstvolgende wijzigingsmoment de verhuizing van [minderjarige 2] naar de man is. De rechtbank zal dan ook beoordelen in hoeverre er per 1 juli 2016 sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de geldende kinderalimentatie rechtvaardigt. Daarnaast staat vast dat de man op [2016 ] is getrouwd met [A] . Dit betekent dat per deze datum de man tevens onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 5] en [minderjarige 6] en [A] per deze datum tevens onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 2] . De rechtbank zal ook daarom per [2016 ] beoordelen in hoeverre er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een aanpassing van de vastgestelde kinderalimentatie rechtvaardigt.

Behoefte

3.11.

De man is niet alleen onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , maar ook voor [minderjarige 4] en per [2016 ] ook voor [minderjarige 5] en [minderjarige 6] . Volgens het arrest van de Hoge Raad van 13 december 1991 (NJ 1992, 178) dient in beginsel in een dergelijk geval de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de verschillende kinderen te worden verdeeld. Om die reden zal de rechtbank eerst de behoefte van alle kinderen vaststellen.

Behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

3.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2011 € 441,-- per kind per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2016 is dit € 450,-- per kind per maand.

Behoefte van [minderjarige 3]

3.13.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van [minderjarige 3] .

3.14.

De vrouw stelt dat de basisbehoefte van [minderjarige 3] van € 450,-- per maand verhoogd dient te worden met de kosten van topsport. [minderjarige 3] volgt een LOOT opleiding. Hij doet aan rugby op topsportniveau aan het [college] in [geboorteplaats] . De kosten voor deze opleiding zijn dusdanig dat de kosten voor [minderjarige 3] op grond van de tabel niet redelijk zijn. Volgens de vrouw dient zijn behoefte te worden verhoogd tot een bedrag van € 650,-- per maand.

3.15.

De man heeft ter zitting betwist dat de behoefte van [minderjarige 3] verhoogd dient te worden. De man stelt dat hij niet is gekend noch is betrokken bij de aanmelding van [minderjarige 3] voor de LOOT opleiding. Daarnaast stelt hij dat [minderjarige 3] uitzonderlijk veel blessures heeft en dat [minderjarige 3] recentelijk betrokken is geweest bij twee incidenten - een ontvreemding op school en een vechtpartij op school - waardoor het LOOT programma wellicht wordt gestopt door de school. Nu de topsport opleiding een onzekere factor is dient daar volgens de man geen rekening mee gehouden te worden. Indien de rechtbank wel rekening houdt met de kosten voor deze opleiding, dan dient de behoefte van [minderjarige 3] niet eerder dan per de datum dat hij met de opleiding is gestart, te weten 1 september 2016, verhoogd te worden.

3.16.

Conform het Rapport Alimentatienormen zijn de kosten van topsport kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd, zodat daar naast de tabelbedragen rekening mee gehouden dient te worden. De vrouw heeft ter zitting betwist dat zij niet met de man zou hebben overlegd over de topsport opleiding van [minderjarige 3] alsmede dat er sprake zou zijn van structurele blessures bij [minderjarige 3] . Ten aanzien van de voorgevallen incidenten stelt zij dat die niet van invloed zijn op de voortgang van de LOOT opleiding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man de betwiste stelling dat de topsport opleiding een onzekere factor is, dan ook onvoldoende onderbouwd. Vast staat dat [minderjarige 3] vanaf 1 september 2016 de LOOT opleiding volgt. Nu de door de vrouw gestelde kosten hiervoor niet zijn betwist zal de rechtbank de behoefte van [minderjarige 3] per 1 juli 2016 vaststellen op € 450,-- per maand en per 1 september 2016 op € 650,-- per maand.

Behoefte van [minderjarige 4]

3.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige 4] moet worden aangesloten bij het netto gezinsinkomen van de man en [A] in 2016. Evenmin is tussen hen in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de man in 2016 € 3.991,-- per maand bedraagt en het netto besteedbaar inkomen van [A] in 2016 € 1.973,-- per maand bedraagt. Het netto gezinsinkomen in 2016 bedraagt derhalve € 5.964,-- per maand. Op dit netto-gezinsinkomen strekt in mindering de kinderalimentatie die de man in 2016 voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] betaalde aangezien dit deel van het netto gezinsinkomen niet ten goede kwam aan de welstand van het gezin. De man heeft geïndexeerd naar 2016 € 242,-- per kind per maand betaald, derhalve in totaal een bedrag van € 726,-- per maand. Er resteert dan een netto gezinsinkomen van € 5.238,-- per maand. Uitgaande van het gezin met drie kinderen becijfert de rechtbank aan de hand van de tabellen kosten kinderen 2016 en acht punten voor de kinderbijslag, de behoefte van [minderjarige 4] op een bedrag van € 526,-- per maand (afgerond).

Behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6]

3.18.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] .

3.19.

De vrouw is van mening dat de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] buiten beschouwing gelaten dient te worden. Nu [A] heeft afgezien van kinderalimentatie voor [minderjarige 5] en [minderjarige 6] , kan het niet zo zijn dat de man door het huwelijk met [A] wel dient bij te dragen aan het levensonderhoud van deze kinderen. Verder stelt de vrouw dat de benodigde inkomensgegevens ontbreken om de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] te berekenen.

3.20.

De man stelt dat de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] wel vastgesteld kan worden en ook meegenomen dient te worden. Uit het tussen [A] en haar ex partner overeengekomen ouderschapsplan volgt dat de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] € 952,-- per maand bedroeg in 2011. Er is tussen de ouders van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] geen kinderalimentatie overeengekomen, maar de ouders delen de kosten bij helfte. De vader van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] voorziet dus voor de helft in de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] en de man en [A] dienen vanaf het moment dat zij gehuwd zijn samen in de helft van de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] te voorzien.

3.21.

De rechtbank stelt voorop dat [A] , de vader van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] en vanaf [2016 ] de man, ieder op grond van de wet onderhoudsplichtig zijn voor [minderjarige 5] en [minderjarige 6] . In het door de man als productie 4 overgelegde ouderschapsplan van de ouders van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] staat opgenomen:

“De behoefte voor de kinderen is volgens de Nibud-norm vastgesteld op € 952,-- voor de kinderen samen. Ouders spreken geen kinderalimentatie af, maar dragen ieder de helft van de kosten van de kinderen in combinatie met de zorgverdeling. De vader neemt de financiële verplichtingen (schulden) van partijen voor zijn rekening waarbij partijen uitdrukkelijk overeengekomen zijn dat er geen kinderalimentatie wordt vastgesteld.

Ouders zullen in mei 2012 evalueren en indien overeenstemming wordt bereikt een kinderrekening inrichten. Ouders houden bij welke kosten zij maken voor de kinderen en naast elkaar leggen om te vergelijken of hierin verschillen zijn”.

Hieruit volgt dat de afspraak sinds 2011 is dat [A] en de vader van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] ieder in de helft van de kosten van de kinderen voorzien. Ter zitting is door de man verklaard dat voornoemde regeling nog steeds loopt. Het uitgangspunt dat de vader van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] voor de helft voorziet in de behoefte van zijn kinderen acht de rechtbank redelijk en gelet op het ouderschapsplan voldoende onderbouwd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat vanaf [2016 ] [A] en de man gezamenlijk voor de helft voorzien in de helft van de behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] .

3.22.

Uitgaande van een behoefte van € 952,-- per maand in 2011 is de geïndexeerde behoefte van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] in 2016 € 1.010,-- per maand, waarvan € 505,-- wordt gedragen door de vader van [minderjarige 5] en [minderjarige 6] en vanaf [2016 ] € 505,--, derhalve € 252,50 per kind, wordt gedragen door [A] en de man.

3.23.

Vervolgens zal de rechtbank de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van [A] in 2016 vaststellen. Ieders draagkracht dient vervolgens per de drie wijzigingsmomenten, te weten 1 juli 2016 (verhuizing [minderjarige 2] ), 1 september 2016 (verhoging behoefte [minderjarige 3] ) en [2016 ] (huwelijk man en [A] ) verdeeld te worden, naar rato van de hiervoor becijferde behoefte van de kinderen voor wie ieder per voornoemde data onderhoudsplichtig is.

Draagkracht van de man

3.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de man in 2016 € 3.991,-- per maand is. De draagkracht van de man in 2016 berekent de rechtbank dan als volgt: 70% van 3991 – (0,3 x 3991 + 890)] = € 1.333,-- per maand (afgerond).

Draagkracht van de vrouw

3.25.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2016 € 2.304,-- per maand is. De draagkracht van de vrouw in 2016 bedraagt dan: 70% van 2304 – (0,3 x 2304 + 890)] = € 506,-- per maand (afgerond).

Draagkracht van [A]

3.26.

Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen van [A] in 2016 € 1.973 per maand is. De draagkracht van [A] bedraagt dan: 70% van 1973 – (0,3 x 1973 + 890)] = € 344,-- per maand (afgerond).

Verdeling naar rato behoefte per 1 juli 2016

3.27.

Per 1 juli 2016 is de man onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Gelet op de behoeftes zoals hiervoor onder de punten 3.12, 3.16 en 3.17 zijn vastgesteld, bedraagt de totale behoefte per 1 juli 2016 van deze kinderen samen: 450 + 450 + 450 + 526 = € 1.876,-- per maand. De draagkracht van de man dient vervolgens naar rato over de behoefte van deze kinderen te worden verdeeld:

Kind

Behoefte per 1 juli 2016

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

450

450 / 1876 x 1333

€ 319,75

[minderjarige 2]

450

450 / 1876 x 1333

€ 319,75

[minderjarige 3]

450

450 / 1876 x 1333

€ 319,75

[minderjarige 4]

526

526 / 1876 x 1333

€ 373,75

3.28.

Uit het voorgaande schema volgt dat van de draagkracht van de man een bedrag van € 959,25 per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dat een bedrag van € 373,75 per maand beschikbaar is voor [minderjarige 4] .

Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 1 juli 2016

3.29.

De rechtbank zal vervolgens de beschikbare draagkracht van de man vergelijken met de draagkracht van de vrouw om het definitieve aandeel van een ieder in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 1 juli 2016 vast te stellen.

3.30.

De draagkracht van de man (€ 959,25) en de draagkracht van de vrouw (€ 506) bedragen samen € 1.465,25 per maand.

3.31.

De gezamenlijke draagkracht is voldoende om per 1 juli 2016 volledig in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien, die hiervoor is becijferd op (450 x 3 =) € 1.350,-- per maand. De verdeling van de kosten wordt dan volgens de formule berekend: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte. Na vergelijking van ieders draagkracht becijfert de rechtbank het werkelijke aandeel van de man en de vrouw in de kosten van [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] op respectievelijk € 884,-- en € 466,-- per maand, dus € 294,50 per kind per maand en € 155,50 per kind per maand.

Zorgkorting

3.32.

Gelet op de huidige zorgregeling kan de man aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte, zijnde € 67,50 per kind per maand ten aanzien van zijn bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . De vrouw kan gelet op de huidige zorgregeling aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte, zijnde € 67,50 per maand ten aanzien van haar bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] .

Conclusie

3.33.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] per 1 juli 2016 op een bedrag van € 227,-- per kind per maand.

3.34.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] per 1 juli 2016 op een bedrag van € 88,-- per maand.

3.35.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eerder vastgestelde kinderalimentatie niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De kinderalimentatie zal daarom per 1 juli 2016 worden gewijzigd als hiervoor is berekend.

Verdeling naar rato behoefte per 1 september 2016

3.36.

Per 1 september 2016 is de man onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Gelet op de behoeftes zoals hiervoor onder de punten 3.12, 3.16 en 3.17 zijn vastgesteld, bedraagt de totale behoefte per 1 september 2016 van deze kinderen samen: 450 + 450 + 650 + 526 = € 2.076,-- per maand. De draagkracht van de man dient vervolgens naar rato over de behoefte van deze kinderen te worden verdeeld:

Kind

Behoefte per 1 juli 2016

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

450

450 / 2076 x 1333

€ 289,--

[minderjarige 2]

450

450 / 2076 x 1333

€ 289,--

[minderjarige 3]

650

650 / 2076 x 1333

€ 417,--

[minderjarige 4]

526

526 / 2076 x 1333

€ 338,--

3.37.

Uit het voorgaande schema volgt dat van de draagkracht van de man een bedrag van € 289,-- per kind per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een bedrag van € 417,-- per maand voor [minderjarige 3] en een bedrag van € 338,-- per maand voor [minderjarige 4] .

3.38.

De draagkracht van de vrouw dient naar rato van de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] als volgt te worden verdeeld.

Kind

Behoefte per 1 juli 2016

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

450

450 / 1550 x 506

€ 147,--

[minderjarige 2]

450

450 / 1550 x 506

€ 147,--

[minderjarige 3]

650

650 / 1550 x 506

€ 212,--

3.39.

Uit het voorgaande schema volgt dat van de draagkracht van de vrouw een bedrag van € 147,-- per kind per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en een bedrag van € 212,-- per maand voor [minderjarige 3] .

Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 1 september 2016

3.40.

De rechtbank zal vervolgens de beschikbare draagkracht van de man vergelijken met de draagkracht van de vrouw om het definitieve aandeel van een ieder in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] per 1 september 2016 vast te stellen.

3.41.

De beschikbare draagkracht van de man (€ 995,--) en de draagkracht van de vrouw (€ 506) bedragen samen € 1501,-- per maand.

3.42.

De gezamenlijke draagkracht is onvoldoende om per 1 september 2016 volledig in de behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien, die hiervoor per 1 september 2016 is becijferd op (450 + 450 + 650 =) € 1.550,-- per maand, zodat een draagkrachtvergelijking achterwege kan blijven.

Zorgkorting

3.43.

Gelet op de huidige zorgregeling kan de man in beginsel aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 1] , zijnde € 67,50 per maand en een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 3] , zijnde € 97,50 per maand. De vrouw kan gelet op de huidige zorgregeling in beginsel aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 2] , zijnde € 67,50 per maand.

3.44.

Aangezien de gezamenlijke draagkracht van partijen echter onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, kunnen partijen de zorgkorting niet volledig verzilveren. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt: 900 -/- 872 = € 28,-- per maand, te weten € 14,-- per kind per maand. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht voor [minderjarige 3] bedraagt: 650 -/- 629 = € 21,-- per maand. Conform de Expertgroep Alimentatienormen zal de rechtbank de tekorten gelijkelijk over partijen verdelen, te weten € 7,-- voor ieder ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en € 10,50 voor ieder ten aanzien van [minderjarige 3] . Dit betekent dat de man en de vrouw ieder ten aanzien van hun bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een zorgkorting kunnen verzilveren van (67,50 -/- 7 =) € 60,50 per maand en dat de man ten aanzien van [minderjarige 3] een zorgkorting kan verzilveren van (97,50 -/- 10,50 =) € 87,-- per maand.

Conclusie

3.45.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de man aan de vrouw per 1 september 2016 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op € 228,50 en voor [minderjarige 3] op € 330,-- per maand.

3.46.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] per 1 september 2016 op een bedrag van € 86,50 per maand.

3.47.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor per 1 juli 2016 vastgestelde kinderalimentatie, met name ten aanzien van de bijdrage in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] , per 1 september 2016 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De kinderalimentatie zal daarom per 1 september 2016 worden gewijzigd als hiervoor is berekend.

Verdeling naar rato behoefte per [2016 ]

3.48.

Per [2016 ] is de man onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] . Gelet op de behoeftes zoals hiervoor onder de punten 3.12, 3.16, 3.17 en 3.22 zijn vastgesteld, bedraagt de totale behoefte per [2016 ] van de kinderen samen: 450 + 450 + 650 + 526 + 252,50 + 252,50 = € 2.581,-- per maand. De draagkracht van de man dient vervolgens naar rato over de behoefte van de kinderen te worden verdeeld:

Kind

Behoefte per 1 juli 2016

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 1]

450

450 / 2581 x 1333

€ 232,--

[minderjarige 2]

450

450 / 2581 x 1333

€ 232,--

[minderjarige 3]

650

650 / 2581 x 1333

€ 336,--

[minderjarige 4]

526

526 / 2581 x 1333

€ 272,--

[minderjarige 5]

252,50

252,5 / 2581 x 1333

€ 130,50

[minderjarige 6]

252,50

252,5 / 2581 x 1333

€ 130,50

3.49.

Uit het voorgaande schema volgt dat van de draagkracht van de man een bedrag van € 232,-- per kind per maand beschikbaar is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , een bedrag van € 336,-- per maand voor [minderjarige 3] , een bedrag van € 272,-- per maand voor [minderjarige 4] en een bedrag van € 130,50 per kind per maand voor [minderjarige 5] en [minderjarige 6] .

3.50.

Per [2016 ] is [A] onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] . Gelet op de behoeftes zoals hiervoor onder de punten 3.12, 3.17 en 3.22 zijn vastgesteld, bedraagt de totale behoefte per [2016 ] van deze kinderen samen: 450 + 526 + 252,50 + 252,50 = € 1.481,-- per maand. De draagkracht van [A] dient naar rato van de behoefte van deze kinderen als volgt te worden verdeeld.

Kind

Behoefte per 1 juli 2016

Verdeling naar rato van behoefte

Beschikbare draagkracht

[minderjarige 2]

450

450 / 1481 x 344

€ 104,--

[minderjarige 4]

526

526 / 1481 x 344

€ 122,--

[minderjarige 5]

252,50

252,50 / 1481 x 344

€ 59,--

[minderjarige 6]

252,50

252,50 / 1481 x 344

€ 59,--

3.51.

Uit het voorgaande schema volgt dat van de draagkracht van [A] een bedrag van € 104,-- per maand beschikbaar is voor [minderjarige 2] , een bedrag van € 122,-- per maand voor [minderjarige 4] en een bedrag van € 59,-- per kind per maand voor [minderjarige 5] en [minderjarige 6] .

3.52.

De beschikbare draagkracht van de man voor [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] (€ 533,--) en de beschikbare draagkracht van [A] voor [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] (€ 240,--) bedragen samen € 773, -- per maand. Deze gezamenlijke draagkracht is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] te voorzien, die hiervoor is becijferd op (526 + 252,50 + 252,50 =) € 1.031,-- per maand. Dit betekent dat de man zijn beschikbare draagkracht van € 533,-- per maand volledig voor [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] moet aanwenden. Er is dus geen ruimte om een deel daarvan ‘over te hevelen’ naar [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] .

3.53.

De draagkracht van de vrouw blijft ongewijzigd ten opzichte van 1 september 2016. Zij heeft een beschikbare draagkracht van € 147,-- per kind per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en € 212,-- per maand voor [minderjarige 3] .

Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [minderjarige 2]

3.54.

De rechtbank zal vervolgens de draagkracht van de man vergelijken met de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van [A] om het definitieve aandeel van een ieder in de behoefte van [minderjarige 2] vast te stellen.

3.55.

De beschikbare draagkracht voor [minderjarige 2] van de man (€ 232,--), de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 2] van de vrouw (€ 147,--) en de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 2] van [A] (€ 104,--) bedragen samen € 483,-- per maand.

3.56.

De gezamenlijke draagkracht is voldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 2] te voorzien, die hiervoor is becijferd op € 450,-- per maand. Na vergelijking van ieders draagkracht aan de hand van de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte, becijfert de rechtbank het werkelijke aandeel van de man, de vrouw en [A] in de kosten van [minderjarige 2] op respectievelijk € 216,--, € 137,-- en € 97,-- per maand. Dit betekent dat een deel van de beschikbare draagkracht van de man en de vrouw voor [minderjarige 2] , te weten respectievelijk (232-216 =) € 16,-- en (147-137) € 10,-- niet wordt benut. Deze extra ruimte zal de rechtbank ‘overhevelen’ naar de kinderen voor wie de man en de vrouw verder ieder onderhoudsplichtig zijn en in wiens behoefte niet volledig kan worden voorzien. Het onbenutte deel van de draagkracht van de man van € 16,-- dient aldus te worden verdeeld over [minderjarige 5] , [minderjarige 6] , [minderjarige 4] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Gelet op de (zeer geringe) hoogte van het bedrag zal de rechtbank dit bedrag niet naar rato van de behoefte van de kinderen verdelen, maar in gelijke mate. Dit betekent dat voor ieder een extra bedrag aan draagkracht van de man beschikbaar is van afgerond € 3,--. Het onbenutte deel van de draagkracht van de vrouw van € 10,-- zal in gelijke mate worden verdeeld over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . In totaal is dan voor [minderjarige 1] een bedrag beschikbaar van respectievelijk € 235,-- en € 152,--. In totaal is dan voor [minderjarige 3] een bedrag beschikbaar van respectievelijk € 339,-- en € 217,--.

Draagkrachtvergelijking ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 3]

3.57.

De beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] van de man (€ 235,--) en de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 1] van de vrouw (€ 152,--) bedragen samen € 387,-- per maand.

3.58.

Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, die hiervoor is becijferd op € 450,-- per maand. Dit betekent dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] op het maximum van zijn beschikbare draagkracht moet worden bepaald, te weten € 235,-- per maand en er geen ruimte is om een deel daarvan ‘over te hevelen’ naar [minderjarige 3] .

3.59.

De beschikbare draagkracht voor [minderjarige 3] van de man (€ 339,--) en de beschikbare draagkracht voor [minderjarige 3] van de vrouw (€ 217,--) bedragen samen € 556,-- per maand.

3.60.

Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 3] te voorzien, die hiervoor is becijferd op € 650,-- per maand. Dit betekent dat het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 3] op het maximum van zijn beschikbare draagkracht moet worden bepaald, te weten € 339,-- per maand.

Zorgkorting

3.61.

De vrouw kan gelet op de huidige zorgregeling aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 2] , zijnde € 67,50 per maand.

3.62.

Gelet op de huidige zorgregeling kan de man in beginsel aanspraak maken op een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 1] , zijnde € 67,50 per maand en een zorgkorting van 15% van de behoefte van [minderjarige 3] , zijnde € 97,50 per maand. Aangezien de gezamenlijke beschikbare draagkracht van partijen echter onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te voorzien, kan de man de zorgkorting niet volledig verzilveren.

3.63.

Het tekort aan gezamenlijke draagkracht in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] bedraagt: 450 -/- 387,-- = € 63,-- per maand. Conform de Expertgroep Alimentatienormen zal de rechtbank dit tekort gelijkelijk over partijen verdelen, te weten € 31,50 voor ieder. Dit betekent dat de man ten aanzien van zijn bijdrage voor [minderjarige 1] een zorgkorting kan verzilveren van (67,50 -/- 31,50 =) € 36,-- per maand.

3.64.

Het tekort aan gezamenlijke draagkracht in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] bedraagt: (650 -/- 556 =) € 94,-- per maand. Conform de Expertgroep Alimentatienormen zal de rechtbank dit tekort gelijkelijk over partijen verdelen, te weten € 47,-- voor ieder. Dit betekent dat de man ten aanzien van zijn bijdrage voor [minderjarige 3] een zorgkorting kan verzilveren van (97,50 -/- 47,-- =) € 50,50 per maand.

Conclusie

3.65.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de man aan de vrouw per [2016 ] te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op € 199,-- en voor [minderjarige 3] op een bedrag van € 288,50 per maand.

3.66.

Na aftrek van voormelde (te verzilveren) zorgkorting becijfert de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] per [2016 ] op een bedrag van € 69,50 per maand.

3.67.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor per 1 september 2016 vastgestelde kinderalimentatie per [2016 ] niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De kinderalimentatie zal daarom per [2016 ] worden gewijzigd als hiervoor is berekend.

3.68.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de voornoemde door de man aan de vrouw te betalen bijdragen geïndexeerd per 1 januari 2017 € 203,18 en € 294,56 bedragen en de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage per 1 januari 2017 € 70,96 bedraagt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat [minderjarige 2] met ingang van 1 juli 2016 zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man;

4.2.

wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 22 april 2015 als volgt:

4.3.

bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] :

-

met ingang van 1 juli 2016 op € 227,-- per kind per maand;

-

met ingang van 1 september 2016 op € 228,50 per maand ten behoeve van [minderjarige 1] en op € 330,-- per maand ten behoeve van [minderjarige 3] ;

-

met ingang van [2016 ] op € 199,-- per maand ten behoeve van [minderjarige 1] en op € 288,50 per maand ten behoeve van [minderjarige 3] , vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.4.

bepaalt het bedrag dat de vrouw aan de man zal verstrekken tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] :

-

met ingang van 1 juli 2016 op € 88,-- per maand;

-

met ingang van 1 september 2016 op € 86,50 per maand;

-

met ingang van [2016 ] op € 69,50 per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.6.

bepaalt dat de beschikking van deze rechtbank van 22 april 2015 voor het overige wordt gehandhaafd;

4.7.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. van Es-de Vries, (kinder)rechter, in aanwezigheid van de griffier mr. R. van der Vaart en in het openbaar uitgesproken op 10 mei 2017.